Tango in Venetië

Ik had weer eens een rare droom vannacht. We gingen met de bus naar Venetië. Ik was de reisleider en zat voorin naast de chauffeur. Marijke was ook mee. Zij zat op de achterste bank in het midden. De bus vertrok uit Amsterdam, maar nog voordat we in Amersfoort waren stond hij opeens stil op een groot heideveld.

Er was sprake van een terroristische aanval. Er werd geschoten en we moesten allemaal de bus uit en plat op de grond gaan liggen. Toen het gevaar geweken was, werd besloten om die dag niet verder te rijden, maar de nacht door te brengen in een hotel in het centrum van Amersfoort.

Het was een wat sjofel hotel. Een van onze medereizigers zei, dat het al heel lang deel uitmaakte van een Duitse bordeelketen. Maar dat wilden wij niet geloven. Marijke werd een beetje chagrijnig. Zij wilde naar huis. Dat kan niet, zei ik tegen haar. Samen uit, samen thuis. In plaats van een sleutel voor de hotelkamer, kregen we een pasje met zo’n ingewikkelde code erop, dat je onmogelijk kon nagaan wat het nummer van de kamer was, laat staan op welke verdieping die zich bevond.

Ik liep naar boven en kwam weer beneden uit. Het hotel leek een Escher-achtig labyrint van cirkels. Spiralen in de ruimte en de tijd. Opeens kwam ik op het idee dat ik samen met Marijke op één kamer kon slapen. Wonderlijk genoeg was ik daar nog niet eerder opgekomen. Het leek wel of ik met mijn ex de nacht door zou brengen. Maar dat was niet het geval. Marijke en ik waren nog gewoon getrouwd, zoals het altijd was en ook altijd zo zou blijven.

Wel werd zij steeds chagrijniger en begon nu echt stampij te maken over de abdominale staat van dit hotel. Op de gangen hingen de elektriciteitsleidingen gewoon los aan het plafond. Ik dacht nog bij mezelf, dat wordt wat om dit de hele reis zo vol te houden met haar. Uiteindelijk vonden we onze kamer….Ik schrok wakker met een vreemd gevoel van ontheemding. Waar ben ik? dacht ik. Maar er was niets bijzonders aan de hand. Ik lag gewoon in mijn eigen bed.

Wat moet je met zo’n droom? Feit is dat ik binnenkort met een bus naar Venetië afreis. Voor het eerst zonder Marijke. De laatste keer dat Marijke en ik in Venetië waren was in 2005. We gingen voor de Biënnale, maar het was zo heet in Venetië dat we daar nauwelijks zijn geweest. Elke dag voeren we met een vaporetto naar het Lido waar we met een karaf witte wijn en een schaal met meloen en ham de dag door brachten.’s Avonds aten we in een klein restaurant in een steegje vlak bij het station, in de buurt waar ook ons hotel was.

Daarna dronken we nog een grappa op een pleintje, dat ergens verscholen lag tussen de wirwar van stegen en kleine kanalen, ver van de altijd schuifelende stoet van toeristen tussen de San Marco, de Rialtobrug en de Accademia. Dat pleintje hadden we op een avond ontdekt. Er hingen lampionnen. Kennelijk was het feest. We hoorden muziek en gezang en Venetianen dansten de tango. Het was het mooiste pleintje van Venetië. Tenminste, dat hadden wij zo bedacht. Maar het was ook zo. Het Campo S. Giacomo da l’Orio is het mooiste pleintje dat ik ooit heb gezien.

Als ik straks weer in Venetië ben, weet ik niet eens of ik de Biënnale wel ga bezoeken. Maar het Campo S. Giacomo da l’Orio zal ik zeker gaan zien. ’s Avonds zal ik daar weer een grappa bestellen. Misschien ga ik er wel de tango dansen, want wonderlijk genoeg hebben Marijke en ik dat daar nooit gedaan. Van alle steden in de wereld is Venetië misschien de enige stad waar je jezelf kunt verliezen in de tijd. Wie hier denkt in een rechte lijn te lopen, moet vaak tot zijn schrik ontdekken dat hij in cirkels verstrikt is geraakt.

Reageren is niet mogelijk.