Ontsnappen aan de taal

Bartle Laverman, Sinterklaas vermoord bij Dokkum

De academie is de niet-noodzakelijke (..) weg naar het kunstenaarschap. Een origineel en eigentijds kunstenaar leerde er in de 20ste eeuw hoe het niet moest, maar met de meest groter wordende invloed van de taal is het moeilijk je te profileren omdat ook op de academie met een goed verhaal anthyng goes.

Deze woorden zijn ontleend aan een tekst van Bartle Laverman die hij publiceerde in de catalogus van de tentoonstelling Oude helden, jonge meesters, die in 2011 werd georganiseerd ter gelegenheid van zijn afscheid als docent aan de kunstacademie Minerva. Het zijn nogal tegendraadse woorden die een schril licht werpen op Bartles eigen visie op het kunstenaarschap waar je op en kunstacademie voor wordt opgeleid. Beeldende kunst wordt steeds meer overwoekerd door de taal en de opzet van het kunstvakonderwijs heeft die ontwikkeling gevolgd. De Academie Minerva in Groningen ontwikkelde zich in de laatste decennia van een instituut waar ooit het ambacht van het schilderen en de realistische weergave van de werkelijkheid hoog in het vaandel stonden, tot een onderwijslaboratorium waar het talige en conceptuele denken over kunst steeds belangrijker werd.

Ironisch genoeg stond Bartle decennialang in het centrum van die ontwikkeling. Hij was immers docent kunsttheorie en filosofie, maar dat niet alleen, hij was ook nog eens universitair geschoold in de theoretische en wijsgerige pedagogie, met als bijvakken analytisch filosofie en psycholinguïstiek. Dat is een hele mond vol voor een eenvoudig kunstenaar. Kunstenaars – en met name schilders – golden van oudsher niet als hoogbegaafd als het gaat om verstandelijke vermogens. Vooral schilderen was veeleer een een domme bezigheid. In het Frans bestond niet voor niets de uitdrukking ‘bête comme un peintre’, dom als een schilder.

Hoe dan ook, in 1977 studeerde Bartle cum laude af aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Hij begon zelfs aan een proefschrift over de filosoof Wittgenstein, u weet wel die filosoof die ooit beweerd had dat ons brein behekst is met taal. Dat proefschrift van Bartle is overigens nooit afgekomen door de bekrompenheid van zijn hoogleraar waardoor deze onderneming eindigde in een hooglopend conflict. Maar belangrijker is – en dat is de essentie van dit verhaal – , taal was het domein bij uitstek waar Bartle in had doorgeleerd en vanuit die optiek leidde hij zijn studenten op in een kunstwereld die steeds meer door talige vertogen over kunst werd overheerst en waarin de kunst zelf steeds taliger werd.

De betekenis van de moderne kunst werd ook steeds meer bepaald door de context. En dat – zo ontdekte Bartle – was met de taal idem dito. Het teken is willekeurig. ‘Le signe est arbitrair,’ zo had de grote taalkundige Ferdinand de Saussure ontdekt. De betekenis van de woorden die wij uitspreken zijn niet intrinsiek eigen aan die woorden, maar aan de context waarin die woorden hun weg vinden. Ook kunst werd dus context. Dat was niet altijd zo geweest, integendeel. De belangstelling voor taal als tekensysteem is in beeldende kunst van de twintigste eeuw ooit kunnen ontstaan doordat het beeld voorgoed afstand nam van het domein van de taal.

Kubisten verknipten de letters, dadaïsten bliezen de woorden op en de surrealisten vervreemden de taal van haar meest alledaagse betekenissen. Een roos was een roos was een roos, maar een geschilderde pijp was voortaan geen pijp meer. Ondanks al dit geknutsel met woord en beeld werd de afstand tussen beeldende kunst en de talige uitingen van de de literatuur haast onoverbrugbaar. De moderne avant-garde had een afkeer van literatuur: het woord werd dood verklaard. En toch, ondanks die groeiende kloof tussen taal en beeld, waardoor de moderne kunst met al zijn abstracties juist kon ontstaan, leverde de kunst zich steeds meer uit aan het domein van de taal.

Hoe zat dat, en vooral hoe zat dat met Bartle zelf? Opgegroeid in een gereformeerd milieu was het belang van het woord hem al vroeg bijgebracht. Die boodschap ging er bij hem in Gods woord in een ouderling, al zou het woord blijven maar God stilaan uit zijn leven verdwijnen. Al in de jaren zestig begon Bartle te dichten en schrijven. Een tijdlang was hij de spil van het Friese literaire tijdschrift Trotwaer en in die hoedanigheid publiceerde hij niet alleen gedichten, maar illustreerde die ook met eigen tekeningen. Het woord en het beeld gingen zo bij hem al vroeg zij het voorzichtig een relatie met elkaar aan.

