Over eieren en leegte

Het licht kwam van opzij gistermiddag in het Fries Museum. Opnieuw was ik daar, ditmaal voor een inleiding van Louwrien Wijers op het werk van Koos van der Sloot. Van hem is een kleine tentoonstelling te zien op de bovenste verdieping. Toen ik binnenkwam zag ik Koos al staan boven aan de trap. Hij herinnerde mij aan zijn eerste tentoonstelling die ik ooit heb geopend. ‘Dat was toch niet je debuut?’ vroeg ik. Jazeker,’ zei Koos, ’dat was mijn debuut, in het najaar van 2009.’

Wat vliegt de tijd.

Ik herinner me dat destijds de binnenplaats van het Fries Natuurmuseum helemaal vol was met mensen. De toenmalige directeur Gerk Koopmans hield eerst een inleiding, waar geen eind aan kwam. Hij begon zelfs de tekst over het ei van de zanger Jaap Fisher uit zijn hoofd te declameren en maaide al het gras voor mijn voeten weg. Louwrien Wijers citeerde nog even iets uit de korte catalogustekst die ik destijds had geschreven.

Haar inleiding was boeiend, vooral toen ze het had over het verschil tussen leegte en ruimte. Leegte is niet het niets, maar leegte is een openheid van ruimte. De leegte maakt dat dingen kunnen gebeuren. Het leven dat tijdelijk en eindig is speelt zich niet af in het niets, maar in een open ruimte. En als dat leven voorbij is keert het terug naar het absolute dat tijdloos is.

Koos van der Sloot moet dat verschil tussen de leegte en het absolute – de dood dus –  in de ogen hebben gezien, toen hij een aantal jaren geleden door een meervoudige beroerte werd getroffen. Het was een breuklijn in zijn leven, maar ook het begin van zijn kunstenaarschap. Louwrien Wijers sprak over de leegte. Zij weet alles van het boeddhisme, maar  ik moest denken aan de Joodse theologie.

God is overal, maar tegelijk is hij afwezig. ‘Zijn aanwezigheid vult de gehele aarde‘, zo staat in de Bijbel te lezen (Jesaja 6:3). Maar als hij overal is, waarom houdt hij zich dan verborgen? Volgens de Joodse theologie vulde God – voordat hij de wereld schiep – het totale heelal. Dat was iets teveel van het goede. God moest zich terugtrekken om letterlijk ‘ruimte’ te creëren voor dit universum. Door de zogeheten tsimtsoem (de ’terugtrekking’) zou God tegelijk ook uit de wereld zijn verdwenen.

Het toeval wil dat Koos van der Sloot aan Louwrien Wijers had gevraagd om deze lezing te houden bij de opening van de tentoonstelling Enigma met werk van Bernard Aubertin, Robert Schad en Eja Siepman van den Berg op 25 september j.l. Ook die tentoonstelling mocht ik openen, krap een week voor het overlijden van Marijke. Ik heb toen nog met Koos gesproken. Hij vroeg hoe het ging met Marijke. Ik zei: ‘Daar wil ik het nu niet over hebben.’

Mijn verhaal op die dag ging over de leegte: Avec le vide les pleins pouvoirs. Met de leegte de volle macht. Met het buiten werking stellen van het hiernamaals heb je de volle macht over het hier en nu. Maar dat wil niet zeggen dat je met deze mentale daad het hiernamaals buiten werking hebt gesteld. Na enig zoeken vond ik in de krochten van mijn computer mijn openingstekst bij het debuut van Koos van der Sloot in 2009. Wonderlijk genoeg heeft die tekst nooit op dit weblog gestaan. Bij deze dan alsnog.

***

Het was begin september – bij een opening van een tentoonstelling van Galerie Anderwereld in Groningen, dat ik werd aangesproken door Koos van de Sloot. Hij vroeg of ik eens een keer bij hem langs wilde komen om naar zijn werk te kijken. We kenden elkaar vaag van gezicht, maar we hadden elkaar nooit gesproken. Ik heb toen ja gezegd en noteerde zin adres en telefoonnummer. Kort daarop werd ik door drie mensen – onafhankelijk van elkaar – gewezen op zijn naam te weten: Hylke Wierda, Anne Feddema en Eeltsje Hettinga. Omdat ik niet wist dat hij kunst maakte, of als kunstenaar bekend stond, groeide mijn nieuwsgierigheid. ‘Wat goed is komt snel’, heeft de onze beroemdste sportjournalist Joris van den Bergh ooit eens beweerd. Hij schreef in 1941 een prachtig boek: De mysterieuze krachten in de sport, over de ondoorgrondelijke energieën die bij nader inzien niet alleen in de sport , maar ook in de kunst vaak te herkennen zijn.

