Shakespeare en de volgende decimaal

‘Een wiskundige (artikelserie Die Zeit) vertelde dat als je a=01, b-02, …., z=26 stelt, er in de decimalen van pi ooit,  ooit het volledig werk van Shakespeare zal te kunnen worden gelezen.

Deze mededeling trof ik gisteren aan in mijn mailbox. Jos Heitmann had het mij toegestuurd. Ik weet niet waarom. Misschien dacht hij: dit is wel iets voor jou. Of dat zo is, weet ik niet. Als ik hierover nadenk kom ik op de gedachte dat toeval niet bestaat. Aan de basis van alles in de natuur ligt een drang naar orde. Als je tijd op oneindig zet, ontstaat er vanzelf structuur, zelfs vanuit de grootse chaos. Tijd is uitgestrektheid. Dat wil niet zeggen dat tijd hetzelfde als ruimte is. Behalve onze ervaring van opeenvolging en uitgestrektheid is tijd een abstractie die wiskundig tot het uiterstse is op te rekken. Het ontstaan van het volledige werk van Shakespeare uit de opeenvolgende – met de letters van het alphabet gecodeerde – decimalen van het getal pi is zo bezien slechts een extrapolatie van de gedachte dat alles, maar dan ook alles kan ontstaan als de tijd tot in het oneindige zijn gang kan gaan.

Maar is dat wel zo?  Dat het volledige werk van Shakespeare zo zal ontstaan is een hypothese die moeilijk te bewijzen valt, lijkt mij. Bovendien ligt het in de rede te verwachten dat het universum al op zijn eind is gelopen voordat deze zeer uitzonderlijke  opeenvolging van decimalen in het getal Pi zich zal voordoen. Maar stel dat het zo is, dan zijn de gevolgen duizelingwekkend. Shakespeare had niet geboren hoeven worden, want zijn hele werk was al als mogelijkheid in het universum aanwezig. Alles wat geschreven is en nog geschreven zal worden – De Illias en Odyssee van Homerus, De Bijbel, de Divina Commedia van Dante, alle songteksten van Bob Dylan, maar ook de tekst van mijn eigen overlijdensadvertentie –  bestaan al als mogelijkheid in de decimalenreeks van het getal Pi. Je hoeft de decimalen alleen maar dubbel te coderen en de tijd op oneindig te zetten. De tijd  doet het werk vanzelf. Maar wat is de tijd?

Heeft de tijd eigenlijk wel iets te maken met die oneindigheid van de opeenvolging. Als dat zo is dan bestaat alles al. Maar dat niet alleen, alles wat geweest is bestaat nog steeds. Dat is een aantrekkelijke gedachte, maar in feite weten we niet wat tijd is. De natuurkunde heeft zo zijn theorieën over de tijd.  Dankzij de grote genieën van de natuurkunde kennen we de formules waarin de tijd voorkomt en in verband kan worden gebracht met fenomenen als licht, materie, zwaartekracht en snelheid. Maar is daarmee alles gezegd? De natuurkunde laat ons wetmatige relaties zien tussen de tijd en andere natuurkundige fenomenen, maar is daarmee ook het wezen van de tijd ontsluierd?

Nogmaals, wat is tijd?

Die vraag dringt zich nu onontkoombaar aan. ‘Als je het niet vraagt weet ik het, en als je het vraagt weet ik het niet.’ Dat schreef ooit Augustinus. Hij verbaasde zich over het gemak, waarmee wij tijd meten, alsof het een soort continue uitgestrektheid is, terwijl iedereen toch weet, dat de tijd telkens weer uiteenvalt in drie delen: heden verleden en toekomst. Hoe groot of hoe klein je de tijdspanne ook neemt, dat je meten wil – een eeuw, een decennium, een jaar, een maand, een week, een dag, een uur, een seconde of een fractie daarvan – telkens weer stuit je op die driedeling.

In welke uitgestrektheid zou je de tijd dan de maat moeten nemen? Het is een hopeloze onderneming, en toch doen we telkens weer alsof er niets aan de hand is. Ook onze beleving van tijd wordt voortdurend de maat genomen. We spreken over ‘de lange jaren vijftig’, ‘een dag die voorbij vliegt’, ‘de tijd die stil lijkt te staan’ of ‘een eeuwigheid lijkt te duren’. Hoe kan dat, als de tijd onmeetbaar is, omdat hij altijd in drieën uiteen valt?

