Herinneringen aan Jelle Breuker

Schermafbeelding-2013-03-12-om-15.23.35

Jelle kende ik al uit de tijd dat hij op het provinciehuis beleidsmedewerker voor beeldende kunst was. Dat in de roerige regeerperiode van cultuurgedeputeerde Johanneke Liemburg aan het eind van de jaren tachtigen het begin van de jaren negentig. Ook toen konden we het altijd goed met elkaar vinden. Jelle was niet een ambtenaar die bestuurders naar de mond praat.

Integendeel. Ook later, toen hij zich als beleidsmedewerker met de Friese taal ging bezighouden, nam hij geen blad voor de mond. Ook op dit weblog ventileerde hij zo af en toe een venijnig commentaar op zaken die hem niet zinden. Dat kon de bedenkelijke bestuurscultuur van de PvdA zijn of de hypocrisie de Leeuwarder Courant. Jelle zei wat hij dacht.

Niet zelden waren het ongemakkelijke meningen waarmee hij voor de dag kwam. Zo zette hij zich niet alleen af tegen de politieke correctheid van links, maar ook tegen de hypocrisie waarmee mensen zich op kunnen werpen als de Barmhartige Samaritaan voor vluchtelingen allochtonen. Hij kon tekeer gaan tegen het gemak waarmee men de ogen sluit voor de gevaren van de islam. Jelle was vaak een roepende in de woestijn.

Vijf jaar geleden publiceerde Jelle een mooi boek over middeleeuwse kasteel- en kloostertuinen in Frankrijk. Hij deed onderzoek daarnaar en vooral naar de Bijbelse en literaire voorbeelden waarop die tuinen geïnspireerd zijn. De tuin van het Paradijs uit Genesis is zo’n voorbeeld, maar ook de Roman a de la Rose, het lievelingsboek  van Jelle. Zijn belangstelling voor de Franse tuinen werd al in zijn vroege jeugd gewekt toen hij hoorde over het bestaan van een witte Franse roos. Zijn zoektocht naar de oorsprong daarvan werd een persoonlijke queeste die hem in de afgelopen decennia langs honderden tuinen in Frankrijk voerde.

Je wordt in dit boek meegenomen door het middeleeuwse Frankrijk. Langs 29 kasteel- en kloostertuinen, die overigens voor het merendeel sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw opnieuw in oude vorm zijn aangelegd. Al in de vroege Middeleeuwen werden de eerste kloostertuinen aangelegd. De planten hadden een grote religieuze of symbolische betekenissen. Je krijgt als lezer dan ook een goed inzicht in de natuurgeneeswijze in de Middeleeuwen.

Het boek begint met een uitvoerige inleiding en besluit met plantenregisters in het Nederlands, Frans en Latijn. Toen ik het las kwam bij mij het verlangen op naar Frankrijk. Al jaren geleden heb ik mij voorgenomen om eens maandabonnement van de Franse spoorwegen aan te schaffen om zo kris kras door Frankrijk te gaan reizen. Dit boek zou daar een prachtige gids bij kunnen zijn. Jelle kon prachtig vertellen over het middeleeuwse Frankrijk, over de strijd tegen Katharen in de Languedoc, met hun ketterse en dualistische interpretatie van de Bijbelverhalen.

Jelle en ik deelden onze liefde voor Frankrijk. Als ik eraan terugdenk wanneer die wederzijdse herkenning is ontstaan, herinner ik mij zijn enthousiaste reactie op een verhaal van mij – het eerste dat ik schreef – voor Trotwaer in 1999. Het is misschien ongepast om deze herinnering nu te berde te brengen. Ik wil het immers over Jelle hebben en niet over mezelf. Maar een feit is dat sinds Jelle mij aansprak over dit verhaal er dingen gingen veranderen.

Maar eerst dat verhaal. Dat ging over een reis door Frankrijk die ik samen met mijn ouders heb gemaakt. Het was midden jaren zestig. Onderweg las ik De mens in opstand van Albert Camus, bij elke camping een hoofdstuk, eindigend in het Nevers van Bernadette. Mijn ouders reisden altijd over Lourdes en terug langs Nevers, waar Bernadette Soubirous ligt opgebaard in een glazen sarcofaag. Die laatste reis – mijn vader zou een half jaar later overlijden – was voor mij tegelijk ook een afscheid van God en Camus was mijn gids voor onderweg.

