Heimwee naar de kathedralen

De kathedraal van Chartres, kleurendia die ik maakte op 13 juli 1964

Dezelfde locatie nu op Google streetview

De tijden zijn zwart.
wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren.
in een mantel gehuld, door een
engel op weerlichten doortocht verloren
en door het onuitroeibaar heimwee vervuld
den Koning te zien voor Wien ik had willen strijden,
schrijd ik naar den Dood

en die een krijgsman had willen zijn
in de hartstochtelijkste aller tijden,
moet nu in late verwilderde woorden gewagen
van eeuwen, die versomberden tot verhalen
– duister en vurig – van Kruistochten
en Kathedralen.

Aldus Hendrik Marsman in zijn gedicht Heimwee. Cultuurpessimisme en doemdenken zijn van alle tijden, maar er zijn tijden geweest waarin de ondergang van de beschaving wel erg nabij leek. De periode tussen de beide wereldoorlogen, toen Marsman dit gedicht schreef, is daar een goed voorbeeld van. De laatste dagen ben ik mij opnieuw aan het verdiepen in het werk van Albert Camus en vooral zijn vroege periode in de jaren dertig.

Camus studeerde toen nog en werd door zijn leermeester Jean Grenier aangespoord de boeken te lezen van Kierkegaard, Chestov en vooral van de tegenwoordig half vergeten filosoof Nicolai Berdjajew. En hoewel de jonge Camus misschien nog het meest beïnvloed werd door het werk van Nietzsche, raakte hij ook gefascineerd door het vroege christendom en de veranderingen die dit christendom onderging in de Hellenistische periode. Soms denk ik wel eens dat Camus een christelijk filosoof was geworden als de De Tweede Wereldoorlog er niet tussen was gekomen. Maar de geschiedenis kent geen ‘als’.

En toch, ook los van dit omineuze perspectief was het interbellum een roerige periode, een tijd waarin men vaak teruggreep naar vroeger tijden om de chaos van het heden te kunnen doorgronden. De waanzin van de Eerste Wereldoorlog in combinatie met de dramatische gevolgen van de Russische Revolutie vormden voor menigeen aanleiding om het einde der tijdens nabij te achten. Doemdenkers als Oswald Spengler, Ortega y Gasset en de Nederlander Johan Huizinga schilderden ieder op eigen wijze een beeld van ondergang en verval. Huizinga schreef in 1919 zijn beroemde studie Herfsttij der Middeleeuwen en volgens zijn biograaf Léon Janssen projecteerde hij daarmee zijn eigen onvrede over de cultuur van de moderniteit op het einde van de Middeleeuwen die nog een laatste keer nagloeiden in hun onontkoombare ondergang.

Het proces van verval was volgens menigeen al in de negentiende eeuw ontstaan. Kierkegaard, Dostojewski en Nietzsche hadden gewaarschuwd voor de gevolgen als een beschaving afscheid neemt van zijn God. Als er geen God bestaat. is alles geoorloofd en niets waar. Socialisme en communisme waren in feite schijnoplossingen geweest voor het morele probleem van een samenleving zonder God. De mens was een doelloos atoom geworden sinds hij na de eeuwen van Renaissance, Reformatie en Verlichting tot een autonoom en goddeloos wezen uit zijn organisch verband van natuur en kosmos was weggerukt. Tijdens de Romantiek al kreeg het duistere tijdperk van de Middeleeuwen opeens een andere waarde toebedeeld. Duisterheid werd opeens het domein bij uitstek van belofte en verwachting. Novalis schreef zijn Hymnen an die Nacht.

In de ondergangsstemming na de Eerste Wereldoorlog kreeg die romantische idealisering van de Middeleeuwen een tweede impuls, niet alleen bij katholieke cultuurfilosofen, maar ook bij allerlei conservatieve doemdenkers die de organische eenheid van de middeleeuwse beschaving als voorbeeld stelden voor het eigentijdse Europa. De samenleving leek ten prooi te vallen aan het dilemma tussen enerzijds de versplintering van de democratie en anderzijds de totalitaire ideologieën van links en rechts. Menigeen stelde zijn hoop op een bijna apocalyptische tijdperk dat uit de crisis zou voortkomen.

Een van deze profeten was Nicolai Berdjajew (1874-1948), een banneling uit Rusland die zijn ontgoocheling over de gevolgen van de Russische revolutie omsmeedde in een retro-modern, utopisch visioen: De Nieuwe Middeleeuwen (1924). Het is het merkwaardigste boek dat ik ooit gelezen heb.

Wie de ware God niet kent, zo stelde Berdjajew, maakt zich andere goden. De mens kan het doel van de mens niet zijn. Individualisme kan de persoonlijkheid geen kracht verlenen. De socialisatie ven de productiemiddelen kan ook niet het doel van het leven zijn. Het communisme had het christendom omgedraaid. Het proletariaat was voortaan de Messias, maar het communisme wilde het lot van de mensheid bepalen zonder de vrijheid van de geest te erkennen. Er bestaat geen rechtvaardige wil buiten de rechtvaardigheid en de heiligheid van de wil zelf, dat was de kern van de felle kritiek van Berdjajew op Marx, terwijl hijzelf nota bene marxist was geweest. Marx was volgens hem een anti-humanist, bij wie het zelfvertrouwen van de mens radicaal was omgeslagen in de verloochening van de mens. Het communisme wilde de gehele mens besturen, niet alleen het lichaam maar ook de ziel. Een staat kan dat niet, alleen een religie kan dat. De ‘ont-zondiging’ van de mens is een religieus probleem, geen politiek probleem.

