Een hervonden verhaal

camous0001

De wonderen zijn  de wereld nog niet uit. Toen ik in maart 2009 op mijn weblog schreef dat ik een verhaal van mezelf kwijt was, namelijk de parodie op de roman La chute van Camus, reageerde Peter Putter. Hij had oude nummers van de Harpoen bewaard, waaronder ook het nummer met De Val uit 1965 en hij kon me de tekst wel even sturen op pdf. Zo kwam het dat ik mijn eigen woorden na 44 jaar weer onder ogen kreeg. Soms lijkt het of tijd en afstand niet meer bestaan in deze wereld. Internet maakt alles zichtbaar en transparant, tenminste zolang er van die aardige mensen bestaan als Peter Putter, die een ander ter wille willen zijn. Ik schreef dit verhaal toen ik 17 jaar oud was. Ik stond toen op de drempel van een dramatische episode in mijn leven.

*****

Pardon mijnheer, mag ik 
misschien even storen? Ach let u niet op die gorilla van een barkeeper naast mij; hij is on
gevaarlijk en spreekt alleen 
Frans. Wat mijzelf betreft,
 ik ben Jean-Baptiste Clamous, ‘un élève pénitent’. Wat dat
 betekent, begrijpt u straks wel. Ik stam uit een goed en burgerlijk Frans gezin. Over mijn
 ouders kan ik kort zijn: beiden stierven toen ik nog nauwelijks
 uit de wieg was. Mijn vader was, meen ik, postbode, en van 
mijn moeder weet ik alleen nog, dat ze altijd op vrijdag mijn
 luiers waste.

Wat zegt u? Ja,
 inderdaad, mijn observatievermogen was al vroeg ontwikkeld. Interessanter is overigens die lange rij van maar liefst 
twaalf zusters van me, die allemaal zo’n beetje aan ‘sociologie’ doen, en het altijd hebben over ‘casework’ en ‘gesprekstechniek’, terwijl ze zich daar
bij voortdurend ‘Freudiaans 
vergissen’. In dit boeiende 
gezelschap heeft zich tot nu 
toe slechts één zwager kunnen 
vestigen. Hij is al over de zestig, en heeft van zijn iets te 
lange vrijgezellentijd waarschijnlijk een vreemde kronkel in de hersenen overgehouden. 
In ieder geval, in sociale termen gesproken (overigens, hij is liftboy in een groot bejaardenhuis) een interessant 
’studie-object’.

En dan tot slot, aan de stam 
van deze weelderige cypres, ikzelf. Als een volmaakte paradox met dat sociaal wapengekletter, ben ik een pacifistisch egoïst. Vroeger was ik 
heel anders, in die jaren toen
ik met Pasen en Kerstmis a
tijd een flink pakje ‘kaarten’ 
van school meesleepte; thans gebruik ik ze als toiletpapier. Toen was ik ook altijd bereid het lerarencorps met hun lespreparatie te helpen; thans vertik ik het, om ze ook maar 
enige vorm van bijles te geven.
 Nee, wat mijn teveel aan in
telligentie betreft, dat weet 
ik nu gelukkig te compenseren 
met een gepaste dosis onverschilligheid. In zoverre ben 
ik er op vooruitgegaan. Toch 
ben ik geen nihilist geworden; 
ik kijk nog altijd met even veel 
ontroering naar een schilderij
van Chagall, of naar een sym
etrisch bewijs van de vierde 
wet van Newton.

Wat zegt U? 
Wat er dan precies gebeurd 
is? Wel, dat is een lang ver
haal, maar laat ik eerst dit 
zeggen, u kunt misschien alles 
wat ik vertel een onbenullige 
geschiedenis vinden; misschien 
zelfs ziet u me aan voor een 
geblazeerd, binnenstebuiten 
gekeerd scribent, bij wie het 
helaas iets te hoog in de bol is 
geslagen. Het tegendeel is 
echter waar. Immers, het zelfrespect is een hachelijke zaak: 
iets te veel, en je bent onuit
staanbaar voor een ander; iets 
te weinig: onuitstaanbaar voor 
jezelf. Dit laatste is maar al te 
vaak op mij van toepassing. 
Ik sta soms voor een diepe af
grond; ‘la chute’ moet nog komen, maar ze is onvermijdellijk. De ene schanddaad volgt 
de andere op, en ik voel er zelfs een sadistisch genoegen bij.

