Januari, februari…

De neuroloog Oliver Sacks schreef ooit een verhaal over een man die in de jaren zestig hippie was geweest, aan de drugs raakte en uiteindelijk in een oosterse sekte belandde. Gaandeweg bleek dat de radicale karakterverandering, die hij daarbij onderging, niet veroorzaakt werd door drugs en meditatie, maar door een tumor in zijn hersenen die uiteindelijk de omvang van een sinaasappel had bereikt. Na de operatieve verwijdering van het gezwel leed de man aan een ingrijpende vorm van amnesie. Alles wat na de jaren zestig was voorgevallen leek uit zijn geheugen gewist. Alleen het geheugen voor de zeer korte termijn was in tact gebleven en daarnaast de herinnering aan zijn hippietijd.

In feite leefde hij in een ommuurd heden met uitzicht op een ver verleden. Zijn favoriete popgroep uit die tijd was Grateful Dead. In 1969 had hij een live concert van hen bijgewoond in het Central Park in New York. Toen deze groep in 1991 op diezelfde locatie opnieuw live optrad, besloot Sacks om zijn patiënt mee te nemen naar dit concert. Zo kwamen de jaren zestig in een goeddeels vernietigd brein voor even opnieuw tot leven. De muziek riep intense herinneringen en emoties op totdat ze stilaan haar vertrouwdheid verloor en zelfs vreemd en futuristisch gingen klinken. De patiënt beleefde met terugwerkende kracht een reis naar de toekomst.

Ik las dit verhaal ooit in zijn boek Een antropoloog op Mars (1995) en ik gebruikte het als opmaat in mijn bijdrage aan het boek Tegen de tijdgeest terugzien op een psychose (2011). Onlangs las ik de autobiografie van Oliver Sacks (1933-2015). Onderweg is de titel, met een verwijzing naar het beroemde On the road van Jack Kerouac. Sacks is ook veel onderweg, op zijn zware motor dwars door Amerika. Het is vooral een fysiek boek als hij schrijft over zijn fascinatie voor motorrijden, gewichtheffen en bergbeklimmen, seks en drugs.

Maar het is ook een ontroerend boek waarin hij niet alleen zijn ontwikkeling als wereldvermaard hersenwetenschapper schetst, zijn bijzondere omgang met patiënten, maar ook veel inzage geeft in zijn  roerige leven. Over zijn moeder bijvoorbeeld die aanvankelijk niet wilde accepteren dat hij homoseksueel was. Veel van zijn boeken zijn gebaseerd eigen ervaringen, ziektes en zelfs ongelukken. In zijn jonge jaren is Oliver Sacks ook stevig verslaafd geweest. Hij schrijft hierover in zijn autobiografie het volgende.

‘Op oudejaarsavond kreeg ik midden in een amfetamine-euforie opeens een helder moment en zei ik tegen mezelf: ‘Olïver, als je geen hulp zoekt, haal je de volgende oudejaarsavond niet. 
Er moet iets gebeuren.’ Ik was me er terdege van bewust dat er 
dieper liggende psychologische problemen waren voor mijn 
verslaving en drang tot zelfvernietiging, en dat als die niet grondig werden aangepakt, ik voortdurend weer mijn toevlucht 
zou nemen tot de drugs, tot die me uiteindelijk definitief de das om zouden doen.’

Ziekten en verslaving hebben niet zelden iets met dieperliggende patronen die op afstand bezien in een levensloop zichtbaar worden. Dat is een heikel onderwerp war tegenwoordig verschillend over wordt gedacht. Je mag mensen die getroffen worden door een ernstige ziekte niet belasten met een schuld, een gebeuren of handelen in hun eigen leven, dat wellicht als oorzaak aan de basis van hun ziekte lag. Dat is ook zo, maar dat neemt niet weg dat een objectieve wetenschapper als Oliver Sacks hier anders over dacht toen hij geconfronteerd werd met zijn eigen verslaving.

