Afscheid van het gedroomde leven

Plantage Middenlaan Amsterdam, woensdag j.l. 15.30 uur

‘Een pijnigende voorstelling dat vanaf een bepaald punt in de tijd 
de geschiedenis ophield reëel te zijn. Zonder het te merken heeft de hele 
mensheid plotseling de realiteit verlaten, alles wat sindsdien is gebeurd 
is absoluut niet waar, maar we kunnen het niet merken. Onze taak is nu 
dit punt te ontdekken en zolang we het niet hebben gevonden moeten we in de huidige vernietiging blijven volharden.’

Deze woorden van Elias Canetti worden door Baudrillard geciteerd in zijn boek De fatale strategieën uit 1983. We moeten het spoor terug volgen, terug naar het punt waarop de wereld is opgehouden ‘echt’ te zijn. Dat zou het punt zijn waarop we met zijn allen de realiteit hebben verlaten. Het leven is onecht geworden en zolang we niet weten wanneer dat gebeurd is en vooral ook hoe, zijn we gedoemd om in deze schijnwereld verder te leven zonder exit-strategie. ‘De tijd verdwijnt’ is een cliché dat de werkelijke betekenis van deze drie woorden verhult, namelijk dat de ervaring van het verdwijnen van de tijd uit ons bewustzijn aan het verdwijnen is. Ergens in het verleden zijn we het fatale ‘point of no return’ gepasseerd.

Als het waar is dat er zo’n punt in de tijd bestaat, waar Canetti over schreef, dan moet het wellicht te vinden zijn in de negentiende eeuw. De ontdekking van fenomenen als het onbewuste, de verdringing, de hysterie en de neurosen valt samen met de definitieve teloorgang van de premoderne samenleving met zijn organische verbanden. Daardoor werd ook de persoonlijkheid pluriform en ontstonden er nieuwe ziektebeelden. In zijn roman Madame Bovary (1857) beschreef Flaubert bij de hoofdpersoon een ‘verschoven leven’ dat de rechten van het gewone bestaan had overgenomen. Madame Bovary leefde grotendeels in een gedroomde wereld. Zij had de neiging om twee levens te leven en zo op te gaan in haar verbeelde leven, dat het gewone uit elkaar viel.

Psychisch vacuüm

Ook de volstrekte scheiding tussen seksualiteit en aseksualiteit, die met deze splitsing in het persoonlijk leven gepaard ging, leidde tot onhoudbare toestanden. Zo ontstond de hysterische vrouw die om de haverklap flauw viel. De flauwvallende vrouw, waar Freud in zijn spreekkamer mee geconfronteerd werd, was in feite in een psychisch vacuüm beland, omdat het intieme leven van haar seksualiteit niet in overeenstemming was te brengen met het sociale leven van haar omgeving, laat staan met de avances van haar minnaar. Maar ook het leven in zijn algemeenheid viel uiteen in verschillende sferen die elk hun eigen rol opeisten. En het bewustzijn zelf viel uiteen in verschillende mentale toestanden die zich simultaan kunnen aandienen: waken en dagdromen, waarnemen en herinneren.

De moderne roman, die met Flaubert een aanvang nam, markeert de ontdekking van dit pluriforme bewustzijn, the stream of consciousness, waarin de droom de werkelijkheid infiltreert. Het onbewuste was in feite het resultaat van een splitsing in de persoonlijkheid, een psychisch proces dat sociologische oorzaken had. Dat proces van desintegratie van de persoon ging steeds verder naarmate de moderne samenleving complexer werd. De moderne mens werd ertoe gedwongen een ‘leven in meervoud’ te leven’ . In zijn boek Leven in meervoud (1963) heeft de psychiater Jan Hendrik van den Berg op fenomenologische wijze het ontstaan van dit pluriforme bewustzijn beschreven. Het gemis aan levenseenheid is nog altijd de status quo van het bewustzijn. De leer van Freud is niets anders dan een beschrijving daarvan in pathologische termen. Het onbewuste werd het bewijs bij uitstek van de pluraliteit van de moderne mens. In Madame Bovary beschrijft Flaubert dat pluriforme bewustzijn onder meer in de volgende passage:

‘Nog suf en warm van de slaap liet hij zich wiegen op de kalme stap van zijn rijdier. Toen dit uit zichzelf bleef staan voor de met 
doornen omringde kuilen die men wel aan de rand van de
akkers graaft, schrok Charles wakker, en zich al snel het 
gebroken been herinnerend, probeerde hij alle botbreuken
die hij had geleerd in zijn geheugen op te roepen. Het regende niet meer, de dag brak aan en op de takken van de kale 
appelbomen zaten vogels, roerloos en met opgezette veertjes in de kille ochtendbries. Eindeloos ver strekte zich het
vlakke land, en over dit grote grijze oppervlak dat aan de
horizont versmolt met de grauwe hemel, vormden groepjes bomen rond de boerderijen her en der een donkerpaarse 
vlek. Charles opende van tijd tot tijd zijn ogen; even later kwam, met het verslappen van zijn aandacht, weer vanzelf 
de slaap over hem, en hij geraakte in een soort verdoving waarin zijn verse indrukken samenvielen met zijn herinneringen; hij werd zichzelf gewaar in een dubbele gestalte, als student en als getrouwd man, liggend in bed zoals kort
tevoren en lopend door een operatiezaal zoals vroeger. De lauwe geur van pappleisters vermengde zich in zijn hoofd met de frisse geur van de dauw; hij hoorde de ijzeren ringen
van de bedgordijnen over de roeden schuiven en tegelijkertijd zijn vrouw slapen.’

Modern bewustzijn

Als het waar is wat Van den Berg al in de jaren zestig heeft beweerd over de meervoudigheid van de het moderne bewustzijn, hoe is het dan met de hedendaagse mens gesteld? De organische verbanden van de premoderne samenleving zijn inmiddels ver achter de horizon verdwenen. Zelfs het modernisme is verdwenen tijd. De postmoderne mens is een ‘zappende mens’ geworden die zijn versplinterde identiteit beleeft in een volledig gemediatiseerde wereld met 100 kanalen op tv en overal op aarde een permanent bereik via Wi-Fi. Boze tongen beweren dat er tegenwoordig nieuwe ziektes ontstaan zoals Infobesitas.

De term Infobesitas is gevormd naar analogie van obesitas, de medische term voor zwaarlijvigheid. We hebben een overgewicht aan informatie. We zijn te vet in de geest door alle prikkels en keuzemogelijkheden die op ons afkomen. Digitale vraatzicht dat is de kwaal van deze tijd. De rem om de stekker eruit te trekken is weg. We zijn verslaafd aan digitale stimuli. Alleen een afkickcentrum met een radicale ontwenningskuur zou nog uitkomst kunnen bieden. Zo niet, dan rest alleen nog de cold turkey, de sprong in het mediale niets. We gaan dan gillen vanaf het balkon, want ons brein heeft voortdurend kicks en prikkels nodig. Zonder permanente opwinding springen we in de afgrond, maken we amok, gaan we lukraak om ons heen schieten.

Als er geen prikkel meer is van iets nieuws, dan rest ons de informatieve hittedood. Onze opgefokte cultuur is een exploderend hemellichaam dat weldra uitdooft en wegkwijnt in een zwart gat. Baudrillard had gelijk, het einde van de wereld is een verlaten ster, waar nog altijd één tv aan staat. Uitzending gemist. De wereld draait door.

Laatst hoorde ik een psycholoog zeggen, dat verdwenen ziektebeelden uit de late negentiende eeuw – zoals hysterie bij vrouwen – tegenwoordig weer terugkomen bij pubers en adolescenten. De overvloed aan informatie en keuzevrijheid zou belemmerend werken op het uitkristalliseren van een eigen identiteit. Jonge mensen worden hysterisch, apathisch en soms zelfs psychotisch als er teveel te kiezen valt. Altijd maar weer die iPhone die knippert. Zelfs op de fiets kunnen we niet meer zonder.

Oneindig pluralisme

De toenemende mondialisering creëert ook nieuwe definities van identiteit. Identiteit hoeft niet alleen met traditie of afstamming van doen te hebben. Het is geen eenduidig begrip meer, maar valt uiteen in aspecten als zelfherkenning, beeldvorming, geborgenheid en imago. Er ontstaan nieuwe ervaringen van identiteit door mensen die hun burgerschap verdeeld hebben over diverse naties en nu eens een gastland en dan weer een land van herkomst als identificatiemodel nemen.

Identiteit is dus niet langer iets exclusiefs, iets wat alleen voor een gesloten gemeenschap invoelbaar is, maar wordt steeds meer een universeel toegankelijk fenomeen, dat telkens weer vertaalbaar en ervaarbaar kan zijn in nieuwe en onverwachte ensceneringen. Alles gebeurt tegelijk, en nooit meer synchroon op één moment. De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige splijt de wereld voortdurend in een oneindig pluralisme. Er is niet meer één werkelijkheid, maar er zijn voortaan talloze werkelijkheden naast elkaar.