Maar wat zegt U? Wat voor 
schanddaden? Wel, als u dat
 interesseert, ik kan u zeggen, dat ik reeds twintig jaar het 
lijk van Hitler in mijn badkuip 
heb liggen. Het is een relikwie van mijn idealistisch verleden.
 Thans echter ben ik in Canada beter bekend als ‘de wurger 
van Boston’, maar nu hoop ik, dat u niet van de politie bent. 
Misschien vraagt u zich af wat 
zulke boetvaardige confessies voor mijzelf betekenen. Wel,
 ik heb ze me opgelegd als penitentie, een boetedoening niet voor mijn misdaden, maar voor u. U mijnheer, ik ken u niet, maar u bent in feite dezelfde als 
ik. Ik hoop, dat u na deze 
’geestelijke striptease’ van een verdoold exhibitionist mijn 
zelfportret zult zien als een 
spiegel, waar u hard doorheen 
zult ‘vallen’, alsof het een 
mand was.

Maar trekt u het zich niet 
zo aan. Ikzelf ben het ook niet altijd met deze woorden eens.
 U zou het zo niet zeggen, maar 
ik hou werkelijk niet van mensen, die zichzelf voortdurend
identificeren met de navel van
de wereld, en die in hun jeugd altijd een aanleiding zien tot 
een drama of een voorwendsel voor leegloperij. Dat is nu 
juist de innerlijke gespletenheid die voortkomt uit mijn 
zelfkennis. ‘C’est tout monsieur, c’est absurde’. Maar 
kom, doe maar net of u niets 
gehoord heeft. Neem nog een
 borrel. Nee heus, die gorilla 
bijt niet. En trouwens, al zou 
hij bijten, ’t is ook maar een 
mens. Gelukkig maar.

Hubert Ca(m)ous

***

Commentaar

Als ik er nu op dit hervonden verhaal terugkijk, lijkt het op het eerste gezicht it een onschuldige pennenvrucht van een studentikoze gymnasiast. Maar bij nader inzien brengt deze tekst bij mij ook nu nog een lichtelijk gevoel van gêne teweeg. De eerste twee alinea’s zijn een zeer herkenbare karikatuur van de gezinsituatie waarin ik destijds opgroeide. Ik was de jongste in een gezin van vier aanmerkelijk oudere zusters. De oudste was 16 jaar ouder dan ik en de jongste 4 jaar ouder. Alle vijf scheelden we ook precies vier jaar in leeftijd. Mijn ouders hadden kennelijk geen last gehad van de klerikale dictatuur ten aanzien van de gezinsplanning. Mijn vader was net zo lang doorgegaan totdat er een stamhouder kwam. Dat was ik dus. In 1965 was mijn vader – destijds een gepensioneerd PTT-beambte –  67 jaar oud. Het jaar daarop zou hij overlijden. Mijn moeder was 60 (ze was 42 toen ik geboren werd). Ik had dus redelijk oude ouders.

Mijn zusters zaten allemaal in het maatschappelijk werk en/of de verpleging. Een enkeling was zelfs maatschappelijk werkster én verpleegster. Dat was dan ook voortdurend het gespreksonderwerp bij ons thuis, een conversatie waar ik geacht werd geen verstand van te hebben. Thuis werd mij trouwens over weinig zaken verstand toebedacht. Ik was de jongste en zou dat blijven. Eens een kind, altijd een kind. Dat wil niet zeggen, dat ik mijn oren niet open hield en mijn ogen niet de kost gaf. Ik was een vroegwijs kind, vooral omdat ik alles observeerde en veel in mij opnam. De zwager die sinds enige jaren het gezelschap had aangevuld, was getouwd met mijn oudste zus. Zij was al 33 toen ik dit schreef. Mijn zwager was toen 41. Hij was geen liftboy in een bejaardentehuis, maar directeur. Bovendien was hij opgeleid als Benedictijn, maar kort voor zijn priesterwijding uitgetreden, waarna hij – zoals hij vaak vertelde – flink de bloemetje had buitengezet.

