Hoe te schrijven over rouw?

‘Allemaal poëticaal geleuter. Er is geen keuze. Ik kan niet anders dan nu over hem en voor hem schrijven, omdat al het andere er momenteel niet toe doet. Het is schrijven over Tonio, of 
niet schrijven – dat is geen kwestie van kiezen. Zonder erover te 
hebben nagedacht, zonder me ertoe te hebben gezet, was ik al 
bezig. Vanaf het moment dat op Eerste Pinksterdag de bel ging, 
en een politieagent de woorden ‘kritieke toestand’ gebruikte, 
was ik mijn requiem aan het bedrijven – eerst bezwerend, in 
de wanhopige hoop hem levend te kunnen houden, later op de 
dag ongelovig accepterend, in de wanhopige hoop hem, met 
woorden en beelden, naar zijn vroegere leven terug te kunnen 
toveren. Zelfs in mijn goorste nachtmerries had ik niet kunnen voorzien dat ik nog eens een requiem aan mijn eigen zoon zou moeten wijden.’

Aldus A.F.Th van der Heijden in zijn boek Tonio. In deze passage geeft hij antwoord op de vraag waarom en hoe hij dit boek heeft geschreven en ook heeft kunnen schrijven. Er is kennelijk enige twijfel aan vooraf gegaan, maar die moet niet lang hebben geduurd. Al vrij snel na het verongelukken van zijn zoon besloot Van der Heijden dat dit voor hem de enige weg was. Niet om op deze wijze zijn rouw te kunnen verwerken, want rouwverwerking bestaat niet, zo schrijft hij elders: ‘Rouwverwerking – we schrapten het begrip uit ons woordenboek. Elk verwerken. Zelfs maar de aanzet ertoe, verwijderde ons verder van Tonio, en was dus taboe.’

Maar hoe moest het boek dan geschreven worden? Dit ‘poëticaal geleuter’, zoals hij het zelf noemt, kwam voort uit een gesprek met zijn redactrice van de Bezige Bij. Hij besluit dan in overleg met haar het boek, waar hij tot dan toe mee bezig was geweest (over de moord op een politieagente in Amstelveen) te laten rusten en zich geheel te gaan richten op dit requiem aan zijn eigen zoon. Met dat requiem kon hij twee kanten op. Hij zou het over twee of drie jaar kunnen schrijven, dan zou het een retrospectief karakter hebben gekregen, ‘een herwaardering van 
het verdriet, zoals het achteraf wordt ervaren’.

Maar dat deed hij niet. Hij besloot het in real time te schrijven, als een verslag van binnenuit van een proces dat zich voltrok 
vanuit de situatie die zich nog maar net had voorgedaan, met alle gevoelsverwarring die daar bij hoort. Letterlijk schrijft hij: ‘Het schrijven wordt dan onderdeel van de worsteling, en omgekeerd. De radeloze ouders die de laatste dagen en uren van hun zoon reconstrueren…omdat alles van belang is… ze klampen zich vast aan elk detail. ‘

De vraag die dan blijft hangen is de volgende. Kan het schrijven over een worsteling met een groot verdriet wel onderdeel zijn van die worsteling, en omgekeerd? Maakt het schrijven over die worsteling niet dat de worsteling zelf iets anders wordt? Ontstaat zo niet het gevaar van een tweede traan, een zoete traan boven het zout van de echte traan? Is de reflectie over pijn niet iets wezenlijk anders dan pijn?

Ik wil me op geen enkele wijze vergelijken met de schrijver A.F.Th van der Heijden. In de schaduw van deze reus voel ik mij een dwerg. Toch heb ook ik na het overlijden van Marijke meteen besloten om vrijwel in real time verslag te doen van mijn worsteling met mijn verdriet, niet in een boek maar op mijn weblog. Uiteindelijk zijn bewerkingen van die weblogverslagen in een manuscript terecht gekomen. De worsteling was van begin af aan op weg naar een boek. Hoe authentiek is verdriet als je schrijft over verdriet?

Ik probeer veel na te voelen van wat Van der Heijde schrijft. Veel begrijp ik, maar veel ook niet. Bijvoorbeeld, de schaamte die hij voelt. De schaamte dat hij tekort geschoten is bij dit noodlot dat hij niet heeft kunnen voorkomen. Oké, ook ik ben na de dood van Marijke in mijn geheugen gaan graven naar al die mogelijke belastende omstandigheden wat mijzelf betreft. Dat ik in al die jaren misschien teveel met mezelf bezig ben geweest. Dat ik dit vrij plotselinge einde niet heb zien aankomen.

