Onderlangs en Bovenover

Dit zijn mijn ouders. Christina Hendrika Maria Sanders (1905-1989) en Durk Manus Mous (1897-1966). De foto’s zijn rond 1930 genomen. Mijn moeder kijkt hier wat dromerig. Zo heb ik haar nooit gekend. Zo slank ook niet. In 1929 had mijn moeder mijn vader  in Arnhem leren kennen, waar ze destijds telefoniste was bij de AKU. Mijn vader was toen al 32. Het moet een mooie verkeringstijd zijn geweest. Vaak liepen ze arm in rm langs de Rijn, onderlangse bovenover zoals het daar heet.

Onderlangs en Bovenover, Arnhem 1930

Mijn vader was acht jaar ouder en had een goede baan, dus mijn moeder moet hem bewonderd hebben. Bovendien was het een knappe jonge man. Ook mijn vader heb ik zo nooit gekend. Hij was al vijftig toen ik kwam kijken.

In 1930, een jaar na de eerste kennismaking, zijn mijn ouders verloofd. Dat werd in Arnhem gevierd in het ouderlijk huis van mijn moeder. Op de foto die daar nog van over is kijkt mijn moeder heel gelukkig. Ze was de enige van de vier dochters die in het huwekijk zou treden. Haar drie zusters bleven ongetrouwd en gingen later bijenkaar in Huissen wonen.

Mijn vader en moeder hand in hand bij hun verloving, Arnhem 1930 (linksboven: Theodoor Sanders, mijn grootvader van moederskant)

Op 2 mei 1931 trouwden ze in de Sint Janskerk in Arnhem. Daarna gingen ze in Den Haag wonen. Mijn vader was inmiddels vanuit Amsterdam overgeplaatst naar Den Haag, waar ze een woning huurden in de Volkerakstraat, op numner 46, voor 45 gulden per maand. Die straat ligt niet ver van het Station Den Haag Centraal. Daar konden ze op zondagmiddag flaneren op de pier van Scheveningen. En dat midden in de crisis, midden in de werkloosheid en het opkomend fascisme en nationaalsocialisme elders in Europa.

Ik heb ze er nooit over gehoord. Ze leefden kennelijk met hun voeten op aarde en hun hoofd in de wolken. Die tijd vormde ook het sluitstuk van de katholieke emancipatie. Het rooms-katholicisme kreeg iets triomfalistisch. De strijd was gestreden, de vlag kon uit. Dat trotse roomse overwinningsgevoel is vandaag moeilijk meer voor te stellen. En toch is het de voedingsbodem vanwaaruit ik ben opgegroeid.

In Den Haag werd in 1931 hun eerste kind geboren: mijn oudste zus Mariet. Ze hebben overigens niet lang in Den Haag gewoond. Het jaar daarop verhuisden ze naar Amsterdam, nadat mijn vader wederom was overgeplaatst. Daar zouden nog drie dochters ter wereld komen, telkens met een tussenpoos van zo’n vier jaar.

In Amsterdam kwamen mijn ouders in de Indische buurt te wonen aan het Sumatraplantsoen, op nummer 14 hs. Voor mijn vader was het de tweede keer binnen een paar jaar tijd, dat hij zich in Amsterdam ging vestigen. Mijn moeder heeft het altijd jammer gevonden dat ze uit Den Haag weg moest. Ze woonden daar op loopafstand van het centrum. Bovendien was Den Haag voor de oorlog een hele mooie en sfeervolle stad.

Dat kon je van de Amsterdamse Indische buurt niet zeggen. Eigenlijk heeft deze buurt nooit een goeie naam gehad. Nu nog niet. Er hing een grauwsluier over die buurt, vooral in die lange, smalle straten met hoge bebouwing, zoals de Balistraat en 1ste en 2de Atjehstraat.

De winter van 1933 hebben mijn ouders doorgebracht aan het Sumatraplantsoen, maar toen het voorjaar aanbrak kwamen er verkiezingen. Opeens hingen overal achter alle ramen verkiezingsbiljetten en die waren allemaal rood of donkerrood. Hier en daar hing zelfs de rode vlag uit. Er woonden heel wat communisten in de Indische buurt.  ‘Durk, we moeten hier weg.’ zei mijn moeder.