Maar het woord zou nog lang de overhand houden. Pas in 1996 kwam Bartle voor het eerst met zijn beeldende kunst naar buiten, in een groep-tentoonstelling Bartle Laverman zijn vrienden in de Galerij van Theater Romein in Leeuwarden, waar destijds Ed Bausch de scepter zwaaide en hij ook hij is hier vandaag aanwezig. Die tentoonstelling was wat je noemt de coming out van Bartle als beeldend kunstenaar. Voor zijn studenten had hij zijn eigen beeldende werk jarenlang geheim weten te houden, alsof hij er zich voor geneerde. In al die jaren, dat hij doceerde in Groningen, heeft slechts een keer werk van zichzelf opgehangen, maar voor de rest sprak hij met zijn studenten eigenlijk nooit over zijn eigen beeldende werk

Als u het werk hier vandaag ziet hangen, begrijpt misschien een beetje waarom. Wat is dit voor kunst? Is het een zondagsschilder? Een naïeveling? Wat betekenen die ogenschijnlijk onhandig gekwaste voorstellingen, waarin de Friezen opeens een zwarte huidskleur hebben, alsof zij zelf collectief de Zwarte Piet zijn geworden die Sinterklaas gaan vermoorden bij Dokkum. In het schilderij dat op het affiche staat afgebeeld zien we de kunstenaar zelf, met zwart gelaat en als een kind kruipend over de grond met een onbekende last die hij op zijn schouders torst. Hoe en waar kun je dit werk plaatsen? Is het wel te plaatsen? Is het niet eerder een vorm van outsiderkunst? Kunst van iemand die van niets weet, zelfs niet wat kunst eigenlijk is? Of – en dan wordt het nog vreemder – is het soms kunst van iemand die alles van de kunst weet, maar doet of hij het niet meer wil weten.

Toen ik van de week even rondliep bij de inrichting van deze tentoonstelling vertelde Bartle mij dat hij bij het schilderen nooit zijn kwasten en penselen schoonmaakt voordat hij een nieuwe kleur op het doek brengt. Zelfs alle regels van de techniek worden doelbewust door hem genegeerd, alsof hij ontsnappen wil uit het keurslijf van de kunstenaar waarin hij zich gevangen voelt. Dat keurslijf is niet de kunst zelf, maar het domein van de taal waarin de kunst gevangen zit. Deze ongemakkelijke schilderijen ogen als kunst van een zwaar belaste maker die de kunst tot elke prijs terug wil geven aan het instinct, aan het diepste gevoel, aan de onderbuik. En dat terwijl hij donders goed weet dat aan de cerebrale taal van het hoofd voor hem niet te ontsnappen valt. Die taal blijft voortdurend aanwezig, alsof de docent kunsttheorie altijd meekijkt over de schouder van de zogenaamd naïeve en en totaal onbevangen kunstenaar.

‘Zwei Seelen wonen, ach! in meiner Brust,‘ verzuchte Goethe. Die woorden moeten ook voor Bartle gelden, zeker als men bedenkt dat hij naast beeldend kunstenaar en gewezen docent, ook nog eens een dichter is, en zeker niet de eerste de beste. In mei 2003 exposeerde hij in hetzelfde Theater Romein in Leeuwarden in een tentoonstelling met als titel Gemengd bedrijf. Het was een tentoonstelling van Friese dubbeltalenten. Maar ondanks die opeenstapeling van talenten, waaronder Bartle wellicht gebukt gaat als hij als schilder kruipend over de vloer voortbeweegt, is hij toch voor alles een docent gebleven. Zo wil later ook herinnerd worden, mocht hij ooit gedwongen worden om alle ballast van zich af te werpen en afscheid te nemen van alles wat ons hier op aarde bezig houdt.

Toen ik hem de vorige week vroeg wat hij zou antwoorden als hij als honderdjarige dan eindelijk voor de hemelpoort zou staan en Petrus hem zou vragen hoe hij op aarde voortaan herinnerd wilde wil worden – waarbij hij maar één antwoord mocht kiezen om naar binnen te mogen – als dichter, als kunstenaar of als docent – antwoordt Bartle zonder enige aarzeling: ’Als docent natuurlijk!’ Hele generaties adspirant-kunstenaars heeft hij in volle collegezalen aan zijn ogen voorbij zien trekken, gevormd en geïnspireerd. Zes van zijn vrienden, onder wie ook zijn vrouw Hannie, die hier vandaag samen met hem exposeren, hebben hem ooit als docent leren kennen.

De overigen kennen Bartle op andere manieren, als schilder, dichter of gewoon als vriend. Van al zijn studenten kwamen door de jaren heen veel uit Friesland en en zij gingen vaak ook in deze contreien hun beroep uitoefenen. Bartle was zo decennialang het bruggenhoofd bij uitstek van de Friese kunstwereld in dat verre Groningen. Hij haalde ook gastdocenten uit Friesland naar Minerva om daar reeksen gastcolleges te geven in het kader van het Studium Generale. Onder hen Peter Karstkarel, die hier vandaag aanwezig is, Rudy Hodel, Rients Kooistra – hier ook aanwezig – en ikzelf.

In de afgelopen decennia heb jij, Bartle, mij meerdere malen een podium geboden, niet alleen om hier ooit bij een opening bij BAS een chanson van Jacques Brel te mogen zingen – iets wat ik nooit meer zal doen, al was het maar om ook nooit meer mijn tekst kwijt te raken – maar ook om jarenlang gastdocent te mogen zijn op Academie Minerva in Groningen. Daarvoor ben ik je nog altijd dankbaar want die jaren waren voor mij een prachtige tijd. Ik bewaar ook vele mooie herinneringen aan jou Bartle als vriend van Marijke en mij, maar ook als roddelgenoot en tijdgenoot in voor- en tegenspoed.

Zeventig jaar, ik weet wat het is, want ik ben het sinds kort ook. Leeftijd doet er niet toe, alleen de vriendschap telt, zeker van alle vrienden die hier vandaag bij jou met hun werk op verjaardagsvisite wilden komen.

Ik wens jou Bartle al het goede toe en nog vele jaren samen met Hannie en ons allen.

(tekst van de openinsgtoesraak bij de tentoonstelling Hier. Punt. Nu gistermiddag in Galerie BAS in Sneek)</h6

Reageren is niet mogelijk.