Avec le temps

Dit is het uitzicht vanaf de Avérotoren in oostelijke richting. Je ziet het Zuiderplein, de koepel van de voormalige Friesland Bank en daarachter de Emmakade die helemaal wegloopt tot aan de horizon.  De bovenste te foto is genomen door mijn zoon Jurriaan op 10 april 2007, om 16.15 uur. Precies op dat moment fietste ik op de Emmakade vanaf mijn huis in de richting van de fotograaf. Als je deze bovenste foto honderd keer zou uitvergroten dan zie je mijn gestalte oprijzen uit het digitale patroon van gekleurde stippen. Ik ben een voorbijgaande rimpeling in een werkelijkheid die hier voor de eeuwigheid is stilgezet.

Een foto zet het universum stil, maar de wereld zelf draait door. De wielen van mijn fiets wentelden sinds 10 april 2007 voort op het ritme van mijn trappers. Ik was me er op dat moment niet van bewust dat de lichtstralen, die op mijn hoofd vallen, terugkaatsen naar alle kanten. Een paar daarvan hebben destijds de lens van de camera bereikt. Het patroon dat zij teweegbrengen is destijds vanuit die camera elektronisch naar mijn computer gestuurd.

Inmiddels zijn er ruim tien jaren verstreken. De onderste foto heb ik eergisteren zelf genomen om 13.30 uur. Mijn fiets had ik nu onderaan de toren geparkeerd. Heel in de verte is mijn huis te zien in een zijstraat van de Emmakade.Verder lijkt er weinig veranderd in dit deel van Leeuwarden. In de wereld daaromheen des te meer en ook in mijn persoonlijk leven. Marijke is er niet meer. Die gedachte schoot meerdere keren door mijn hoofd, toen ik vanaf de Avérotoren het panorama van de stad zich voor mijn ogen zag ontrollen. Ik zag een ruimte van tijd die leeg gelopen leek. En toch, de tijd gaat gewoon door.

Maar is dat ook zo? Meer dan ooit koester ik de illusie dat het verdwijnen van de tijd een illusie is. Diep in onze ziel is er wellicht iets dat blijft, iets dat los staat van de tijd die almaar voorbijgaat. Tien jaar geleden schreef ik bij de foto een tekst die ik vandaag maar weer eens herhaal. Alles is inmiddels veranderd, behalve deze woorden. Ze komen voor mij nu in een ander licht te staan.

*

Ik las laatst een artikel over parallelle werelden. Dat is een theorie die in 1957 is opgesteld door Hugh Everrett om een lastig probleem binnen de kwantummechanica op te kunnen lossen. De kwantummechanica beschrijft niet de waarneembare kenmerken van een systeem, maar een algemene toestand die de verzameling is van alle mogelijke toestanden volgens een zekere waarschijnlijkheidsverdeling.

Bij de waarneming stellen wij één van die toestanden vast. Maar wat gebeurt er met al die andere toestanden? Bij de selectie van die ene toestand – die wij als werkelijkheid ervaren – is sprake van een zekere willekeur, waarvan alleen de waarschijnlijkheid voorspelbaar is. Tenzij natuurlijk alle andere toestanden ook daadwerkelijk totstand komen. Of anders gezegd, tenzij de wereld bij elke waarneming zich splitst in talloze parallelle werelden die naast elkaar blijven voortbestaan.

Dat is een absurde gedachte, maar Hugh Everett ging er vanuit dat die gedachte in feite precies beschrijft wat er gebeurt. De waarnemer bevindt zich slechts in één van die werelden en stelt voortdurend de toestand vast die daarin gerealiseerd is. Om een voorbeeld te noemen. Stel dat de waarnemer als een wandelaar over een maagdelijke wit sneeuwtapijt loopt. Uit alle mogelijke voetafdrukken kiest hij er telkens één door een stap vooruit te zetten.

Maar op het moment dat de wandelaar in de sneeuw daadwerkelijk een stap vooruit zet, worden telkens alle sporen in de sneeuw gerealiseerd die mogelijk zijn. In feite stapt de wandelaar voortdurend in één van zijn voetafdrukken die hij nog als spoor in de sneeuw moet achterlaten. Maar de wandelaar ziet alleen dat ene spoor dat hij achterlaat en niet alle mogelijke sporen die hij in feite tegelijk creëert.

Hoe absurd deze theorie ook mag zijn, hij vindt steeds meer aanhang onder hedendaagse natuurkundigen. Er is immers nog een ander lastig probleem dat door deze theorie een verklaring kan vinden. Onze natuurwetten kennen een aantal gegeven constanten (bijvoorbeeld: de constante van Planck, de lichtsnelheid, de elektrische lading van het elektron etc). Zonder die constanten zouden onze natuurwetten niet kunnen bestaan.

De vraag die nog altijd niet beantwoord is luidt als volgt: hoe komt het dat de constanten in de natuur precies die waarden hebben die we nodig hebben voor ons bestaan in dit universum. Anders gezegd: waarom gelden de natuurwetten zoals wij die kennen. Het lijkt erop dat het antwoord luidt: opdat wij als mensen kunnen bestaan. Het kan haast geen toeval zijn dat juist deze constanten gelden en geen andere. Of het moet zo zijn dat iemand dat vooraf op heel intelligente wijze zo bedacht heeft.

Anders gezegd; zijn de natuurwetten toevallig zo ontstaan of vinden zij hun oorzaak in een intelligent ontwerp dat aan het universum ten grondslag ligt. Dit probleem hangt samen met een principe dat ook wel het ‘antropisch principe’ wordt genoemd. Wat we kunnen verwachten waar te nemen wordt beperkt door de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor onze aanwezigheid als waarnemers. Dat is een soort cirkelredenering die iets ongemakkelijks heeft.

Absurd toeval of doelbewust ontwerp? Hoe kun je aan dit dilemma ontsnappen? Eigenlijk maar op één manier. Het zou immers ook zo kunnen zijn, dat er geen sprake is van toeval en ook niet van een doelbewust ontwerp. In dat geval moeten er ooit vele heelallen tegelijk zijn ontstaan waarin alle mogelijke waarden van de natuurconstanten gerealiseerd zijn. Wij leven dan precies in het juiste heelal met de juiste natuurconstanten. Kortom, deze wereld is slechts één van de vele mogelijkheden en bestaat naast talloze andere parallelle werelden.

Hoe het ook zij, het heeft er alle schijn van dat de stippen op bovenstaande foto, waarin mijn gestalte als fietser is vastgelegd, maar één van de mogelijkheden laat zien die in feite aan de orde zijn. Wat is het geval? Op het moment dat de foto werd genomen splitste de wereld zich in talloze mogelijke opties, waarin ik momenteel voortleef in evenzoveel parallelle werelden. Telkens als iemand – waar ook ter wereld – mijn site aanklikt, splits ik mij opnieuw. Dat wil zeggen: niet ikzelf, maar het patroon van stippen, waarin mijn gestalte gevangen zit.

Mijn gestalte is van nu af aan druk bezig zich te vermenigvuldigen in een eindeloze reeks van universa. Als we er vanuit zouden gaan, dat alle exemplaren van deze verzameling universa op hun beurt weer één universum voorstellen, dat op zijn beurt – op een op andere manier – ergens een patroon nalaat, dan kunnen wij nagaan welk een verweving van voorstellingen en welke dwarsverbindingen er tussen de onderscheiden universa in de reeksen van beelden te maken zijn. Verbazing bevangt mij hierover. Verbijstering grijpt mij aan.

Reageren is niet mogelijk.