In het museum van de herinering


‘Van Stettin aan de Oostzee tot Triëst aan de Adriatische Zee, is een ijzeren gordijn neergelaten dwars door het Europese continent. Achter die lijn liggen alle hoofdsteden van de oude staten van Centraal en Oost-Europa: Warschau, Berlijn, Praag, Wenen, Boedapest, Belgrado, Boekarest en Sofia. Al deze beroemde steden en de bevolkingen erom heen, liggen binnen de Russische sfeer en zijn alle in een of andere vorm onderworpen, niet alleen aan de Sovjet-Russische invloed, maar in grote en steeds grotere mate aan directe beheersing door Moskou.

Dat waren de woorden van Winston Churchill die hij uitsprak op 5 maart 1946 tijdens zijn beroemde rede van Fulton. Anderhalf jaar later werd ik geboren. In het Vrije Westen, aan deze zijde van het IJzeren Gordijn. Het was een tijd van hoop en verwachting, maar ook van twijfel en melancholie. Het hoopvolle optimisme van de wederopbouw had zijn keerzijde in het zwartgallige mensbeeld van het existentialisme. In de literatuur ging het over landerigheid en depersonalisatie, maar tegelijk stak een bruisend vitalisme de kop op bij De Vijftigers en Cobra. The face of God after Auschwitz, zo luidde de titel van een belangrijk theologisch boek na de oorlog. Maar die God had letterlijk geen gezicht meer, omdat de hypothese ‘God’ niet meer te rijmen viel met de aloude eenheid van het ware, het goede en het schone. ‘De schoonheid had zijn gezicht verbrand’, zo dichtte Lucebert, terwijl Vasalis gewag maakte van een ‘godheid zonder gelaat, die mij verschroeien moet.’ Achteraf bezien heeft deze collectieve ervaring van ontreddering een soort negatieve theologie opgeleverd, een donker spiegelbeeld van God, een gesmoorde woede die geen uitweg vond, omdat het beeld van een almachtige Vader ondenkbaar was geworden. Woede die zich moet richten op een leegte slaat terug op zichzelf met alle gevolgen van dien.

Het is bekend dat in die eerste naoorlogse jaren de verschrikkingen van de Holocaust vrijwel collectief werden verdrongen. De aanvankelijke verbijstering over wat had plaatsgevonden maakte al gauw plaats voor een vrijwel totale oriëntatie op de toekomst. De euforie van de jaren zestig is achteraf ondenkbaar zonder deze voorafgaande, radicale verdringing van de oorlogsellende in een utopisch vergezicht. Daarbij werden de ervaringen van de overlevenden van de Holocaust doorgaans niet eens gehoord, terwijl hun overlevingskracht niet zelden voortkwam uit een vergelijkbaar verdringingsproces. Juist in zijn diepste ellende overleeft een mens door zich een doel te stellen en een diepere betekenis te geven aan zijn leven. Ook dat werd in de jaren vijftig volop gedaan. Er was misschien wel teveel betekenis in die tijd, teveel diepgang, te veel toekomst ook. De babyboomers waren de jeugd van een toekomst die er nooit gekomen is. In die spagaat tussen utopische verwachting en krampachtige verdringing ben ik opgegroeid. Mijn leven begon in een vacuüm van hoop. De eindeloze jaren vijftig waren een toekomst zonder geheugen.

Het was geen geruisloos proces van vervreemding geweest, dat mij geestelijk deed ontsporen, maar een plotselinge ervaring dat de wereld  op slot zat. Van de een op de ander dag ging er iets mis. Ik weet het nog goed, het was ook weer een zondag, de dag nadat ik met mijn ouders was thuisgekomen van de laatste vakantie samen met mijn ouders. Op 23 augustus 1965 werd ik ‘s ochtends wakker met een gevoel dat iets raars aan de hand was met mijzelf, alsof er een opeens glazen stolp om me heen zat, waarachter de wereld voorgoed onbereikbaar was geworden. Daarna kreeg ik leverinjecties van de huisarts, maar het hielp niet. Ik leefde voort als een zombie en alles ging zijn gewone gang. Ik ging ook weer school en maakte het eerste trimester af zonder al te veel problemen of signalen dat er iets mis was.

In november werd ik zelfs namens het Ignatiuscollege afgevaardigd naar een declamatiewedstijd in het Spinozalyceum, die jaarlijks werd georganiseerd voor alle middelbare scholen in Amsterdam. De hoofdprijs was niet voor mij weggelegd. Die ging naar Martine Bijl, de zingende doktersdochter uit Amsterdam Zuid, die dat jaar door Willem Duys was ontdekt. Ze was even oud als ik, maar in mijn beleving was zij een vedette, die chansons zong van Anne Sylvestre en Barbara. Mijn vader zat in de zaal en complimenteerde mij nog na afloop met mijn voordracht. De rit naar huis was de laatste keer dat hij in zijn autootje reed. In de nacht van 3 op 4 december kreeg hij een beroerte, de eerste koerier van een snel naderende dood. Toch leek ook dit dramatisch gebeuren mij niet echt van mijn stuk te brengen. Integendeel, het ging eerder langs me heen, het raakte mij niet echt. Drie weken later, op avond van 20 december 1965, zag ik het toneelstuk Kleine Alice in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Ik ging er naartoe met een aantal klasgenoten samen met mijn godsdienstleraar pater Jos Vrijburg SJ.