Maar elke wet kent ook zijn uitzondering. Er zijn immers ook kunstenaars die niet snel komen, maar juist laat, bij het scheiden van de markt of zelfs in de herfsttij van hun leven. Het zijn geen natuurtalenten, maar laatbloeiers, hoewel ze toch heel dicht bij de natuur kunnen staan, niet alleen in hun houding, maar ook in hun werk. Neem nu alleen maar die beroemde Friese laatbloeier Jentje van der Sloot, telg uit ene beroemd Fries kunstenaarsgeslacht waaruit ook Andries van der Sloot en Bouke van der Sloot zijn voortgekomen. Koos van der Sloot is overigens geen familie, zo heeft hij mij gisteren nog laten weten. Maar een laatbloeier is hij zeker, alhoewel ook weer geen naïef kunstenaar of zondagsschilder, want hij weet heel goed wat er in de wereld van de kunst te koop is. Toch geldt ook voor hem: wat goed is komt laat.

Dat atelierbezoek in september j.l. ging overigens niet van een leien dakje. Toen ik op de afgesproken dag mijn fiets pakte om zijn huis op te zoeken, merkte ik dat er niet alleen een fout zat, in het huisnummer dat ik had genoteerd, maar ook in het telefoonnummer. Zo kon het gebeuren dat ik meer dan een half uur in mijn eigen buurt heb rondgedwaald, terwijl zijn huis ik toch nauwelijks meer dan vijf minuten fietsen van mijn eigen huis verwijderd is. Ik belde aan bij wildvreemde mensen, maar zonder resultaat. Toen ik de hoop al bijna had opgegeven zag ik opeens de kalende schedel van Koos van der Sloot in de erker van zijn huis.

Na veel omzwervingen was ik bijna ongemerkt in zijn eigen surrealistische wereld beland. Hij las de krant en scheen zich niet zichtbaar ongerust te maken over mijn verlate komst. Eenmaal binnen verbaasde ik mij over de prachtige collectie van Friese kunstenaars die in zijn huis is uitgestald, en zo raakten we al gauw aan de praat over de kleur van Friesland en de Friese wortels van zijn eigen werk, die niet zo moeilijk te herkennen waren. Na sluitingstijd – of beter gezegd in blessuretijd – is hij van eieren kunst gaan maken, op een heel poëtische wijze, zodat de wereld met de ‘beeldtaal van het ei’ opnieuw in elkaar werd gezet. Van voren af aan Ab ovo, zoals dat heet. Om te beginnen met het ei. Of – zoals de dichter Lucebert ooit dichtte:

poëzie is kinderspel

over het krakende ei
dwaalt een hemelse bode
op zoek naar zijn antipode
en dat zijt gij

mogelijk dat men op zulk een kleine schaal
niet denken kan het maakt nijdig
of men is verveeld dus veel te veilig
dan is men verloren voor de poëzie

u rest slechts een troost ligt gij op sterven
gij verveelt u dan ook niet
en plotseling kan dan pop en bal
laat herinnerd u laten weten
dit was ik en dat was het heelal

In dit gedicht van Lucebert lijkt alles wat een ei aan betekenis in zich draagt op een kinderlijk eenvoudige manier te zijn samengevoegd. Het ei is zo oud als de wereld. Sterker nog, het ei is de wereld. Volgens de alchimisten was het firmament een broze schaal die de aarde en de hemel scheidt, zoals een eierschaal het binnenste van het ei afgrenst van de chaos daarbuiten. De lucht was het dunne vlies aan de binnenkant van de schaal, het eiwit was de aarde en het vuur zat in de dooier. Zo kwam alles samen in het ei, dat aan de kip vooraf was gegaan. Of was het toch andersom gegaan? Of kwam de schepping soms voort uit het niets?

Een ei kan diepzinnige vragen oproepen, zoals de natuurkunde in feite een wetenschap is die de vragen van een kind serieus neemt. Poëzie is kinderspel, maar ook wetenschap kan niet bestaan zonder de verwondering van het kind dat in pop en bal zichzelf en het heelal herkent. Kortom, het ei heeft alles in zich. Het breng weer samen wat ooit gescheiden was. Het is de prima materia die omsloten wordt door een kosmische schaal die tegelijk ook het beperkte zicht van de mens laat zien. Of zoals de dichter William Blake ooit schreef: ‘Deze eierschaal van de wereld is als de sluier van de natuur, die over al het leven ligt en die de mens verscheurt bij zijn dood.‘

In de tijd van de alchemie was men op zoek naar het filosofische ei, dat wil zeggen, de onderliggende, ene waarheid in alle filosofieën en religies. Maar het ei was ook gewoon het product van een kip, een vogel of een slang. Het gekookte ei van Columbus werd met een ferme klap op tafel gezet, zodat de schaal aan de onderkant werd ingedeukt en het ei rechtop bleef staan. Het ongekookte ei daarentegen werd van oudsher gezien als het toppunt van kwetsbaarheid en symboliseerde daarom de breekbaarheid van het leven, dat eindig is en daarom altijd weer het tegenbeeld van de dood oproept.