Sinds het verschijnen dat verhaal nam Jelle vaak spulletjes voor me mee uit Frankrijk. Zo gaf hij mij een livre de poche van Françoise Sagan – Dans un mois dans un an – een boek dat veel voor mij betekend heeft. Hij gaf mij foto’s, documentatiemateriaal over het reusachtige Kruis van Lotharingen dat werd opgericht ter ere van generaal De Gaulle in Colombey-les-Deux-Églises. Hij gaf mij ook een mooie tegel met het wapen van Jeanne d’Arc. Jelle had een haast mystieke relatie met Frankrijk en hij was gevoelig voor symboliek. Dat gevoel wilde hij sindsdien met mij delen. In 2011 schreef hij mij voordat ik op reis zou gaan naar Frankrijk, waar ik onder meer Nevers zou bezoeken:

‘Ik zag bij de laatste bezichtiging van de kathedraal van Nevers hoog in de voorgevel een wild zwijn aangebracht: ‘sanglier’. De beide vrouwen van het office de tourisme en mede/straatgebruikers konden mij niet vertellen of en zo ja het beest een symbool is. Ik vermoedde dit omdat ik het zwijn vaker in middeleeuws en-of religieus verband was tegengekomen. Iemand zei dat het met Charlemagne van doen had. Inderdaad als je googlet met ‘sanglier charlemagne’ zie je als bovenste lemma verschijnen ´le songe de charlemagne´. Het verklaart veel en nu kunnen jullie met andere ogen dan ik naar het zwijn kijken. Goede reis. Jelle’

Wellicht heeft Jelle iets herkend in mijn verhaal Het was in Nevers. Wellicht had hij net als ik een  fascinatie voor Albert Camus, een fascinatie die niet alleen verbonden was met zijn grote liefde voor Frankrijk maar ook met het afscheid van het christendom. Jelle sprak mij nog wel eens aan over Camus. Hij heeft zelfs, na het lezen van een blog in 2009 van mij over de dood van Camus op 4 januari 1960, de locatie bezocht waar het auto-ongeval heeft plaatsgevonden. Zo schreef hij mij in augustus 2009:

‘Beste Huub, naar ik meen heb ik enige tijd geleden op je weblog gelezen dat je de plek zou willen bezoeken waar Albert 
Camus als gevolg van een verkeersongeluk is overleden. Dit herinnerde ik mij toen ik vorige week 17 
augustus in Reims een alternatieve route naar Bourgondië moest kiezen. Niet via Troyes, dat zou ik wel op 
de terugweg kunnen aandoen, maar via Villecien, een klein dorp bij Joigny, voorbij Sens. Ik realiseerde mij 
dat ik in de buurt kwam van de plaats van het ongeluk, of er zelfs doorheen zou rijden. Omdat ik de 
plaatsnaam was vergeten ben ik naar het toeristenbureau in Reims gegaan, waar een meisje van een jaar of 
zeventien mij via de computer aan Villeblevin hielp. In Villeblevin vroeg ik een vrouw naar de plaats van de aanrijding. Zij wist het niet, maar kende wel de Place 
Albert Camus en de zuil die als gedenkteken was opgericht. Een voorbij wandelend paar en de handelaar in 
tuinbeelden (antieke godinnen, kabouters, wilde dieren) tegenover de onheilsplek wisten hem wel 
nauwkeurig aan te wijzen. Er is daar geen gedenkteken aangebracht.’

Daar, en in de directe omgeving, heeft Jelle hij meerdere foto’s genomen die hij aan mij gegeven heeft. Zo gaf hij mij vaak informatie over plaatsen in Frankrijk die mij interesseerden. De plaats bijvoorbeeld waar Camus begraven is, Lourmarin (zijn graf is inmiddels ontruimd heb ik begrepen, want zijn stoffelijk overschot is overgebracht naar het Pantheon).  Camus zelf wilde zonder kist begraven worden, direct in de aarde.

Jelle vertelde mij wel eens dat hij aan een vriendin van hem in Frankrijk ooit had gezegd dat hij het een rustgevende gedachte vond dat Frankrijk zou blijven bestaan, als hij er zelf niet meer zou zijn. Dat is nu zo. Frankrijk is er nog. Het is een gedachte die van Camus had kunnen zijn.

Ik heb nog eens nagekeken wat Jelle mij schreef over het graf van Camus in Lourmarin. Dat was in maart 2009. Kennelijk is hij daar in 2006 en 2007 geweest, maar hij kon het niet vinden. Het was ook maar een hele kleine steen. Maar misschien was die toen ook al weggehaald. Jelle schreef:

‘Lourmarin: “De schrijver Albert Camus had sinds 1958 een huis in Lourmarin. Na het dodelijke auto-ongeluk dat hem in 1960 overkwam, werd hij op het kerkhofje terzijde van het dorp in de katholieke helft begraven.
Als we proberen het graf te vinden van de man die voor Jean-Paul Sartre en zijn acoliet  Simone de Beauvoir niet bang was, zullen we daar een harde dobber aan hebben, Lottman in zijn definitieve biografie over Camus meldde al dat de familie op verzoek van de Nobelprijswinnaar van diens laatste rustplaats geen mooie sier had gemaakt”

Inmiddels, in 2006 en 2007, onvindbaar.’

