Nu en altijd

‘Als je dood bent, is het klaar, daar ben ik van overtuigd. En omdat dat een onverdraaglijke gedachte is, verzinnen mensen een God en een hiernamaals, maar dat zijn kinderwensen. Je zou wel willen dat je elkaar ooit weer ziet, maar dat is gewoon niet zo. Ik herken de behoefte en het verlangen, maar je zult het toch van het hier en nu moeten hebben. En van het verleden.’

Aldus Anna Enquist in een recent interview in De Volkskrant. Enquist gelooft niet in de troost die God kan bieden. Er is geen hiernamaals. Dood is dood, en dat is in haar roman Contrapunt te merken. ‘Het toppunt van ellende bestaat niet,’ heb ik ooit eens iemand horen beweren. Voor Enquist lijkt het toppunt van verdriet niet te bestaan. Het verlies van haar dochter wordt breed uitgemeten en tot literatuur verheven, zodanig zelfs dat haar boek ook kritiek ondervond. Er zou sprake zijn van rouwexhibitionisme.

Het fenomeen rouwexhibitionisme is zo’n twintig jaar geleden ontstaan, en manifesteerde zich wellicht voor het eerst in het publieke domein bij de massale rouw om de dood van Prinses Diana op 1 september 1997 (zie mijn blog: Just for one day). De schaamte rond de dood is tegenwoordig ver te zoeken. Er is sprake van een wildgroei van nieuwe rituelen om rouw om het verlies van een bekende persoon publiekelijk uit te drukken. De dood wordt collectief gevierd. Deze fenomenen hebben wellicht alles te maken met de leegte die de secularisatie heeft nagelaten. De dood brengt in de gemeenschap de verbinding terug die na de leegloop van de kerken verdwenen is.

Enquist gaat in haar boek niet in op dit soort verbanden tussen rouw en exhibitionisme. Op de plek op de Dam waar haar dochter verongelukte is een gedenksteen in het plaveisel gelegd. Maar Enquist tekende bezwaar aan toen bleek dat bij een toeristische rondleiding langs bijzondere plekken op de Dam ook deze gedenksteen in de route was opgenomen.

Hoewel zij zelf van de woorden ‘rouw’ of ‘rouwverwerking’ niet wil weten, werkte ze zelf met het schrijven van dit boek aan een literair grafmonument voor haar dochter. Net zoals Bach dat met zijn Goldbergvariaties voor zijn overleden zoon Bernard had gedaan. ‘Een klinkend grafmonument voor een verloren kind,’ zo noemt ‘de vrouw’ in het boek deze Godbergvariaties die zij zich stap voor stap eigen maakt.

Maar hoe zat het met Bach zelf? Deze componist was meer dan wie ook diepgelovig. Tallozen luisteren elk jaar in de Goede Week diep ontroerd naar zijn Mattheus Passion. Steeds minder van deze bewonderaars zijn nog gelovig, maar de muziek is er voor hen niet minder om. Sterker nog, ze beluisteren dit lijdensdrama liever in een kerkgebouw dan in een concertzaal. Voor de sfeer. Cultuurchristenen zijn de erfgenamen van het christendom. Is Anna Enquist soms ook een cultuurchristen?

Als er geen God is die op je toeziet dan is het verdriet nog erger. Na de dood van God is de rouw onverdraaglijk geworden, dat lijkt de bottomline te zijn van het boek Contrapunt. ‘De vrouw’ in dit boek formuleert deze conclusie in iets andere bewoordingen, maar het komt op hetzelfde neer: ‘Als er geen hoeder is, dacht ze, als ik het moet doen met de zuinige minnaar die ratio heet, dan schreeuw ik tegen de wind in de longen uit mijn lijf. ‘

In een tijd waarin de ratio mijlenver is weggedreven van de religieuze intuïtie rest als antwoord op de dood de mens alleen nog een schreeuw. Maar was dat ook niet antwoord van die ene mens aan het kruis, waarover Bach zijn Matheus Passion had geschreven? Een schreeuw tegen een lege hemel? ‘Eli, Eli, lama sabachtani?’ ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’

Vanuit het besef van grondeloos verdriet dat geen verlossing kent, komt ‘de vrouw’ tot een wonderlijke conclusie als het gaat om de religiositeit van Bach. Zijn verdriet om het verlies van zijn zoon – zoals hij dat in de Goldbergvariaties tot muziek had verheven – is zo overweldigend dat het volgens ‘de vrouw’ uitgesloten moet zijn dat Bach daadwerkelijk in God geloofde.

Enquist schrijft: ‘Hij moest het geweten hebben, dat het niet waar was, een illusie. Als je wanhoop en eenzaamheid zo kunt verklanken, wist je dat er geen redding bestond en dat je uiteindelijk alleen was.‘ Hier wordt het toppunt van verdriet een bewijs dat God niet bestaat en dat de hemel leeg is. Dit is geen bewijs uit het ongerijmde, maar een bewijs uit de verklanking van het ongerijmde.

En toch, ook Enquist ontkomt er in haar roman niet aan om de moeder iets van hoop te laten koesteren, al is het dan niet de hoop op een weerzien in het hiernamaals. Die hoop ziet zij als iets naïefs, iets dat biologisch in de mens is voorgeprogrammeerd … ‘omdat de wetenschap dat een mens restloos
zal verdwijnen te onverdraaglijk, de onbenulligheid van het menselijk bestaan krenkend. (…) Verleidelijk was het ook. Wie wil niet een hoeder hebben, wie wil niet GEZIEN worden?’

Maar door afstand te doen van die biologisch voorgeprogrammeerde hoop, die gebaseerd zou zijn op een illusie, wordt van de weeromstuit een andere illusie tot leven gewekt. De slotalinea van het boek lijkt recht te doen aan de woorden van Nietzsche, die ooit beweerde dat we de kunst hebben uitgevonden om niet aan de waarheid te hoeven sterven. ‘De vrouw’ spreekt dan over een ‘nu en altijd’, alsof er toch iets zou zijn buiten de grenzen van tijd en ruimte.

Alsof er zoiets als een verticale verdubbeling van de tijd zou bestaan, een leegte waarin haar vertolking van het intense verdriet om haar dochter voor eeuwig voortleeft. Maar is ook dat niet een (post)christelijke gedachte? De verdubbeling van het hier en nu in de lege ruimte van de eeuwen der eeuwen? Zoals ook het Evangelie niet alleen verslag doet van historische gebeurtenissen in een ver verleden, maar ook een boventijdelijk gebeuren beschrijft dat telkens weer in het hier en nu beleefd kan worden. De kruisiging. De schreeuw tegen een lege hemel…

Enquist schrijft in haar slotalinea:

‘De toekomst heeft zich in de verste hoek van de kamer teruggetrokken. Buiten gaat het leven zijn onhoudbare gang. In een kleine wereld, los van ruimte en tijd, 
speelt de moeder een lied voor haar kind. Voor het eerst, 
voor het laatst. Het meisje leunt tegen haar schouder.

‘Het is óns lied,’ zegt ze. De moeder knikt en zet het 
crescendo van de laatste maten in; onwankelbaar stevent ze af op het einde. In de allerlaatste maat zal ze de voorhouding weglaten en zonder versiering uitkomen op het lege dubbeloctaaf.

Binnen die leegte bevindt zich alles. Nu speelt ze, nu 
en altijd speelt de vrouw de aria voor haar dochter.’

God of geen God, met de dood in de ogen is ieder mens gelijk. Nu en altijd.

Reageren is niet mogelijk.