En zo gebeurde het ook. Later kwam ik met mijn vader nog wel eens op het Sumatraplantsoen. Op de hoek van het Sumatraplantsoen zat een kapper. Daar is mijn vader ook later altijd blijven komen, ik denk omdat hij zo goedkoop was. Ook gingen we later nog wel eens naar de Gerardus Majella kerk op het Ambonplein. Dat was een hele mooie kerk, in byzantijnse stijl gebouwd. Even verderop lag het Flevopark, met daarvoor nog de Joodse begraafplaats met al die grafstenen die schots en scheef naar de hemel wezen. Troostelozer kon het niet.

Mijn moeder wilde heel graag naar de Watergraafsmeer, want daar werden in de jaren dertig mooie huizen gebouwd. Betondorp – het zogeheten ‘Tuindorp Watergraafsmeer’ – stond er al. Dat verrees grotendeels tussen 1923 en 1925. Maar voor mijn moeder was dat geen optie, want ook Betondorp, waar de ouders van Gerard Reve eind jaren twintig kamen te wonen, was zo rood als een tomaat. Het liefst zou mijn moeder een nieuwe woning willen hebben, aan de rand van de bebouwing met uitzicht op de weilanden, maar die huizen waren nog niet klaar.

Zo verhuisden ze in 1933 naar de Ptolemaeusstraat, een zijstraat van de Hogeweg. In de Watergraafsmeer, dus weg uit de Indische buurt, dat wel. Het huisnummer in de Ptolemaeusstraat weet ik niet precies, maar ik denk dat het nummer 4 is geweest Het was een donkere bovenwoning, waar in 1935 mijn zus Cornelie werd geboren.

In de Ptolemaeusstraat leerde mijn moeder ‘Tante Rika’ kennen. Zij maakte jarenlang het huis bij ons schoon en raakte zo goed bevriend met mijn moeder. Later heeft zij nog lang een bloemenstalletje gehad bij de ingang van de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Ook heeft zij wel met een kraampje op de markt gestaan in de Dapperstraat.

In de kinderwagen eind jaren veertig tussen mijn zusjes Trees, Lucie en Cornelie (Mariet ontbreekt op de foto).

Vlak voor de oorlog verhuisde het gezin naar Van der Waalsstraat die later Johannes van der Waalsstraat zou gaan heten. Ze gingen wonen op nummer 33, een bovenwoning. Eindelijk in een straat aan de rand van de stad met uitzicht op de weilanden. Er graasden koeien voor de deur en vanuit het bovenraam kon je in de verte de kerktoren van Diemen zien. In dat huis werd in 1939 mijn zus Lucie geboren en in 1943 Trees.

Twee jaar na de oorlog kwam  dan eindelijk de lang verwachte zoon. Dat was in een gezin waarin ik – zoals vaak werd gezegd – vijf moeders had. Eén echte moeder en vier oudere zussen die mij behandelden als een speelpop. Het zal de reden zijn geweest dat ik zo laat volwassen werd, zo ik dat ooit geworden ben. Volg het spoor terug en zie jezelf.

Nog een laatste foto van mijn vader. Het is een pasfoto die in de jaren twintig is gemaakt, nog voordat hij mijn moeder leerde kennen. Opnieuw verbaast mij die trotse blik. Zo heb ik hem nooit gekend. Toen ik als kind opgroeide, was hij al op de terugweg. Ik hem alleen maar oud zien worden en nooit in de kracht van zijn leven gezien. Mijn kinderjaren gleden traag voorbij, zoals voor hem de dood stil aan naderbij kroop. Allengs gelijk de spin, zoals Marnix Gijsen dat zei.

Op zondagmiddag 8 mei 1966 stierf mijn vader in het Burgerziekenhuis in Amsterdam. Een paar dagen daarvoor was hij op de dag af 35 jaar getrouwd met mijn moeder. ’s Ochtends had ik nog aan zijn bed gezeten in een hoge kamer met uitzicht op de Linnaeusstraat.

Mijn vader geloofde met hart en ziel dat de dood niet het einde was, maar een begin. Hoe ouder ik word, hoe meer ik hem bewonder juist om dat onvoorwaardelijke geloof waar ik zelf niet toe in staat ben. Nog niet….

En toch, alleen al de gedachte aan dat geloof van mijn vader biedt mij soms troost. Dan denk dat hij daar weer loopt, in Arnhem. Onderlangs en Bovenover. Met de arm om mijn moeder en met het uitzicht op de Rijn. Vanaf het vallen van de avond tot aan het ochtendblauw.

Reageren is niet mogelijk.