I go to Rio

Dichters maken dankbaar gebruik van namen
van steden of straten die als amalgaam
van klank en betekenis naar meer verwijzen
dan de werkelijkheid alleen.

What’s in a name?

Het is niet de naam van een stad die poëzie oproept,
maar de poëzie die de plaatsnaam wakker schudt.
De poëzie ligt niet op straat,
maar slaapt in een register van plaatsnamen.

Er zijn zinnen van zangers waarin de naam
van een stad een gevoel oproept dat iedereen kent
zonder de context geweld aan te doen
kun je ’Leeuwarden’ niet substitueren in:

’I am in a New York state of mind.’ (Frank Sinatra)
of:
’When my baby smiles at me I go to Rio’ (Peter Allen) .

De naam ‘Leeuwarden’ stroomt kennelijk niet over van geluk.
Er wordt wel eens beweerd dat het dichters verboden
moet worden om gelukkig te zijn. Poëzie is heimwee.
Dichters horen thuis in een stad waarin ze zich niet thuis voelen.

In Leeuwarden bijvoorbeeld.

Ik kwam Boeddha tegen in de Bollemansteeg
‘Wat is de weg’, vroeg ik.

Hij zweeg.

Reageren is niet mogelijk.