De wereld versplintert en wordt één. Dat is de vreemde paradox die de nieuwe media teweeg brengen. Datgene wat nieuwe verbanden creëert is voortaan echt, en niet datgene waar de nieuw gecreëerde verbanden middels taal of beeld naar verwijzen. Wij zijn functionarissen geworden in dienst van apparaten. Maar is dat nieuws? Het verontrustende is dat deze onheilstijding in de afgelopen eeuw in talloze varianten verwoord is, maar inmiddels ‘oud nieuws’ is geworden. Niemand hoort er meer van op. Nietzsche vroeg zich al af hoe zelfs de waarheid een fabel is kunnen worden. En als niets meer waar, dan is niet alleen alles geoorloofd, maar ook alles onwerkelijk geworden.

Het ik-loze brein

Opeens herinner ik mij iets. Er was iets raars vanochtend toen ik wakker werd. Ik zat vast in mijzelf. Heel diep, zo’n beetje bij de tweede ruggenwervel van onderen. Normaal, als je wakker wordt, kom je langzaam weer bij bewustzijn en komen ook je gedachten weer op gang. Nu zat alles op slot. Ik zag de slaapkamer om me heen, maar zonder dat er een gedachte bij te pas kwam. Sterker nog, het leek alsof ik geen eigen centrum meer had, van waaruit alle indrukken werden verwerkt. De controlekamer in mijn hoofd was leeg. De computer stond aan maar de cursor deed het niet. Zoiets moest het zijn.

Wonderlijk genoeg was ik mij wel degelijk bewust van de situatie. Kennelijk was er een ergens soort noodaggregaat opgestart, een soort veilige modus, waardoor ik kon precies registreren wat er aan de hand was. Maar er was niets aan te doen. Al mijn indrukken bleven leeg. Ze trokken zonder enige sturing voorbij in mijn ik-loze brein. Even had ik de neiging om me om te draaien om zo weer in slaap te vallen. Kennelijk was ik verkeerd wakker geworden. Helpers weg, tweede ronde, dan zou alles weer normaal zijn. Maar er was geen weg terug. Het commando om mij om te draaien kon immers niet gegeven worden. Ik kon me wel om draaien, maar dan ging het vanzelf.

Opeens kwam een herinnering bovendrijven. Dit had ik eerder meegemaakt.  Jaren geleden, toen ik nog in Amsterdam woonde, werd ik nog wel eens geteisterd door wat psychiaters zo mooi ‘een manisch-depressieve golfslag’ noemen. Een korte periode van hevige opwinding werd dan steevast gevolgd door een onverklaarbare, diepe somberheid die soms wekenlang kon aanhouden. Precies op het omslagpunt van deze twee basale stemmingen beleefde ik het akelige gevoel dat ik mijn ‘ik’ kwijt was. Dan overviel mij de gewaarwording dat ik niet meer wist wat ik het volgende moment ging doen. Ik herinner me nog, dat ik op zo’n moment, als de totale paniek in aantocht was, wel eens ben weggevlucht. Op weg naar nergens.

Zo zat ik opeens in de tram, in lijn negen op weg naar de stad. Op de Plantage Middenlaan sloeg de paniek toe. Ik vluchtte de tram uit en liep langs Artis. Maar ik wist niet meer of ik terug naar huis moest of toch naar de stad. Ik belandde in een soort Echternach-processie: twee stappen vooruit en drie stappen achteruit en dan alles weer van voor af aan. Op een gegeven moment heb ik mij vastgeklemd aan het grote hek van Artis. Ik zag de witte dinosaurus van steen, die daar al sinds mensenheugenis staat, verstard in een catatonische houding. Opeens wist ik het weer.

Het was een zondag in september. Dat betekende toegang voor de halve prijs voor het hele gezin. Mijn vader had mij meegenomen samen met twee oudere zusjes. We hadden een tas met proviand mee die mijn moeder had klaargemaakt. Aangekomen bij Artis, bleek dat de gereduceerde toegang in september opeens was afgeschaft. Mijn vader besloot toen om niet naar binnen te gaan, want de volle prijs van vier toegangskaarten was te begrotelijk voor het krappe huishoudbudget. We hebben toen op een bankje aan de overkant gezeten, naast het bejaardentehuis. De boterhammen werden keurig opgegeten. Als troost voor het gemiste vermaak kregen we nog een ijsje. Daarna zijn we met zijn allen teruggelopen naar huis. ‘Dat is ook leuk’, zei mijn vader. Toen deze herinnering weer volledig bezit had genomen van mijn brein, liet ik het hek los. Mijn ‘ik’ zat opeens gewoon weer op zijn vertrouwde plek. Ik liep terug naar huis, de versteende dinosaurus voorgoed achter me latend.

(Dit artikel verscheen eerder in De Nieuwe, het kunstmagazine van Arti et Amicitiae, jaargang 19, nummer 32, najaar 2014)

Reageren is niet mogelijk.