Berdjajew verlangde niet terug naar de theocratie van de middeleeuwse theocratie, want die had de vrijheid van het individu verwaarloosd. Het was juist het communisme dat de mens had teruggestort in de duisterheid van de Middeleeuwen zonder vrijheid. Communisme was een terugkeer naar de Middeleeuwen, maar in naam van een andere god, met een andere theocratie, de ‘satanocratie’. De Russische Revolutie was een satanisch product geweest van hogere krachten. Communisme leidde tot de hegemonie van de blinde macht, de Leviathan, het goddeloze systeem van de macht dat de vrijheid van de ziel vertrapt.

De moderne autonomie van het individu diende volgens Berdjajew te leiden tot een nieuwe theonomie, dat wil zegen: tot een hogere en vrije aanvaarding van Gods wil op aarde. De nieuwe geschiedenis van het communisme daarentegen leidde tot anomie. Maar het Rijk Gods, zo stelde hij, zal onmerkbaar komen in de nacht. Het christendom diende de gevolgen van de Russische revolutie onder ogen te zien en het sociale probleem grondig te begrijpen en bij de hoorns te vatten. In de crisis lag juist een kans, want als de nood het hoogst is de redding nabij. De ondergang van uiterlijke illusie zal leiden tot een verinnerlijking van het leven.

De mens dient een levend lid te zijn van een organische hiërarchie. Het denken van Berdjajew is in wezen corporatistisch. Hij wantrouwt de democratie, die hij niettemin als een noodzakelijk kwaad accepteert. Democratie staat immers vijandig tegenover iedere sacrale gemeenschap. Democratie is vrijheidslievend uit onverschilligheid voor de waarheid. De formele sceptische vrijheidsliefde heeft veel tot de vernietiging van de individuele oorspronkelijkheid van de mensen bijgedragen.

Democratie ontstaat wanneer de organische eenheid van de volkswil afneemt. Een volk is in de optiek van Berdjajew een organisch geheel van alle generaties, zowel de levende als de dode. De wil van het volk kan in een democratisch proces dus eigenlijk ook niet gepeild worden. Kiesrecht behandelt de mens als waardeloos atoom en de waarheid lever je niet uit aan een optelsom van atomen. Het is dan ook elite die voorop moet gaan in grote herstel dat nodig is. Zonder geestelijke aristocratie kan het leven geen stand houden.

Het leven zal ernstiger en armer worden, zo voorspelde Berdjajew. De glans van de nieuwe geschiedenis zal het verliezen, maar de arbeid zelf zal als scheppende daad weer erkend worden. De vrouw krijgt een grotere rol, niet geëmancipeerd, maar in haar wezenlijke rol erkend en gewaardeerd. De nieuwe ‘nachttijd’ zal de  vrouwelijke elementen volledig tot zijn recht laten komen als kernwaarden van de cultuur.

Berdjajew zag de tekenen om zich heen van een spirituele opleving als verzet tegen de naderende ondergang. Dat verzet moest van binnenuit komen en kon niet van buitenaf door de politiek worden opgelegd. De ‘Nieuwe Middeleeuwen’ kondigden zich al aan in de verspreiding van theosofie, de vraag naar het occulte en het verlangen naar de magie. Religie en wetenschap  zouden opnieuw met elkaar in voeling raken. Er zou een nieuwe religieuze gnosis ontstaan en het gevoel voor het kwaad zou sterker worden.

Berdjajew verwachtte de redding van een nieuwe Augustinus die zou opstaan, evenals de ondergang van de laat-antieke beschaving deze grote religieuze denker had voortgebracht. De Russische Revolutie zou leiden tot kerkelijke vernieuwing en wederopleving van religieus Rusland. In die zin wees Rusland de wereld de weg. Elke revolutie leidt altijd tot religieuze bezinning, zoals ook de Franse Revolutie de katholieke Romantische beweging van de negentiende eeuw had voortgebracht. De Kerk in Rusland zou weldra van alle staatsmacht verlost worden en daarmee zou de Russische Revolutie onbedoeld tot een geestelijke wereldrevolutie gaan leiden.

Door de eeuwen heen heeft het christendom altijd gebloeid als het vervolgd werd, zo stelde Berdjajew. Juist in de vervolgingen is het christendom gesterkt en gegroeid. Het christendom is bij uitstek de godsdienst van de gekruisigde waarheid. Christenen hebben in de geschiedenis ook als geen ander getoond dat zij de kunst van het sterven verstaan. Het christendom, zo voorspelde hij, zal terugkeren tot waar het ten tijde van Constantijn bevond en van daaruit opnieuw de wereld veroveren.

Het probleem van de moderne tijd was niet de vraag hoe men een de complete verwezenlijking van een utopie moet bereiken, maar omgekeerd: de vraag hoe men die moet zien te vermijden. Vrijheid is intrinsiek verbonden met onvolkomenheid, sterker nog: met het recht op onvolkomenheid. Dat was de erfenis die twintig eeuwen christendom had nagelaten en die in de middeleeuwen tot magistrale kathedralen had geleid. Zij vormen voor God een tijdloos eerbetoon dat tegelijk het mooiste toont wat de mens te bieden heeft.

Reageren is niet mogelijk.