Ik schets mezelf als en pacifistisch egoïst. Wat ik daarmee precies bedoelde, weet ik niet meer. Wellicht doelde ik op een zekere stoïcijnse houding. Ik was nogal stil en introvert in die tijd en keek vaak de kat uit de boom. Dat ik daarvoor anders was geweest en met Pasen en Kerstmis altijd een flink pakket kaarten in de wacht sleepte, slaat op mijn – door de jezuïeten aangemoedigde – drang om te excelleren. Een paar jaar lang was ik de beste van de klas geweest. Als model-leerling sleepte ik elk trimester een flink aantal ‘kaarten’ (lees: prijzen) in de wacht. Dat ik ze nu als toiletpapier gebruikte, moet de paters jezuïeten niet echt leuk hebben gevonden. Hiermee identificeerde ik me wellicht nog het meest met de hoofdfiguur van La chute, ooit een gevierd advocaat, maar aan lager wal geraakt. Waarom identificeerde ik me juist met hem, zo vraag ik me nu af. Kennelijk vond ik mijn hele bestaan iets zinloos hebben. Ik conformeerde me aan alles en iedereen, tot groot genoegen van mijn opvoeders, zowel thuis als op school, en bovendien had ik daar ook nog veel succes mee. Het was een gevoel van leegte dat mij bekroop.

Toch was wat mij overkwam niet alleen terug te voeren tot ‘het drama van het begaafde kind’, zoals Alice Miller dat later zo treffend beschreven heeft. Er speelde ook een bredere problematiek die eigen was aan dit specifieke tijdsgewricht: het midden van de jaren zestig.  Wat dat aangaat is ‘het lijk van Hitler’ dat ik de badkuip had liggen als substituut voor het gestolen paneel met de ‘Rechtvaardige Rechters’ misschien nog het meest onthullend. Ik suggereerde een schuld, die eigenlijk te schandelijk was voor woorden. Die schuld had mijn zelfrespect aangetast. Schuld is een centraal thema in het boek van Camus en deze problematiek vermengde zich kennelijk met mijn eigen puberale schuldcomplexen, waar menig gymnasiast op het Ignatiuscollege mee behept was destijds, maar die bij mij existentiële proporties aannamen. Ik belandde in een spagaat tussen een als hypocriet ervaren geloofsopvatting en een als ondraaglijk opgepikte levensbeschouwing van het absurde. Het katholicisme om me heen stond op instorten, maar geen haan die daarnaar kraaide. Dat alles nam ik kennelijk zeer hoog op, hoger dan de badinerende toon van dit verhaal doet vermoeden.

Behalve mijn psychiater achteraf, heeft niemand in mijn directe omgeving dit verhaal als een signaal opgevat voor dat er iets grondig mis was, niet alleen met mijzelf, maar ook met mijn hele omgeving. Ook mijn psychiater wilde alles het liefst herleiden tot iets wat specifiek bij mij tussen de oren zat. ‘Boekjes lezen is één ding, maar gek worden is wat anders’, zei hij wel eens. Dat mag dan wel zo wezen, maar hoe groter de afstand wordt in de tijd, hoe meer verbanden ik nu ga zien. ‘Ik sta voor een diepe afgrond, la chute moet nog komen.’ Dat waren profetische woorden van de 17-jarige jongen die ik ooit ben geweest. Acht maanden later zat ik letterlijk in een gekkenhuis. Wellicht begreep ik zelf niet precies wat ik destijds met deze woorden bedoelde. Ook niet de les wellicht, die ik mijn fictieve toehoorder meegaf. Het waren woorden die misschien meer voor mijzelf waren bedoeld en die overigens nog altijd opgaan:

‘Ik  hou werkelijk niet van mensen, die zichzelf voortdurend 
identificeren met de navel van
 de wereld, en die in hun jeugd altijd een aanleiding zien tot 
een drama, of een voorwendsel voor leegloperij.’

Reageren is niet mogelijk.