2006

Het is mei 2006. Marijke zit even buiten op het terras ergens in het zuiden van Griekenland. Het was bloedheet. Alleen de honden en de barbaren waren buiten, zoals de Romeinen vroeger zeiden. We maakten een rondreis door Griekenland die drie weken zou duren. Vooral de boottocht vanuit Venetië maakte grote indruk. Twee dagen voeren we over de Middellandse Zee. Even los van alles. We hadden een hut op de voorsteven en zagen voor ons uit het schip de golven breken.

Achteromkijken was minder leuk. Op mijn werk was de pleuris uitgebroken. In april had ik uit betrouwbare bron vernomen, dat het nieuwe bestuur van het Frysk Festival mij een ‘sta in de weg’ vond. ‘Die Mous van Keunstwurk zit daar al meer dan 25 jaar en houdt alles tegen’, zo werd er beweerd. Toen ik tegenover mijn directeur mijn verontwaardiging uitte over deze belediging, kreeg ik te horen dat iemand zoiets kan verwachten, als hij zich zoals ik gedraagt in de publiciteit.

Dat was voor mij de limit. Ik schreef een open brief naar alle media en begreep donders goed dat je zoiets maar één keer kunt flikken. Het leverde me mijn tweede schriftelijke waarschuwing van het bestuur op. Andermaal weigerde Marijke de aangetekende brief thuis in ontvangst te nemen. Ze was daar heel laconiek in. Geen gezeik. Als er wat is dan bellen jullie maar.

Dat was natuurlijk mooi, maar voortaan zou ik op mijn werk wel de wind volledig van voren krijgen. Ik kreeg nu niet alleen te maken met een wekelijks functioneringsgesprek met mijn directeur, maar ook met periodiek terugkerende gesprekken met een of twee bestuursleden. Piet Meerdink, destijds bestuursvoorzitter van Keunstwurk, vroeg een keer of ik soms de pest erover in had dat ik destijds zelf geen directeur was geworden. ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik. ‘Iedereen buiten de deur verkeert in de veronderstelling dat ik hier directeur ben. Ik word er alleen niet voor betaald!’

Op zich was dat niet overdreven. Sinds het bestuur van Keunstwurk ooit in haar wijsheid besloten had om mij niet tot directeur te benoemen, waren anderen gaan denken dat ik dat wel geworden was. En hoe meer ik het bleef ontkennen, hoe minder ik werd geloofd. Zo werd ik in april van dat jaar nog gebeld door Kirsten van Santen van de Leeuwarder Courant. Ze wilde wat weten over hoe het was om Ne me quitte pas van Jacques Brel te zingen.

Dat had ik acht jaar daarvoor ook al eens eerder gedaan op het podium van Schouwburg De Harmonie, bij een benefietconcert toen de oude Infirmerie in de hens was gevlogen. In april 2006 zou ik dat kunstje nog eens herhalen bij een tentoonstelling van Hannie Kamstra en Bartle Laverman in Sneek, maar toen raakte ik hopeloos mijn tekst kwijt. ‘Nooit meer Ne me quitte pas!’ schreef ik op mijn weblog, waarmee ik kort daarvoor was begonnen nadat Jurriaan mijn site had opgestart. (‘Ik log dus ik besta,’ schreef ik op 20 april als eerste woorden in deze virtuele maanwereld),

Door Kirsten van Santen werd ik geciteerd als ‘directeur Keunstwurk’. Toen ik dat op mijn weblog vermeldde, werd het bericht prompt van de site van de LC verwijderd. Maar het was niet de eerste keer geweest dat dit misverstand over mijn directeurschap van Keunstwurk zich aandiende. Het nam zo zoetjes aan epidemische vormen aan. Er was bijna geen krant of omroep die ik nog niet op deze fout had kunnen betrappen. Omrop Fryslân, Friesch Dagblad, De LC, maar ook landelijke media als de Volkskrant, NRC en zelfs het NOS-journaal hadden in het recente verleden mij abusievelijk tot ‘directeur’ bestempeld.

Hoe dan ook, met dit soort malle gebeurtenissen maakte ik mij niet geliefder bij mijn echte directeur van Keunstwurk, die nu – om wat voor reden dan ook – een ware vendetta tegen mij was gestart. Ik moest oppassen om niet nog meer kleerscheuren op te lopen. ‘Huub de moedige.’ schreef de opeens milde Rimmer Mulder in De Moanne. Hij veronderstelde dat ze bij Keunstwurk ook geen raad meer wisten hoe ze met die Mous moesten omgaan. Dat was fijntjes opgemerkt van de hoofdredacteur.

Er is een tijd van komen en een tijd van gaan. In de zomer nam ik definitief het besluit om gebruik te maken van de mogelijkheid om vervroegd met pensioen te gaan. Nog één groot project stond voor de deur. Op 1 september stonden tussen Lemmer en Delfzijl 84 schrijvers aan de waterkant van 240 kilometer. Zij dienden tezamen op één dag een ‘biografie’ van deze vaarweg Lemmer Delfzijl te schrijven wat later als boek zou verschijnen. Het was een hele toer om dat logistiek voor elkaar te krijgen. Het project was bedacht door Sjaak Langenberg en Vanessa van Dam. Met de organisatie ben ik – samen met mijn collega Margaretha Cats – een paar maanden bezig geweest. Op de dag van het grote gebeuren was ook nog eens de Tom Tom van Amarins.

In december sprak ik voor een bomvolle Sint Vituskerk in Blauwhuis bij de herdenkingsbijeenkomst tere ere van Gerard Reve, die op 8 april overleden was. Ik was inmiddels reviaan geworden. Dat kwam door Gryt van Duinen die in het kader van het Fysk Festival, dat in het jaar daarvoor had moeten plaatsvinden een Reve-project had bedacht. Dat is nooit van de grond kunnen komen. Mijn directeur had de samenwerking met het Frysk Festival opgezegd omdat het teveel uren zou kosten voor de medewerkers van Keunstwurk. ‘Keunstwurk let op uw zaak!’ had ik in een vlammend protest in De Moanne geschreven.

Ondertussen was de sfeer op werk op een dieptepunt beland. Ik herinner mij dat ik bij een werkoverleg van de bk-afdeling, waar de directeur bij aanwezig was, een half uur lang een tirade tegen haar heb gehouden, waarin ik alles opsomde wat er zoal mis ging met een directeur die nergens haar gezicht liet zien, geen werkelijke leiding gaf en alleen maar decreten uitvaardigde. Uit arren moede verliet zij toen het vertrek en sloeg de deur achter zich dicht. Ze was furieus. En weer werd ik op het matje geroepen….

Dit kon zo niet langer. Ik had nog een jaar te gaan. ‘Laat mij maar thuis werken,’ zei ik, ‘dan ga ik wel een boek schrijven.’ En zo geschiedde. De dag voor Kerst zat ik thuis en opende mijn computer. Marijke vond het prima zo. We dronken samen een glas Chateauneuf du Pape op de toekomst die voortaan alleen voor ons beiden zou zijn. De kinderen waren de deur uit, en van een ‘lege-nestsyndroom’ had Marijke nooit last gehad. Hooguit van dat eeuwige gedonder waar ik telkens weer mee thuis kwam. Maar dat had ze nooit laten merken.

Stand by your man, dat was haar devies. Niet erg feministisch misschien. Maar Marijke was een feministe van een ander soort. Van nature. Hoe dan ook, dat gedonder van mijn werk leek nu voorgoed voorbij. Eind goed al goed. Maar zover was het nog lang niet.

Reageren is niet mogelijk.