Om het zichzelf wat makkelijker te maken, neemt Augustinus het voorbeeld van een lied, dat je uit het hoofd moet leren. Maar dan gaat het helemaal mis. Als je het lied vooraf bekijkt, kun je een inschatting maken van de tijd, die het gaat duren, als je het zingt. Maar als je bezig bent met zingen, dan gaat de verwachting aan wat nog komen moet voortdurend over in de herinnering aan wat voorbij is. Als je luistert naar de muziek, blijkt bovendien, dat je die drie delen – heden, verleden en toekomst – nooit helemaal los van elkaar kunt zien. In de muziek klinken de klanken, die al voorbij zijn gegaan, dóór in wat je hoort in het tegenwoordige. Sterker nog, die interactie tussen het voorbije en het actuele is juist het meest eigene van de muziek.

Het rare van muziek is, dat het zich voortdurend afspeelt in het heden, maar ondenkbaar is zonder de actuele herinnering aan klanken die zojuist geklonken hebben. Sterker nog, elke klank, die je hoort, roept tegelijk een verwachting op die – al dan niet –  in het heden gehonoreerd wordt. Muziek is in feite een functie van niet gehonoreerde verwachtingen, die bovendien voortdurend doorkruist worden door herinneringen aan voorbije klanken. Maar wat is dan het ‘nu-moment’ nog, waarin de muziek zich manifesteert? Dat ‘heden’ bestaat misschien niet eens. Misschien is het wel een illusie van ons brein, om te denken dat de tijd zich afspeelt in een eeuwig nu dat ondeelbaar is. Augustinus schrijft:

Zo ben ik gaan denken dat de tijd niets anders is dan uitgestrektheid. Maar waarvan, dat weet ik niet. Het zou me verbazen, als het geen uitgestrektheid is was van de geest en van hem alleen.

Die ene zin is de meest raadselachtige van het hele boek Belijdenissen. De tijd zou een uitgestrektheid zijn van de geest zelf. Als dat waar is, dan zijn wij het zelf, die de illusie van de tijd in stand houden. Het idee, dat tijd een uitgestrektheid is, komt voort uit een zinsbegoocheling. De geest zelf  genereert de illusie van de tijd. De muziek, die we horen, was er al, en alles wat komt is al geweest. Wij denken dat wij het zelf zijn, die voorbijgaan in een stroom, of dat de tijd door ons heen stroomt, terwijl wij stil staan. Maar geen van beide is het geval. De tijd is eeuwig en alomtegenwoordig, maar wij zijn gedoemd om de tijd te beleven als iets dat voorbijgaat. Dat is niet zo. De tijd, zoals wij die kennen, is een illusie.

Tijd, zo wordt wel beweerd, creëert de benodigde ruimte, zodat niet alles tegelijk gebeurt. We beleven de dingen achter elkaar en dat is maar goed ook, anders zouden we knettergek worden. De techniek echter dwingt ons om in toenemende mate dingen juist simultaan te laten beleven. De nieuwe media bevordert het multi-task denken en handelen. Wellicht ontwikkelt de zogeheten ‘Generatie Einstein’ andere competenties, die in de bedrading van hun zenuwstelsel van begin af aan wordt ingeprent. Ruimte en tijd schuiven in elkaar zodat er nieuwe vormen van procedureel denken ontstaan.

Ik merk dat ik daar zelf langzaamaan ook door wordt besmet. Als ik een artikel moet schrijven of een lezing moet voorbereiden, dan begin ik tegenwoordig vaak achteraan en niet van voren. Ik zet eerst allerlei zinnen achter elkaar zonder het verband dat ik pas later opeens zie ontstaan. Bij een powerpoint-presentatie maak ik eerst tientallen vensters zonder enige chronologie. Pas als alle vensters klaar zijn, zet ik ze in de juiste volgorde. Kortom, ik begin te denken in een andere structuur van tijd.

Zou het universum soms zo in elkaar zitten dat tijd eigenlijk niet bestaat. Tijd is iets wat ons bewustzijn eraan toevoegt. Eerlijk gezegd, heb ik  altijd al vermoed dat het zo in elkaar zit. Tijd is slechts een illusie. Dit vreemde fenomeen ontstaat door het structurele onvermogen van het brein om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn. Wat Augustinus vermoedde is misschien ook werkelijk waar: tijd is een uitbreiding van de ziel. Misschien komt het omgekeerde zelfs nog dichter bij de waarheid: tijd is een beperking van de ziel. We kunnen het geheel niet zien door een mentaal gebrek. Daarom leven we in dat rare ‘nu’, dat telkens weer splijtende heden. Alles wat komen gaat is er al. Niets wat is geweest is voorbij. Het nu is slechts een vermeende rimpeling in een vijver van eeuwigheid.

