Achter de klimop

schermafbeelding-2016-11-28-om-11-49-00
Jentsje Popma, Het Anker, 1965

Het moet in september 1977 zijn geweest. Ik was net een week aan het werk bij de Fryske Kultuerried. Er kwam een vrouw binnen die zich voorstelde als mevrouw Popma. Ik stelde mij ook voor. Ze zei dat ze de vrouw van Jentsje Popma was. ‘O..’ zei ik. ‘Weet u niet wie Jentsje Popma is?’ vroeg ze. ‘Nee,’ zei ik, want ik vond dat je bij dit soort vragen eerlijk moet zijn. Aan haar gezicht zag ik dat ik het bij haar verbruid had: ‘Zo’n snotneus uit de Randstad, die hier eventjes de beeldende kunst komt regelen.’ Ik hoorde het haar denken.

De zaterdag daarop had Jentsje Popma een opening in zijn atelier De Weerklank aan de Oostergrachtswal. Ik ben er toen samen met Marijke naar toe gegaan, want ik had iets goed te maken. Het was een wonderlijke sfeer daar. Er liepen vrouwen rond met kleurrijke stola’s om. Eentje stond zelfs met het glas in de hand voor het portret dat Jentsje van haar geschilderd had. Ze was het levend bewijs van zijn schilderstalent. Mevrouw Popma sprak met iedereen, maar mij zag ze niet staan. De lucht tussen ons was kennelijk nog niet geklaard.

Ook met Jentsje Popma was mijn verhouding aanvankelijk wat stroef. Hij mopperde nogal eens in die tijd. Over de Kultuerried die te weinig deed voor oudere kunstenaars. Maar ook over de monumentale kunst die steeds abstracter werd. Er zou geen waardering meer zijn voor het symbool in de kunst. Sterker nog, sinds het christendom door menigeen bij het vuilnisvat was gezet, wist niemand meer hoe je de waarden van de gemeenschap in een symbool moest weergeven. Ik vond dat destijds maar een raar verhaal. Alsof een abstract kunstwerk daarover niets te zeggen had.

In de eerste jaren na de aanslagen van 9/11 werd er veel gediscussieerd over de taak van de kunstenaar de samenleving. Zo baarde Anna Tilroe in die tijd opzien met een artikel in de NRC waarin ze beweerde dat de monumentale kunst geen collectieve symbolen meer kan uitdrukken. Dat artikel is nog altijd op internet te lezen. (zie hier). In mei 2005 werd naar aanleiding hiervan een discussieavond belegd in het Rozentheater in Amsterdam. Hoe komt het dat de kunst geen symbolen meer heeft? Moeten we die niet opnieuw gaan uitvinden? Ik was bij die discussie aanwezig en moest onwillekeurig terugdenken aan wat Jentsje Popma ooit had beweerd.

Mijn verhouding met hem was in de loop der jaren aanmerkelijk beter geworden. Misschien kwam het omdat hij zelf wat milder werd. Misschien ook omdat ik de grijstinten van het leven wat meer leerde kennen. Hoe dan ook, in 2007, in de aanloop van mijn boek De kleur van Friesland, heb ik een middag lang met hem gesproken. Het verbaasde mij toen hoe helder van geest hij was en hoe scherp zijn geheugen.

Hij wist me tal van anekdotes te vertellen uit de jaren vijftig, de tijd toen in Leeuwarden mevrouw Faber en Aiko van Hulsen de scepter zwaaiden. Een paar maanden later mocht ik hem weer interviewen, nu voor Omrop Fryslân, voor de documentaire die Geart de Vries samenstelde naar aanleiding van de tentoonstelling De kleur van Friesland in het Fries Museum.

Zijn drieluik van de dijk aan de Waddenzee zag Jentsje graag opgenomen in die tentoonstelling. Na lang aarzelen stemde ik toe. Eerlijk gezegd vond ik juist dit werk wat te stijf, te symbolisch ook. Maar ik begreep dat het voor hem een belangrijke, bijna religieuze betekenis had.

1023497891493038a82b600

Dit weekend zag ik de documentaire over Jentsje Popma die Annet Huisman heeft gemaakt. Opnieuw raakte ik onder de indruk van deze bijzondere man. Hij is 95 jaar inmiddels, maar nog altijd even helder en scherp. Aan het slot kwam hij te spreken over zijn vrouw die inmiddels overleden is.

Hij zit dan op een sublieme locatie, aan de Waddenzee bij een stralende hemel, het snijvlak van land en water, volgens Jentsje symbolisch voor de grens tussen materie en geest. Ik zag het schilderij terug van De kleur van Friesland, het middenpaneel van het drieluik.

Zijn vrouw was in zijn armen gestorven. ‘Ze is er, en dan opeens is ze weg. Waar is ze dan?’ zegt Jentsje. Zeker een week of drie na haar overlijden had hij het gevoel dat zij wilde dat hij ook kwam. Het was heel moeilijk voor hem geweest. Hij miste zijn troost, 63 jaar huwelijk is niet niets: ‘Ik mis haar, ik mis haar wel ja.’

Het was een ontroerend moment van een prachtige documentaire. Annet Huisman ving de stilte die volgde heel mooi op. ‘Uiteindelijk verdwijnen we allemaal achter de klimop,’ zei ze.

Gisterochtend ben ik nog even gaan kijken naar het reliëf Het Anker, dat Jentsje in 1965 vervaardigde voor de toenmalige R.K. Huishoudschool aan de Archipelweg in Leeuwarden. Vanuit mijn huis ben ik er naar toe gelopen. In het schelle novemberlicht zag ik hoe Jentsje het bedoeld had. De klimop was weggehaald.

Ze is er, en dan opeens is ze weg. Waar is ze dan?’

cimg3144

Het Anker, gisterochtend

Reageren is niet mogelijk.