Leven in een seculiere tijd

In de eerste decennia na de oorlog werd alom gezocht naar een ‘goddeloze God’ en een ’seculiere religie’. Ook de theoloog Dietrich Bonhoeffer was daar in zijn late werk naar op zoek geweest. Er lopen grillige lijnen van Bonhoeffer via Camus naar het wonderlijke godsbeeld, dat zich in de jaren zestig in het werk van Gerard Reve uitkristalliseert, een beeld dat zich wonderlijk genoeg aandiende op dezelfde locatie, in de schuilkerk Ons’ Lieve Heer op Solder, waar Reve eind jaren vijftig voor het eerst naar de Mis ging en het proces van zijn bekering op gang kwam.

In een kroeg aan de Kloveniersburgwal had Reve in 1959 de man ontmoet die hij later Moeder en Zoon (1980) neerzette als een ‘rooms drankorgel’ en ‘ouwelvreter’. Dat was Mathieu Smedts, de katholieke hoofdredacteur van Vrij Nederland. Smedts, die domicilie hield in deze kroeg in de hoerenbuurt, waar Reve zelf destijds woonde, speelde een belangrijke rol in Reves bekering, omdat hij bevriend was met Lambert Simon, de priester-kunstenaar, die ook de oprichter was van de kunstenaarsparochie Ons’ Lieve Heer op Solder op de Oudezijds Achterburgwal.

Ook Reve was, evenals Camus in die tijd, op zoek naar een religie zonder God, want de God, die de christenen verraden hadden, was opeens verdwenen als in een eclips. Hij werd gegijzeld door een schuld, waarvoor geen vergeving meer denkbaar was. Ook geen vergeving van de schuld van Godzelf, die dit alles had toegestaan. Waar was hij? Bestond hij nog wel? Werd hij soms gegijzeld of vastgehouden? Of zou hij zich misschien opnieuw kunnen openbaren in de wereld zelf, in het seculiere, in datgene wat niet bovennatuurlijk is: de drank bijvoorbeeld, de dronkenschap en de vervoering. Zo ging het sacrale uiteindelijk vibreren in de wereld zelf. Die religie zonder God was tegelijk ook een nieuwe, seculiere religie, een litanie voor een schuldige, afwezige God die als een gemis ervaren werd.

Ergens in mijn eigen verleden is dit gemis gaan resoneren met de gedachte dat er nog altijd een proustiaans soort katholicisme zou kunnen bestaan. Dat is niet zozeer een geloof, maar een herinnering aan een geloof, een herinnering die ondanks alles dat heeft plaatsgevonden – en het rapport Deetman vormt in dat opzicht de meest recente ontluistering – toch telkens weer de kop opsteekt. Het is ondanks alles een dierbare herinnering, ook als het geloof zelf allang verlaten is. Wellicht dat veel voormalig katholieken hiermee behept zijn.

Hoe dan ook, ik herken het in mijzelf. Het is het exploiteren van herinneringen, zoals ook Proust dat deed in zijn A la recherche du temps perdu. Je bent voortdurend op zoek naar die ene, unieke ervaring in het verleden, die opeens – op ogenschijnlijk onwillekeurige wijze – in het heden kan opduiken. Die nostalgie naar een gevoel van weleer wordt niet zelden geïdealiseerd, terwijl de kritische geest allang afstand heeft genomen van de basale vooronderstellingen, waar dit geloof ooit op gebaseerd was.

Deze proustiaanse zoektocht naar een verloren geloof manifesteert zich tegenwoordig wellicht ook in veel bredere kring. Of je nu heimwee hebt naar de geborgenheid van je jeugd, of naar de euforie van de jaren zestig, naar de beschutting van het godsgeloof of naar een goddeloze bevrijding in een eeuwig nu, het eindstation is altijd weer een gekoesterd verlangen, dat vooral niet vervuld moet worden, maar stationair in het heden wil blijven voortbestaan.

Een onmogelijk gevoel van heimwee is een onproductief gevoel, omdat het geprogrammeerd is om zichzelf in stand te houden. Je blijft levenslang op de ventweg rijden, wetend dat er geen invoegstrook meer volgt om op de hoofdbaan terug te keren, maar ook geen afslag om ooit nog nieuwe wegen in te slaan. Dit is niet een postkritisch geloof, maar een parasentimenteel geloof. Proustiaans en dus onmogelijk, want de tijd keert in werkelijkheid nooit op zijn schreden terug. Dat neemt niet weg dat het de moeite loont om het mechanisme te onderzoeken dat dit parasentimentele geloof in stand houdt.