Toen Einstein in 1954, ziek en verzwakt – nog geen jaar voordat hij zelf zou sterven – een condoleancebrief moest schrijven aan de weduwe van zijn oude vriend Michel Besso, kwamen er woorden in hem op die hij als natuurkundige nauwelijks verantwoorden kon. ‘De dood betekent niets’, zo schreef Einstein:

This signifies nothing, for us believing physicist the distinction between past, present, and future is only an illusion, even if a stubborn one.’

Met andere woorden: wees niet bedroefd, de tijd is slechts een illusie. Maar als de tijd een illusie is, dan is deze wereld dat ook. Het hele universum met zijn oerknal, lichtjaren en oneindige uitdijing in de tijdruimte zou dan een slechts illusie zijn van onze geest. Zo heelt de tijd niet alleen alle wonden, maar wist ook alles weg, als je maar lang genoeg wacht. Hoe heeft het ooit zover kunnen komen, dat alles na die oerknal als een puzzel in elkaar viel? Elders schrijft Einstein:

Als dit universum in zijn miljoenenvoudige orde en precisie het resultaat van een blind toeval zou zijn, dan is dat net zo geloofwaardig als wanneer  een drukkerij explodeert en alle druklettertjes weer op de grond terecht  komen in de voltooide en foutloze vorm van het woordenboek.

Als Einstein zoiets zegt, dan zal het wel waar zijn, denk je dan. Toch hebben deze woorden mij nooit echt overtuigd. Einstein mag dan geniaal zijn geweest, hij was ook behept met zijn eigen denkbarrières. Einstein was een Jood die in Jahweh geloofde of in de Tsimtsoem. De schepping was voor hem misschien wel het product van de afwezigheid van God. De verborgen God die zich terugtrekt, zodat in het ontstane vacuüm de materiële wereld kon ontstaan. Hoe dan ook, de schepping was in Einstein’s optiek een rationele noodzakelijkheid van een proces dat zich eenmalig voltrekt in de dubbelzinnige uitgestrektheid van ruimte en tijd. Maar is dat wel zo? Stel dat dit universum al talloze keren eerder geëxplodeerd is, of beter gezegd: geëxplodeerd is geweest.

Stel dat – voordat dit universum ontstond – talloze universa al eerder geëxplodeerd zijn en uiteindelijk weer uiteen zijn gevallen. Het geheel was een telkens opnieuw zich ontstekend vuurwerk van gigantische gasexplosies die keer op keer ontaardden in een chaos en uiteindelijk in de hittedood. Totdat op een gegeven moment – dat wil zeggen: het eerste moment van dit specifieke universum waarin wij leven – de knal eindelijk goed raak was. God dobbelt niet, maar hij heeft wel alle tijd van de wereld. Sterker nog, hij houdt zich waarschijnlijk ergens op buiten de tijd en buiten de ruimte, overal en nergens dus. Welnu, wat wil je dan nog meer? Om de juiste cijfercode voor de ultieme ontsteking te vinden was het gewoon zaak om steeds weer door te gaan met vuurwerk afsteken. Alsof een grammofoonplaat blijft hangen in een groef met het woord: ‘continuons!’.

Dit heelal is ontstaan uit het eindeloze geklooi van een domme, maar wel zeer vasthoudende God. ’We zullen doorgaan,’ moet hij altijd al gedacht hebben, ook toen hij nog alle tijd van de wereld had. Het gedachte-experiment van Einstein over de ontplofte drukkerij heeft meerdere varianten, zoals bijvoorbeeld het experiment van Borèl, waarbij je een aap op een oneindig aantal typemachines in het wilde weg teksten laat typen, net zo lang dat er het complete werk van Shakespeare uit de voorschijn komt. Wim T. Schippers heeft ooit een briefje uit een typemachine in de Bijenkorf weggehaald, waarop door de verkoper bij wijze van proef ‘at random’ regels waren getypt. Die tekst heeft hij gepubliceerd als een readymade-gedicht. Waarmee maar gezegd wil zijn, dat ook een tekst zonder enige bewuste ordening tot een kunstwerk kan worden verheven. Tenminste, zodra een kunstenaar dat wil.

Waarom zou het resultaat van een geëxplodeerde drukkerij niet op vergelijkbare wijze tot ‘schepping’ kunnen worden verheven, zodra de Schepper dat wil? Zoals het ontstaan van een kunstwerk louter een kwestie is van de wil van de kunstenaar, zo is een geordende schepping afhankelijk van de wil van God. Orde is orde, zodra het als zodanig wordt herkend. ‘RANG is alleen RANG als er RANG op staat.’ Voor orde is altijd meer nodig dan de dingen die een ordening maken. Een geëxplodeerde drukkerij, waarbij alle lettertjes op de grond terechtkomen in de foutloze ordening van een woordenboek, is pas een schepping als de Schepper in het wonderlijke patroon op de vloer ook daadwerkelijk de tekst van een woordenboek herkent. Als niemand die wonderlijke ordening ziet, dan valt de boel weer uit elkaar en verdwijnt alles uiteindelijk in het niets.

