1998

Ooit heb ik iemand horen beweren, dat in het verlangen om de eindigheid van het leven te overwinnen  de oorsprong ligt van de religie, de filosofie en de kunst. Dat mag dan zo zijn, maar de confrontatie met de dood activeert niet alleen het verlangen om de eindigheid van het leven te overwinnen, maar ook om het verleden op te roepen en opnieuw tot leven te wekken. Zonder geheugen zou de mens niet in staat zijn een narratieve samenhang in zijn leven aan te brengen. Die samenhang zit in de patronen die pas achteraf zichtbaar worden. De waarde en de betekenis van de dingen worden pas echt duidelijk als ze er niet meer zijn. In die zin heeft de eindigheid van het leven misschien ook wel een betekenis in zichzelf.

Het is juni 1998. Met een verrekijker in de hand staat Marijke op de vliegbasis in Leeuwarden naar stuntende straaljagers te kijken. We waren daar samen met duizenden andere mensen die op een grote vliegshow waren afgekomen. Ik was vijftig en Marijke nog altijd vier jaar jonger. We leken wel tot rust gekomen. Geen midlifecrisis in ieder geval, eerder was het de knagende melancholie van de middelbare leeftijd die ons soms parten speelde.

Maar andere zaken eisten de aandacht voor zich op. Friesland bestond 500 jaar. Tenminste, dat werd beweerd. Loek Hermans, destijds CdK in deze contreien, had bedacht dat er maar eens een feestje gevierd moest worden. Dat is goed voor de economie en de moraal, zo luidde de redenering. Andere tijden. Maar waren ze werkelijk zo anders dan nu, met 2018 voor de deur?

Hoe dan ook, een aantal historici werd de archieven in gestuurd om uit te zoeken in welke eeuw Friesland eigenlijk was begonnen ‘Friesland’ te zijn. En verdomd, laat dat nou precies vijf eeuwen daarvoor te zijn gebeurd. Anderen beweerden dat in 1498 precies het tegenovergestelde had plaatsgevonden. Friezen waren in dat jaar juist hun vrijheid en onafhankelijkheid kwijtgeraakt. Albrecht van Saksen maakte toen immers op brute wijze een eind aan jarenlange twisten tussen Schieringers en Vetkopers en stichtte een centraal gezag, en daar waren gezaghebbers als Loek Hermans wel gevoelig voor.

Het werd een merkwaardig feestje. Veel Friezen vonden het maar niks. Op een gegeven moment wapperde er zelfs een zwarte vlag op een Friese kerktoren. Loek Hermans reageerde steeds geïrriteerder. Hij had het hele Friese bedrijfsleven gemobiliseerd om geld op het kleed te brengen. Andries van Weperen van Bureau Noordplan werd ingehuurd om de captains of industry in ’t Heitelân de zakken leeg te schudden. ‘Loek schiet de deur open en ik trap hem in’, zo liet Andries zich eens een keer ontvallen. Dat was niet bepaald een onafhankelijke opstelling van het openbaar bestuur, maar die gulden regel wordt op het Provinciehuis in Leeuwarden wel eens meer met voeten getreden.

Toen ik hierover in de Leeuwarder Courant een kritische opmerking maakte, kreeg ik een boze brief van Andries van Weperen. Ik moest het allemaal anders zien. Het was zo goed bedoeld, deze sponsoractie. Hij bedoelde eigenlijk te zeggen: het was een feestje waar de Friezen dankbaar voor moesten zijn. Maar zo werkt het niet. Het is feest of het is niet feest. En het was geen feest, integendeel. Tijdens een plechtige bijeenkomst in de Grote Kerk kwamen alle Friese pommeranten bijeen om de historische gebeurtenis gezamenlijk te gedenken. De kerk moest worden ontruimd vanwege een bommelding. ‘Wij worden omringd door idioten!’, riep Loek Hermans uit. En Cornelis van der Wal groeide uit tot een nationale Friese held, ‘a hero just for one day’, de Friese Rinus van der Lubbe.

Die Loek Hermans was een wat rare man in zijn Friese jaren. Golden boy destijds, en later grote graaier. Van hem heb ik nooit een hoge pet op gehad. ‘Hermans wordt nooit een Kennedy,’ schreef ik op 1 juli in de LC. Toch gebeurden er ook leuke dingen die zomer. In de Groene Ster vond een prachtig popconcert plaats. Koos Dalstra liet een vliegtuigje over het middelpunt van Friesland vliegen om een foto te maken van honderden Friese jongeren met een gele paraplu die in het weiland waren opgesteld.

En Andries Veldman bracht een boekje uit, Hotel Fryslân genaamd, waarin import-Friezen beschreven hoe het is om in deze wonderschone regio te wonen en te werken. Ik schreef een tekst, geïnspireerd op Hotel California van de The Eagles. Elk woord klopt nog steeds als een zwerende vinger. Het was een moeilijk te benoemen, ongemakkelijke sfeer die in mijn leven hier in Friesland had wortel geschoten. ‘Uitboeken kan op elk moment, maar je komt hier nooit vandaan.’

Rijdend op de Afsluitdijk
Een windvlaag in de flank
Rook ik de geur van rotte vis
Een lucht van stank voor dank
Ver aan de horizon zag ik
Een licht dat op mij wacht
Mijn ogen vielen bijna dicht
‘k moest stoppen voor de nacht

Ze stond daar in de open deur
Ik hoorde al de bel
En dacht nog bij me zelf
De hemel of de hel
Er klonken stemmen op de gang
Ze zongen zacht in koor

Welkom in Hotel Fryslân
Een fijne plek, een fijne stek
Plaats zat in Hotel Fryslân
Wanneer je wilt, ’t is echt te gek.

Ze had een vuurrood kapsel
Een rode cabriolet
En rooie rakkers om haar heen
Haar vriendjes voor de pret
Ze dansten in de patio
In het zoete zomer zweten
Soms om een herinnering
Soms om te vergeten

Ik tikte een ober op de rug
En vroeg: breng mij een berenburg
Hij zei: we hadden deze spirit niet
Sinds veertienachtennegentig
Wat een feest, wat een sfeer
Het houdt je wakker in de nacht
Om ze te horen keer op keer

Welkom in Hotel Fryslân
Een fijne plek, een fijne stek
Plaats zat in Hotel Fryslân
Wanneer je wilt, ’t is echt te gek

Aan elk plafond een spiegel
En een kroonluchter van ijs
Ze zei: we zitten hier gevangen
In ons eigen droompaleis
In stijlkamer en kabinet
Is het elke nacht een feest
En ook al slijpen we het mes
We slachten nooit het beest

Het laatste wat nog bovenkwam
Ik rende naar de poort
Wilde de uitgang vinden
De weg naar waar je hoort
Kalm aan, zei zacht de nachtportier
Welkom heten is mijn baan
Uitboeken kan op elk moment
Maar je komt hier nooit vandaan

 

Reageren is niet mogelijk.