De ontkenning van de dood

‘Wat moeten we aan met een schepping waarin het een alledaagse activiteit is 
dat organismen andere organismen met allerlei soorten tanden 
verscheuren – bijten, vlees, plantenstengels en botten tussen kiezen vermalen, de weke massa gretig en met smaak de slokdarm 
inproppen, de voedzame bestanddelen daarvan in je eigen organen opnemen, en dan wat overblijft met smerige. stank en 
gassen uitscheiden. Iedereen doet zijn best om anderen die eetbaar voor hem zijn te verzwelgen. De muggen die van het bloed 
opzwellen, de maden, de levensgevaarlijke bijen die furieus en 
demonisch aanvallen, haaien die verder verscheuren en verzwelgen terwijl men hun eigen ingewanden uitrukt om de dagelijkse verminking en doodslag in allerlei ‘natuur’ -rampen nog 
maar niet te noemen: een aardbeving begraaft in Peru zeventigduizend mensen levend, auto’s maken alleen al in de V.S. een 
piramide van ruim vijftigduizend slachtoffers per jaar, een 
vloedgolf spoelt meer dan een kwart miljoen mensen in de Indische Oceaan. De schepping is een spectaculaire nachtmerrie 
die zich afspeelt op een planeet die honderden miljoenen jaren 
lang met het bloed van al zijn schepsels doordrenkt is. De nuchterste conclusie die we over wat er op deze planeet ongeveer 
drie miljard jaar lang eigenlijk is voorgevallen zouden kunnen 
trekken is dat die in een enorme mesthoop veranderd wordt. 
Maar de zon leidt onze aandacht af, droogt altijd het bloed op, 
laat van alles groeien en geeft met haar warmte de hoop die met 
de vertroosting en groeikracht van het organisme gepaard gaat. 
’Questo sol m’ arde, e questo m’innamore’, zoals Michelangelo 
het heeft gesteld.’

‘Deze zon verteert me en maakt dat ik me overgeef aan de liefde,’ zo zou de woorden van Michelangelo kunnen vertalen. Het zijn woorden die Ernest Becker citeert aan het slot van een ijzingwekkende passage waarmee hij zijn boek De ontkenning van de dood (1973) afrondt. Ondank alle verschrikkingen blijft de mens houden van het leven. Sterkere nog, de vernietigende kracht van de zon verleidt hem juist tot liefde. Dat is romantische paradox die eigen is aan het bestaan. Je kunt zo erg niet bedenken of de mens ziet er een reden in om lief te hebben. Het menselijk leven is pas mogelijk als de dood in zijn ware gedaante wordt ontkend.

Dat zou je de noodzakelijke neurose van de geestelijke gezondheid kunnen noemen. Zo geredeneerd is een neurose een gezonde uiting van de geest. De ontkenning van de dood wordt in een echte neurose alleen wat al te ver doorgevoerd, zodat je er zelf last van krijgt . Het leven wordt dan gecompartimenteerd is een aantal dwanghandelingen. Het geluk wordt overgedragen aan een schijnobject, een fetish. Geluk is het illusoire gevolg van een dwangmatige aanpassing aan de verschrikkingen van het leven. En het tegendeel van geluk is vertwijfeling. Dan zie je de dood in de ogen.

Vertwijfeling is de plotselinge gewaarwording dat de grond onder je voeten wegzakt. Waar je altijd op vertrouwd hebt is er plotseling niet meer. Het leven dreigt dan opeens te ontaarden in een nachtmerrie van zinloosheid. Maar is dat ook echt vertwijfeling? Volgens Kierkegaard, door wie Ernest Becker in zijn denken beïnvloed werd, dient de vertwijfeling zich niet aan als een ‘leven in schijn’ opeens schipbreuk lijdt. Dan was de vertwijfeling er al eerder, zonder dat hij bewust werd ervaren.

Aan de vlucht in de schijn – of dat nu geld is, maatschappelijke status of een ander paradijs van illusie  – gaat de ware vertwijfeling vooraf, dat wil zeggen: een basaal gevoel van twijfel over het leven zelf, een eindig leven dat leidt tot de dood en dat in wezen niet aanvaardt wordt. Het is een ervaring die niet zelden gepaard gaat met een plotselinge hang naar het absolute.

Na de dood van God moet de mens alle bestaansproblemen uit zich zelf oplossen. Ook het probleem van de dood en die vertwijfeling die dat kan oproepen. Als hij kunstenaar is dan schept hij zich misschien een privé-religie, maar dat is slechts weinigen gegeven. In het spoor van Kierkegaard laat Becker zien dat de beste existeniële analyse van het menselijk lot direct leidt naar de problemen rond God en het geloof. De vertwijfeling kan ook een katharsis zijn. Maar de grond van elke vertwijfeling is de koude steen op de bodem van de ziel, daar waar een ijzige wind blaast over de doodshoofden.

Zo kan er zelfs een vorm van vertwijfeling zich aandienen die erin bestaat dat men elke wil tot leven is kwijtgeraakt en niettemin bevangen blijft door een diepe angst voor de dood. In dat niemandsland tussen leven en dood is er zelfs voor de wanhoop geen uitweg meer. Het is een vorm van zijnsverlatenheid die in de moderne tijd is ontstaan. De moderne mens is gedesoriënteerd geraakt door het almaar verschuiven van grenzen. Er zit een lek in het ontologisch omhulsel dat van oudsher het bestaan heeft beschermd en behoed voor de uitbraak van een epidemische geestesziekte.

‘Ik ben gelukkig’, wil zeggen ik versta de kunst om mezelf een rad voor ogen te draaien. Als een terdoodveroordeelde vroeger naar het schavot werd geleid, was het een geestelijke die hem een bordje voor ogen hield, zodat hij zijn laatste slachtplaats niet zelf hoefde te zien. Dat bordje is er niet meer, maar wat bleef is de ontkenning van de dood die ons wordt bijgebracht bij het mens worden. Mens word je niet door geboorte. Mens word je pas door de dood niet te willen zien.

We leren blind te zijn voor de dood. Zelfs van nature verstaan we die kunst. De zon doet ons beminnen, hoewel zijn vuur het leven verteert. De ontkenning van de dood van Ernest Becker is een adembenemend boek. Niet in de laatste plaats omdat Becker hoop put uit het ogenschijnlijk hopeloze. Door zich opnieuw te verhouden tot het oneindige en de religieuze symbolen die daarbij horen, kan de mens de dood pas echt ontkennen. En juist dat is precies wat hem als mens te doen staat.

Reageren is niet mogelijk.