De geëxplodeerde drukkerij is zichzelf gaan zien en zo gaan ontdekken dat het misschien ooit een drukkerij is geweest. Misschien is de huidige staat van het universum een overgangsfase tussen chaos en orde, omdat de ordening nog niet in zijn volledigheid door het universum zelf herkend kan worden. De tekst, die op de vloer ligt, is nog in staat van wording. Nog niet alle druklettertjes hebben woorden gevormd. Er staan allerlei wonderlijke regels te lezen, alsof iemand zo maar op een schrijfmachine heeft zitten rammen.

Het verwerven van kennis is niets anders dan een vorm van herinnering die altijd wat traag op gang komt. De ‘theorie over alles’, waar wetenschappers zo naarstig naar zoeken, is geen substituut voor de Schepper, maar verwijst slechts naar die ene specifieke – uit oogpunt van noodzakelijkheid zeer onwaarschijnlijke – wijze, waarop de drukkerij ooit is ontploft, omdat de grondeloze God in zijn oneindige domheid bij zichzelf dacht: ‘We zullen doorgaan, we zullen doorgaan, we zullen doorgaan…’

Om het nog eens kort samen te vatten, ook als er geen Schepper is geweest, is het nodig dat de schepping zichzelf als zodanig herkent. Een schepping, die zich niet ‘terug-vouwt’ om in zichzelf een universum te herkennen, kan nooit een schepping zijn. In de neoplatonische filosofie was daar een mooi woord voor. Men noemde het de ‘toe-wending’, de ‘epistrophè’. De ontplofte drukkerij moest zich naar zichzelf ‘toewenden’ om zichzelf te kunnen zien. Alleen maar een ontploffing is niks. Dan weet immers niemand dat er ooit een drukkerij is geweest. Dan is er geen drama, geen ontzetting, geen huivering. Nee, dan is er zelfs geen schepping. God heeft de mens als ramptoerist nodig om het universum te laten bestaan.

Als er een God is, dan maakt hij deel uit van het universum. Niets kan buiten dit universum bestaan, dat wil zeggen: buiten de ruimte en de tijd hoe die twee ook met elkaar verweven zijn. God zit in alles wat er is, zoniet dan is er geen God. Hoe vaak heb ik dit niet horen beweren. Van Baruch de Spinoza tot Willem Frederik Hermans. Maar ook deze bewering overtuigt mij niet. This means nothing to me.

Hoe de verbinding tot stand komt tussen de woorden en de dingen is niet alleen voor de taal, maar ook voor de logica ontoegankelijk. Uiteindelijk zal dit raadsel ook niet ontsluierd woorden door een eindeloze reeks – met letters gocodeerde – decimalen in het getal Pi, als de tijd op oneindig wordt gezet. De wijze waarop de woorden de dingen ‘afbeelden’, daar weten wij niets van en we zullen het ook nooit weten. Wij weten dat een landkaart een gebied kan voorstellen, maar dat voorstellen op zichzelf, als een proces dat tussen onze oren plaatsgrijpt, daar weten we niets van.

Wij weten niet waar getallen naar verwijzen, zoals we ook lichtstralen niet zien. We zien alleen licht. Misschien houdt God zich schuil in de wijze waarop wij de woorden en getallen in de wereld werpen. Misschien sluimert Hij in de reeks van decimalen van Pi die elkaar opvolgen tot in het oneindige. Maar telkens weer vlucht Hij dan weg in het volgende getal….

Ooit heb ik Zijn stem horen fluisteren in de diepste afgrond van mijn ziel. Die stem zei:

‘Ik ben een gedachte op zoek naar woorden. Ik word gekenmerkt door een drievoudige afwezigheid. Afwezig is degene die me schreef. Afwezig is degene die me leest. Afwezig is datgene wat wordt opgeroepen in betekenis. Ik ben afwezig. Ik ben een vluchteling in woorden. Ik ijl voort in het eindeloos vlotten der tekens. Ik heb geen betekenis, ik beteken betekenis. Als ik naar voren kom, wijk ik naar achteren. Als ik verschijn, verdwijn ik. Ik ben het eindpunt van illusie, de blinde vlek van ‘ík’. De doorbraak van realiteit, de zombie in het schimmenrijk van taal. Berustend in de woorden die ik vind, overnacht ik in een slechte herberg. Ik ben de rochel in de poëzie, dode echolalie in een litanie van liefde.’

Reageren is niet mogelijk.