Bij deze passage in mijn boek moest ik even aan Marijke denken. In 2010 ging zij naar de huisarts om van haar rookverslaving af te komen. Ze had toen voor het eerst klachten met lopen, die veroorzaakt werden door vaatvernauwing in haar benen. De huisarts zei dat ze met roken moest stoppen. Ze kreeg tabletten en ze stuurde haar ook door naar een psychotherapeut vanwege haar traumatische jeugdervaringen. Die therapie die daarop volgde heeft tien sessies geduurd. Daarna heeft zij met man en macht geprobeerd te stoppen met roken. Dat lukte nauwelijks. Eigenlijk is ze pas echt gestopt na haar beroerte, eind september 2015. Toen was het waarschijnlijk al te laat. Precies een jaar later overleed ze aan longkanker,

Eind augustus 2015 overleed Oliver Sacks. In zijn autobiografie schrijft hij over zijn moeizame laatste jaren toen hij gekweld werd door veel pijn. Hij beschrijft verschillende soorten pijn: pijn die je kunt omarmen, waardoor ze draaglijk wordt en de doffe pijn die je totaal in bezit neemt en waar geen kruid tegen gewassen is, alleen drugs en morfine. Ooit hoorde ik hem  op televisie een verhaal vertellen over de therapeutische werking van muziek. Dat was in de documentaire Tales of Music and the Brain, die gemaakt was naar aanleiding van zijn boek Musicophilia (2007).

In deze documentaire bewijst Sacks dat muziek heilzaam kan zijn voor mensen met een bepaalde neurologische aandoening. Een en ander deed mij terugdenken aan een eigen ervaring met de genezende werking van muziek. Ik ben niet bepaald muzikaal aangelegd. Klassieke muziek zegt mij doorgaans niet zo veel. Popmuziek en Franse chansons, daar houdt het zo’n beetje mee op.

Begin jaren tachtig heb ik last gehad van een stevige depressie die bijna twee jaar heeft geduurd. Ik kon daardoor niet of nauwelijks werken. Eigenlijk kon ik niets, behalve wat uit het raam staren en in mijn bed liggen. Een van de kenmerken van een depressie is dat je absoluut nergens zin in hebt, maar ook dat je geen enkel gevoel hebt voor muziek. Niks hielp, pillen niet en praten ook niet, zelfs niet een maandenlange, en door mij als gruwelijk ervaren groepstherapie.

Het moest gewoon vanzelf overgaan. Het moment waarop ik voor het eerst merkte dat er iets ten goede ging veranderen, kan ik me nog goed herinneren. Ik was in de keuken bezig met de afwas en hoorde muziek op de radio. Het was een onbeduidend liedje, dat even een hit is geweest en sindsdien vrijwel nooit meer te horen is: January, February van Barbara Dickson. Het werkte bij mij als een blikseminslag. Daarna ging het elke dag een beetje beter, totdat ik weer helemaal was opgeknapt.

Het brein zit raar in elkaar. Oliver Sacks wist er alles van en kon er prachtig over schrijven. Op het eind van zijn boek, hij is dan al zevenenzeventig – vijf jaar voor zijn dood – werd hij opnieuw verliefd. Als twintigjarige was hij verliefd geweest, als zesentwintigjarige en als tweeëndertigjarige, maar daarna was hij er mee opgehouden. Maar dan schrijft hij het volgende:

‘We zwemmen vaak samen, thuis of in het buitenland. Soms lezen we het werk dat we onder handen hebben aan elkaar 
voor, maar meestal praten we, net als andere stellen, over wat 
we aan het lezen zijn; we kijken naar oude films op televisie, we kijken naar de zonsondergang of eten samen tussen de middag 
een broodje. We delen ons leven op een rustige, meerdimensionale manier een groot en onverwacht geschenk op mijn oude 
dag, na een leven lang afstand te hebben bewaard.’

Die woorden deden mijn gedachten afdwalen naar mijn laatste jaar met Marijke. Ook toen leek het vaak dat we samen opnieuw verliefd waren geworden. Soms deed het me denken aan de mythe van Plilemon en Baucis, twee ouder wordende mensen die nog altijd op elkaar verliefd waren. Het wekte ontroering op bij de goden, waardoor zij gezamenlijk mochten sterven om daarna terstond te veranderen in twee bomen – een eik en een linde – waarvan de stammen met elkaar vergroeid waren.

Altijd als ik twee van dat soort bomen zie moet ik aan die mythe denken. Voor Marijke en ik heeft dit niet zo mogen zijn. Dat gezamenlijk doodgaan tenminste, laat staan die metamorfose in een eik en linde. Maar met elkaar vergroeid zijn we nog steeds. Zeker ook door dat wonderlijke laatste jaar dat we samen waren. Voor Oliver Sacks was die laatste periode een teder slotakkoord van een heftig en bewogen leven.

Reageren is niet mogelijk.