Een storm uit het paradijs

Marijke in Zagreb, mei 2010
(Dit blog verscheen eerder 0p 27 november 2012)

Mensen geloven niet meer in een leven na de dood, maar daarmee hebben ze nog niet volledig afscheid genomen van de gedachte, dat het leven ophoudt met de dood. Na de dood van God is menigeen op zoek gegaan naar nieuwe vindplaatsen van transcendentie. De een vindt die in een paradijselijke oertoestand, een soort pre-oedipaal nirwana, dat niet zozeer voor de geest toegankelijk is, als wel in de diepste ervaring van het lichamelijk bestaan. De ander vindt de transcendentie terug in de dood, in de afwezigheid van het leven. Het leven mag dan eindig zijn, maar de dood is dat niet. Alles is energie, en met het verdwijnen van het individuele leven blijft het gordijn van energie bestaan, waarvan het individu ook tijdens zijn leven deel uit maakt.

Ik moet toegeven dat ik zelf ook wel eens dergelijke vermoedens heb. Toen ik nog op school zat fantaseerde ik dat alles een wervelstorm van energie zou zijn. Het lichaam is slechts een tijdelijke constellatie, die zich als een golf van energie en gestolde moleculen voortplant door een basaal fluïdum, waarin in alles tijdloos stilstaat. Binnen dat fluïdum bestaat er immers geen tijd. Alleen wie leeft, ervaart de tijd als het razen van een wervelstorm, maar in het oog van deze orkaan staat alles stil. We zitten gevangen in een tyfoon van energie die ons meesleurt naar de verte, weg uit het paradijs. Wie zei dat ook al weer?  Walter Benjamin geloof ik. De storm van de moderne tijd drijft ons onstuitbaar de toekomst in. De bodem waarop wij leven is uiteen gespleten. Aan de poort van het verlaten paradijs staat een engel die de toekomst de rug toekeert, terwijl de puinhoop vóór hem tot de hemel rijst.

Dat is niet zozeer een nieuwe vorm van transcendentie na de dood van God, maar de moderne, stormachtige tijdservaring. Alles stroomt en verdwijnt onder onze ogen. Zo wordt het leven een elektrisch gordijn van energie. Walter Benjamin spreekt van een algemene inflatie van de ervaring, die een verholen verbintenis aan het licht brengt met de oergeschiedenis van de mensheid. Het is de moderne gewaarwording van de shock, in de totale overgave aan het heden, omdat iedere directe herinnering aan nabije verleden verdwenen is. De moderne mens is een organisme dat ontworteld is, ontdaan van een geheugen en daardoor op drift geraakt in een zee van eindeloze tijd. Het is het heimwee naar de verbijstering, de emigratie van het bewustzijn, de aanhoudende toestand van een shock. waarmee het verlangen gepaard gaat naar een eeuwig voortbestaan in een tijdloze dood.

De twintigste eeuw is niet alleen de eeuw geweest van het modernisme, maar ook van de totalitaire systemen van links en van rechts. De tijd ging samenvallen met het leven zelf en de kunst ging samenvallen met zijn eigen geschiedenis. Ze kreeg regels en wetten, theorieën en manifesten, anders gezegd: een gebruiksaanwijzing. De blik werd gericht op een utopisch eindpunt, niet ver achter de horizon. Zo werd kunstgeschiedenis een ontwikkelingsmodel van stijlen, -ismen, trends en tendensen. Achteraf bezien rijst de vraag of ook het kapitalisme als een verkapt totalitair systeem niet mede de drager is geweest van de modernistische utopie. Chadigarh is een van de grootste fiasco’s van het moderne bouwen. De stad is nu grotendeels een betonnen woestijn die permanente bewaking behoeft om geen biotoop voor misdaad en terreur te worden. Het is de ultieme dood in de tijd dynamiek en vooruitgang.

Hoe links was eigenlijk het modernisme en hoe rechts was het verzet daartegen? Over honderd jaar is er misschien niemand meer, die nog enig verschil kan zien tussen de radicaliteit in de kunst van Mondriaan en Hitlers geëxalteerde roep om een Duizendjarig Rijk of Stalins totalitaire greep op de loop van de geschiedenis. De idealen van de avant-garde staan weergegeven in steden en gebouwen met een zo’n eenvoudig concept, dat mensen er niet in konden leven. Hegel, Marx, Hitler, Stalin … Malevich, Mondriaan, Speer en Le Corbusier. Kan het misschien zo zijn, dat de uitersten elkaar zijn gaan raken? Dat vermoeden begint op zijn minst te dagen. Zowel de totalitaire systemen van rechts als het utopisch fundamentalisme van links hebben dezelfde totalitaire grondtoon.

Dit utopisch stramien van het modernisme wordt nu pas compleet zichtbaar, niet alleen in een breed scala van verdwenen ideologieën, maar ook in de stedenbouwkundige fiasco’s die de broedplaatsen worden van de terreur in onze laat-kapitalistische tijd. De continuïteit van de tijd is verloren gegaan, en we zien met verwondering terug naar een verleden dat alleen nog terugkeert als een afgrond, als een efemere, proustiaanse sensatie, als het sublieme van de historische ervaring. Er is niets nieuws onder de zon, maar in de tijd van het modernisme heeft men de illusie gekoesterd dat het heden telkens weer nieuw kan zijn. Zo werd de dood het onderliggend stramien voor een leven dat almaar voortraast in de tijd. Het leven is immers eindig, maar de dood niet. De dood is het skelet van het leven. Het modernisme was de sensatie van de eeuwigheid die schuil gaat in de tijd zelf. Het was de dood in beton gegoten.

Reageren is niet mogelijk.