Door de eeuwen heen was het ei dan ook een dubbelzinnig symbool, dat de mens niet alleen herinnert aan nieuw leven en vruchtbaarheid, maar ook aan de eindigheid en de dood. De christenen brachten het ei in verband met opstanding uit de dood, en daarom eten we nog altijd een ei met Pasen. ‘Eén ei is geen ei, twee ei is een half ei, drie ei is een paasei.’ Kinderen weten wel raad met een ei. Ze zuigen het leeg en beschilderen het. Ze zoeken ze in het veld als het voorjaar wordt en de vogels gaan broeden.

Koos Van der Sloot maakt kunst van leeggezogen eieren die hij samen met allerlei objecten aaneenvoegt tot assemblages. ‘Beeldgedichten’, zo zou je ze ook kunnen noemen, zo simpel als het spel van een kind, maar daarom niet minder poëtisch. Het waren ook de herinneringen aan zijn kinderjaren die hem tot dit spel inspireerde. Zoals zo veel Friese jongens legde hij ooit een verzameling aan van eieren die hij dwalend in de weilanden opraapte uit het gras. Zo ontstond een natuurhistorische collectie die geen enkele pretentie had, maar zijn oorsprong vond in een prille fascinatie voor dit breekbare natuurproduct met zijn volmaakt ovale vorm.

De schoonheid van het ei ligt in zijn universele gestalte, die – in alle variëteiten in kleur en formaat – altijd weer terugkeert als een eeuwige constante van het heelal. Het ei nodigt uit tot contemplatie, tot mijmeringen over schoonheid, leven en dood, en niet zelden ook tot het maken kunst. Zo dook het ei al op in de geschilderde visioenen van Jeroen Bosch, waar de gebroken schaal dienst doet als een narrenschip dat op drift is geraakt. Het ei ligt in geschilderde schalen op de stillevens in de gouden eeuw, maar neemt ook vreemde gedaantes aan in koortsige droombeelden van de surrealisten.

Koos van de Sloot is pas op late leeftijd zijn eigen ‘eierobjecten’ gaan maken, nadat hij zijn leven met kunst was bezig geweest, niet alleen als liefhebber en verzamelaar, maar ook beroepshalve vanuit zijn vak als stedenbouwkundige. Het ruimtelijk ordenen van objecten is hem niet vreemd en wat hij voorheen deed met stratenplannen en huizenblokken, doet hij nu in zorgvuldig gecomponeerde ruimtelijke constructies, die veelal zijn ingepakt in fraaie vitrinekasten, alsof het de opgeprikte vlinders van Meester Prikkebeen betreft. Deze gekoesterde objecten lijken het verleden te willen bewaren als kwetsbare herinneringen die haast spelenderwijs van een ander kader en een nieuwe betekenis worden voorzien.

De associaties die zij oproepen cirkelen telkens weer om eenzelfde symboliek. De tijd vliegt en is onherroepelijk. En toch, deze eieren veranderen ook steeds van gedaante, als in een kringloop van metamorfosen in een keten van eeuwige wederkeer. Ze spelen hun spel op het gemaskerde bal van de dood, zwijgend als een memento mori op de woordeloze leesplank van een kind. Alsof ze het woord van Nijhoff willen herhalen: ‘Lees maar er staat niet wat er staat.’ De eieren zijn geordend in stapelingen, gecombineerd met onderdelen van de verpakking, verbonden met uurwerken en wijzerplaten, gemonteerd op schilderspaletten.

Kortom, ze gaan een nieuw leven leiden in een raadselachtige maskerade van beeld en teken. De leeggezogen schalen fungeren als woorden die van hun betekenis zijn ontdaan. Zoals een woord, dat je telkens weer herhaalt, uiteindelijk alleen nog maar een klank laat horen: ‘Een ei is een ei, is een ei, is een ei….’ Alsof ze – met een knipoog naar de pijp van Magritte – telkens opnieuw zichzelf ontkennen en zacht in onze oren fluisteren: ‘Dit is geen ei.’ ‘Ceci n’est pas un oeuf.’

Reageren is niet mogelijk.