Maar ook dat ik tot het laatst toe optimistisch bleef denken, hoe slecht het ook met Marijke ging. In plaats van de harde feiten onder ogen te zien, bleef ik almaar hopen op enige vorm van herstel. Haar dood kwam op kousenvoeten, maar ik zag het niet, ik zag het niet….Droeg ik schuld aan dit noodlot dat haar als een sluipmoordenaar overkwam?

Toch kon ik de afgelopen maanden telkens weer dit soort kwellende gedachten terzijde schuiven. Maar is daarmee alles gezegd? Feit is, dat ook ik na de calamiteit van haar dood ging schrijven over mijn verdriet, en juist daardoor misschien wel ontrouw was aan mijn verdriet. Is dat dubbele gevoel misschien niet de ware reden waarom Van der Heijden gewag maakt van een gevoel van schaamte? Hoe kun je een prachtig boek schrijven over je diepste verdriet?

Aanvankelijk was het de bedoeling om mijn ‘rouwteksten’ te combineren met mijn essay over terrorisme. Rouw in tijden van terreur – zo zou het boek gaan heten. De hoofdstukken, die handelen over de verschillende aspecten van terroristisch geweld, had ik vooraf laten gaan door mijn persoonlijke dagboeknotities. De Franse taal kent een mooi woord voor een dagboek van een rouwproces: journal de deuil. Ik had de vijf autobiografische intermezzo’s in het terrorisme-betoog dan ook aangeduid met het gallicisme ‘rouwjournaal’

Zo heb ik het ook ingestuurd naar uitgeverij Lemniscaat die aanvankelijk enthousiast had gereageerd op mijn essay over terrorisme, dat daar door Wouter Kusters was voorgedragen. Maar over de combinatie van dit essay en het ‘rouwjourmaal’ was men bij Lemniscaat minder enthousiast. Het waren in feite twee boeken, zo werd mij medegedeeld. Nu heb ik wel eens meer de neiging om twee boeken in één boek te schrijven.

Zo bevatte mijn boek over Gerard Reve aanvankelijk ook het verslag van mijn psychose dat later een plaats zou krijgen in het boek Tegen de tijdgeest. Ook mijn boek De Fries die in de toekomst sprong bestaat eigenlijk uit twee boeken. Het is een analyse van de ruimtelijke kunst en de literatuur in het Friesland van de jaren zestig, maar ook een beschouwing over het modernisme als zodanig, en dat aan de hand van een theorie over het verband tussen  veranderingen in de cultuur en de twee hemisferen van het brein.

Hoe het ook zij, Lemniscaat haakte uiteindelijk helemaal af, ook voor het uitgeven van mijn terrorisme-essay. De reden, die men daarvoor opgaf, was nogal teleurstellend. Het ging niet om de kwaliteit van het manuscript, maar vooral om het feit dat men uiteindelijk liever niets met ‘jihad’ van doen wilde hebben en er al zoveel boeken over terrorisme verschijnen. Zoiets kun je ook eerder bedenken, denk ik dan. Voor uitgeverij Aspekt vormde dit soort overwegingen geen enkel bezwaar. Integendeel, daar had men slechts een week nodig om te besluiten dat ze Jihad of verstandsverbijstering graag willen uitgeven.

Door al die ontwikkelingen zal mijn boek Rouw in tijden van terreur er dus nooit komen. Mijn ‘rouwjournaal’ ligt er nog altijd, als een verslag van mijn eigen worsteling na de dood van Marijke. Nadien heb ik dit verslag gecombineerd met een beschouwing over de metafysische opstand bij Albert Camus en de metafysica van het christendom. Opstand en leegte, zo heet dit manuscript. Maar ik heb dat verder nog aan geen enkele uitgever laten zien. Wie weet komt dat er nog eens van, in deze of wellicht in een andere vorm.

Op mijn blog van 27 juli j.l.  – Achterblijven is blijven stilstaan – schreef ik over dit manuscript  Opstand en leegte het volgende:

‘Het verslag van mijn rouwproces laat zich achteraf lezen als een persoonlijke zoektocht naar transcendentie te midden van de onverschilligheid van het leven dat ten dode is opgeschreven. Gaandeweg werd dit verslag minder biografisch en meer filosofisch van aard, waarbij gedachten van Albert Camus voor mij steeds meer een spiegel vormden. Het geheel van de tekst heeft een fragmentarisch en caleidoscopisch karakter. Ik heb dat zo gelaten, met de gedachte voor ogen dat het zoeken in de wilde weg soms nodig is om zicht te krijgen op het onbevattelijke. De omweg kent immers bestemmingen die de rechte weg niet kent.’

Met die laatste zin lijkt meer gezegd dan er werkelijk te lezen staat. Elk boek lijkt met een omweg te ontstaan. Maar ook daarmee blijft die ene vraag nog altijd onbeantwoord. Hoe te schrijven over rouw?

Reageren is niet mogelijk.