Het stuk maakte destijds grote indruk op mij. Toen ik weer buiten stond, was ik een ander mens. In de pauze zag ik wederom Martine Bijl. Ze was even onbereikbaar als daarvoor. Achteraf heb ik nog over Kleine Alice nagepraat met mijn klasgenoten en ik heb er zelfs een geïmproviseerde lezing over gehouden op een speciaal belegde avond op school, waarbij ik volledig in trance raakte. Een half uur lang liep ik heen en weer op het podium in de aula van het Sint Ignatiuscollege. Een stroom van woorden kwam uit mijn mond – woorden over een god die geen God meer was, maar ook over Yesterday van de Beatles, woorden over alles en over niets, over heden, verleden, toekomst en het licht van de zwarte zon – totdat mij het woord werd ontnomen door de voorzitter die avond. Daarna ben ik naar huis gelopen, vijf kilometer lang door de nachtelijke stad. Het was woensdagavond, 12 januari 1966. De volgende dag zou blijken dat in het Italiaanse dorp Parabita in de klerenkast van een alleenstaande vrouw het met goud bedekte lijk van het negenjarig jongetje Luigi de Matteis was gevonden. De 54-jarige vrouw, genaamd Addolatora Astore, stond bekend als een godsdienstwaanzinnige. Tegenover de politie verklaarde zij: ‘Luigi was een heilige en ik moest hem vergulden en hem naar de Paus in Rome brengen.’

Wat heeft dit alles met mij te maken, met mijn eigen leven, met alles wat ik mij herinner of wat mij te binnen wil schieten? De inrichting van elk huis is een museum van de herinnering. Steeds meer realiseer ik mij dat het interieur van mijn eigen huis een installatie is die in een museum niet zou misstaan. Op quasi nonchalante wijze zijn mijn nostalgische gevoelens georkestreerd in een anarchistisch ensemble van brice a  brac, parafernalia uit de tijd van van het rijke roomse leven, goedkope souvenirs, kortom, een mix van kitsch en prullaria, dat door de jaren heen bijeen is gegaard op rommelmarkten en in kringloopwinkels.

In haar boek The Future of Nostalgia (2002) heeft Svetlana Boym een heel hoofdstuk gewijd aan de Russische kunstenaar Ilya Kabakov. Ik heb zijn werk vaak gezien, onder meer in Kassel en Venetië, en hem altijd als een typisch Russisch kunstenaar beschouwd. Zijn werk zag ik als een reflectie op het bankroet van het Russische staatscommunisme, dat na de val van de Berlijnse Muur weldra van de aardbodem leek te verdwijnen.

Door het boek van Boym ben ik gaan inzien dat het werk van Kabakov ook iets over mijn eigen leven te zeggen heeft, over de tijd die achter mij ligt en nu is gestold tot mijn museum van de herinnering, dat wil zeggen: de toekomst van gisteren. De naoorlogse buitenwijken van Amsterdam verschillen niet zoveel van die van Warschau, Berlijn, Praag, Wenen, Boedapest, Belgrado, Boekarest en Sofia, de steden waar Churchill over sprak in zijn rede van Fulton. Het was hetzelfde modernisme. Dezelfde droom van een toekomst die nooit heeft plaatsgevonden. Nu het IJzeren Gordijn al lang verdwenen is, komt in Oost- en West-Europa eenzelfde nostalgie bovendrijven naar de tijd die nog een toekomst had. Het centrale thema in het werk van Ilya Kabokov is: ‘De man die in de toekomst sprong’. Dat thema krijgt opeens iets vertrouwds, als ik terugkijk op mijn eigen verleden.

De inrichting van mijn huis draagt de sporen van dat verleden. Het is het interieur van een emigrant die zijn eigen fictieve ‘Heimat’ creëert, niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd. En zelfs in de virtuele tijd-ruimte van internet. Gisteren zag ik op YouTube een verschrikkelijk filmpje, dat in 2007 is opgenomen in het Parlement van Roemenië. Het laat een man zien die van het balkon van de publiek tribune springt, terwijl roept: ‘You stole our future!’ Opeens besefte ik dat Kabakov een profetische kunstenaar is, die de vinger weet te leggen op iets wat ik nooit eerder zo gezien had. Mijn nostalgie is niet alleen gericht op mijn eigen verleden, maar ook op een verleden dat veel groter is dan ik zelf ooit heb beseft. Het is het verleden van ‘de man die in de toekomst sprong’.

In de herfst van 2009 kreeg Amsterdam een kunstwerk van het Russisch-Amerikaanse echtpaar Ilya en Emilia Kabakov. Het werk, getiteld How to meet an Angel’, siert de gevel van de sociaal psychiatrische kliniek Mentrum in Amsterdam. Aan de keuze voor dit kunstwerk is binnen Mentrum en SKOR een zeer zorgvuldige afweging voorafgegaan. Vanaf het eerste ontwerp was duidelijk dat de sculptuur ook vraagtekens oproept. Een man op de top van een ladder, hangend aan de gevel van een psychiatrische kliniek, is dat geen oproep tot – of op zijn minst uitbeelding van – suïcide? (…) Mentrum deelt de visie van de kunstenaars, dat het beeld juist niet staat voor een val of sprong terug naar de aarde, maar voor een reiken naar het hogere, hoop op verbetering en het streven naar herstel. Het feit dat de sculptuur mogelijk een discussie uitlokt over suïcide is wat Mentrum betreft niet negatief, aangezien dit moeilijke onderwerp hierdoor bespreekbaar wordt. (Bron: SKOR, Stichting Kunst en Openbare Ruimte)

Reageren is niet mogelijk.