De vraag die oprijst is niet waarom het zover heeft kunnen komen, maar waarom het zo moet blijven. Het zou kunnen zijn dat het niet zozeer een gemis is, dat eigen is aan dit parasentimentele geloof, maar eerder een overschot. Het gekoesterde heimwee blokkeert niet alleen het definitieve afscheid, maar ook het vermogen om het goede te behouden en dat in het heden een nieuwe vertaling te geven. Daar is geen sentiment voor nodig, ook geen post-kritisch geloof, maar een diepgravende analyse van de onvermijdelijke en onomkeerbare verandering die zich in het seculiere bewustzijn heeft voltrokken.

Volgens Taylor betekent secularisering niet, dat de moderne mens zijn beperkte horizon voorgoed heeft afgeworpen. We leven in een tijd, waarin het ongeloof dominant is geworden in de cruciale milieus van het intellectuele leven. Een tijd ook, waarin een volledig onafhankelijk humanisme voor het eerst in de geschiedenis een alom beschikbare optie wordt. Toch zullen de diepere intuïties van de religie zich volgens Taylor ook in de toekomst blijvend doen gelden. De menselijke aspiraties zullen verder blijven reiken dan dit aardse leven alleen.

En ook al wordt in onze seculiere tijd de ondergang denkbaar van alle doelstellingen, die de menselijke ontplooiing te boven gaan – dat wil zeggen de transformatie van de mens die het christendom voor ogen had – de mens zal ook in de komende eeuwen zich geroepen blijven voelen tot een diepgaande innerlijke breuk met zulke wereldse doelstellingen louter terwille van zichzelf, de vooruitgang of de mensheid als geheel.

Het seculiere bewustzijn kan volgens Taylor ook niet worden herleid tot universele kenmerken van het menselijk bestaan, net zomin als ons moderne zelfbegrip een universele geldigheid zou hebben. Dat ‘moderne zelf’ is niet ontstaan in een proces dat noodzakelijkerwijs synchroon liep met het zich terugtrekken van de religie. Het moderne zelf is een historische constructie die afhankelijk is van een zich voortdurend wijzigend wereldbeeld. Het seculiere bewustzijn is – in de optiek van Taylor – ook niet de meest geëigende status van de mens, een toestand die er deep down altijd al was, maar in vroeger eeuwen door beperkende omstandigheden werd belemmerd of terzijde geschoven.

Terugkijkend in het verleden is het mogelijk dat wij tijdelijk iets niet zien, omdat we het gewoon niet kunnen zien, of misschien niet méér kunnen zien, verblind als we zijn door de denkbarrières die in ons eigen wereldbeeld verankerd liggen. Waar het telkens om gaat is een verlangen naar transcendentie, dat kennelijk onuitroeibaar is, ook al is het voor velen ondenkbaar geworden dat er meer is tussen hemel en aarde dan de wetenschap ons laat zien.

Om het transcendente – in de zin van het bovennatuurlijke – nog voor de geest te halen, lijkt een soort salto mortale nodig of een verminking van het verstand. Maar wat ik van Taylor heb begrepen, ia dat ook transcendentie een historisch begrip is, dat sterk bepaald is door het christendom zelf. Juist het christendom – en met name de Reformatie – heeft er aan meegewerkt om een muur op te bouwen, niet alleen tussen het objectieve, puntvormige  ‘ik’ en de ‘wereld daarbuiten’, maar ook tussen het natuurlijke en bovennatuurlijke.

We leven in een vesting, van waaruit we nu een wereld ervaren, die geheel ontdaan is van alle  betovering. De poreuze scheidingswand van weleer, waar doorheen allerlei magische betrekkingen met de natuur en de bovennatuur een weg konden vinden, is volledig dichtgeslibd, maar dat wil niet zeggen dat deze situatie een noodzakelijk eindstadium is. Het ontstaan van deze ommuring is een ingewikkeld proces geweest dat zich langs vele lijnen heeft voltrokken, en bovendien nog een heel scala van posities en opties openlaat.

Het religieuze bewustzijn is inmiddels geëxplodeerd en gefragmenteerd, zodat het zich nu schuilhoudt in allerlei versplinteringen, van waaruit een sluitend wereldbeeld niet meer is samen te voegen. Leven in een seculiere tijd betekent jezelf bewust worden van deze tragische stand van zaken. Het hoopgevende in het betoog van Taylor is, dat hij deze versplintering als een mogelijk tijdelijke verblinding ziet, die eigen is aan deze tijd.  Hij doet er alles aan om de hedendaagse kritiek op het christendom recht te doen, maar wijst er telkens op, dat elk alternatief vaak even onbevredigend is.

De tijd is een badkuip geworden die leegloopt. De volheid is weg van een tijd die zichzelf oversteeg. Alleen de kunst lijkt ons nog troost te kunnen bieden, maar het heimwee naar een ouder bewustzijn, met een andere beleving van tijd, wil maar niet wijken.

Reageren is niet mogelijk.