Camus en de gelukkige dood

In de laatste weken voor het overlijden van Marijke herlas ik boeken van Camus. Vreemd genoeg gaf mij dat een soort troost, terwijl het denken van Camus geen enkel zicht geeft op een mogelijk leven na de dood. Het is iets anders wat Camus weet te raken. Iets wat aan de religie voorbij gaat. Te boven gaat, misschien wel.

In de jaren vijftig en zestig werd Camus veel gelezen door theologen. Niet omdat Camus iets over God te melden had. Integendeel. Het aardse geluk was het enige geluk voor Camus en het enige leven was voor hem het aardse. Dat bepaalde ook zijn houding ten aanzien van het christendom.

‘De idee van het katholicisme,’ zo verklaarde hij eens, ‘komt mij altijd bitterzoet over. Ze is verleidelijk, en vervolgens stoot ze me af. Dat 
komt ongetwijfeld, omdat bij mij het essentiële ontbreekt: het geloof. Persoonlijk voel ik me dichterbij het hellenisme staan. En binnen het christendom, dichter bij het katholicisme dan bij het protestantisme.’

Camus vond dat de mens in opstand moet komen om het aardse geluk te bereiken. Toch was hij ook gefascineerd door het ontstaan van het christendom. Het was ook niet toevallig dat hij voor zijn eindscriptie voor zijn studie filosofie een onderwerp had gekozen dat betrekking heeft op deze periode: het neoplatonisme. Wat hem fascineerde in het christendom waren de raakvlakken met het hellenisme.

Camus wilde het christendom opnieuw uitvinden, maar dan zonder de metafysische smetten van de laat-klassieke tijd en de dualistische restanten van goed en kwaad die Augustinus erin had achtergelaten. Het christendom had ooit een oplossing gevonden voor elementaire bestaanskwesties als het kwaad, de schuld en de de dood.

Dat zijn ook de terugkerende thema’s in het oeuvre van Camus. De dood duikt al op in zijn vroege verhalenbundel La mort heureuse die tussen 1936 en 1937 werd geschreven, maar pas elf jaar na zijn dood, in 1971 werd gepubliceerd.

De klassieke passage in het oeuvre van Camus, waarin zijn houding tegenover het christendom duidelijk wordt, is de dialoog in zijn roman La peste (1947) tussen de dokter Rieux en de priester Panaloux. (zie ook mijn blog Geen liefde zonder opstand)  De sympathie van de lezer gaat uit naar dokter Rieux en niet naar de priester Paneloux. En toch zijn ze het eens en voelen zij zich samen aan dezelfde kant staan. Dat is de kracht van deze passage.

Ongeloof en geloof, het maakt niet meer zoveel uit als een mens frontaal tegenover de dood komt te staan. Er is dan iets dat geloof of ongeloof overstijgt. Iets dat eigen is aan de mens zelf en waar God niets mee van doen heeft. Misschien moet de mens wel God redden, en niet andersom. Ook Vestdijk heeft met die ketterse gedachte gespeeld in zijn boek De toekomst der religie, dat in 1947 verscheen, het jaar van La peste.

Die opvatting van een seculier christendom  – of zelfs een omgekeerd, atheïstisch christendom – heeft na de oorlog kunnen bestaan tot in de jaren zestig. Die opvatting bestaat niet meer. Ik voel dat als een gemis. Het modernisme in Lourdes is nooit ingedaald. Het was in zekere zin de verzoening van het onverzoenbare. Jacques Brel, die bij veel van zijn chansonteksten door Camus werd geïnspireerd,  verwoordde het op zijn eigen wijze in Le moribond:

Adieu Curé je t’aimais bien
Adieu Curé je t’aimais bien tu sais
On n’était pas du même bord
On n’était pas du même chemin
Mais on cherchait le même port

Camus geloofde dat ondanks al het kwaad, dat het lot de mens – en de mens zichzelf – kan aandoen, het goede toch altijd weer komt bovendrijven. Dat goede in de mens is onuitroeibaar. Dat had de laatste oorlog immers bewezen, toen de ratten uit de riolen waren gekropen en langzaamaan de hele stad in bezit hadden genomen.

Maar de epidemie was weer geweken, net zo raadselachtig als hij gekomen was. Het bacil van de pest was weg, ook al zal deze ziektekiem van het kwaad nog altijd ergens sluimeren op een onbewaakte plek, in de poot van een stoel bijvoorbeeld. Maar de stad was opnieuw ontwaakt in een ochtend van vrede.

Reageren is niet mogelijk.