Jelle had een fascinatie voor graven van mensen die hij bewonderde. Ooit heeft hij mij foto’s gestuurd van het graf van Barbara, de beroemde Franse chansonnière. We hielden beiden van haar chansons. In een reactie op een blog van mij over Barbara schreef Jelle het volgende:

”Toen heb ik haar bij haar graf bedankt, op cimétière Bagneux van de zuidelijke Parijse voorstad Montrouge, waar zij ook lang heeft gewoond, o.a. in de kindertijd. Zij ligt als Monique Serf in een joods familiegraf met vooral Brodsky’s en een paar familieleden met een andere joodse naam. Beide keren lagen op de liggende steen ontroerende, handgeschreven bedankbriefjes en briefjes waarin om troost wordt gevraagd. Op deze steen staat een kleine zwartmarmeren plaquette met haar waarheid: ‘ Les notes et la pensée sont éternelles’. Daarvoor op de grond, kennelijk door een ander dankbaar persoon of troostzoeker gestrooid hart van blauwe glasscherven, dat eerder een vaas op het graf was, zei de beheerster. Geen Père Lachaise, maar de eenvoud van Bagneux. ” Gottienque – la Gottienque”.

Barbara zingt als een gewonde vogel die in een ijle vlucht weg droomt naar het geluk van haar vroege kinderjaren. In haar chanson l’Aigle noir is het de vogel zelf die haar in haar dromen komt opzoeken. Een zwarte adelaar strijkt bij haar neer, zomaar vanuit het niets, als ze slaapt aan de oever van een meer. Hij streelt met zijn bek haar wang en legt zijn kop in haar hand te ruste. ‘Kom vogel, neem me mee naar het land van vroeger, de dromen van mijn kinderjaren om daar trillend de sterren uit de lucht te plukken.’

Het is al weer drie weken geleden dat Jelle overleed. Hij werd 74 jaar. Het was een schok om te horen dat hij er niet meer is. Ik heb veel met Jelle beleefd. Ook al waren we het vaak niet met elkaar eens, we bleven altijd met elkaar in gesprek, en altijd ook met wederzijds respect. Ook na onze pensionering bleef het contact bestaan. Ik zou altijd nog eens bij hem langs, maar dat kwam er niet van. Aan de muur in onze huiskamer hangt nog altijd dat mooie wapen van Jeanne d’Arc dat Jelle voor mij meenam uit Rouen. Ik zal het bewaren en koesteren als een herinnering aan deze eigenzinnige en vrijgevige man: een mooi mens.

4 Reacties »

  1. Wiebe Dooper

    1 september 2016 op 00:12

    Een mooi tekstueel eerbetoon aan Jelle Breuker!

  2. Aldus H.

    1 september 2016 op 02:22

    Hoei… was dat nou net dé Jelle Breuker , die als een van de weinigen het wel eens met mij eens was in de reacties op dit blog?

    Tjee…

    Ik ben er even stil van. Ik heb nooit geweten wie Jelle Breuker in het echte leven (IRL) was. Of wat hij gedaan heeft, welk werk, welke functies etc. Maar in het digitale tijdperk (IVL) doet dat er vaak helemaal niet toe. Het gaat om het gevoel wat iemand je geeft. Of dat nou een man of een vrouw is, jong of oud, doet er niet toe. En nee, je hoeft het niet altijd met elkaar eens te zijn.

    Het gaat om de geest, de ziel.
    In dat geval heeft Jelle bij mij positieve energie weten achter te laten.

    Ik wens familie, vrienden en nabestaanden dan ook veel sterkte toe!

    Verder Huub, idd een mooi eerbetoon.

  3. josse de haan

    1 september 2016 op 11:25

    Hendaye, 1 septimber 2016.

    Jelle Breuker heb ik voor het eerst ontmoet in de weilanden tussen Peins (mijn geboortedorp) en Schingen (zijn woonplaats) toen we 9 en 10 waren – beiden op zoek naar kievitseieren.

    Jaren later trof ik hem opnieuw toen hij in de bres sprong voor de vertaling van mijn roman PIKSJITTEN OP SNYP, die door Meulenhoff als KIKKERJAREN zou worden uitgegeven. De literatuurbevorderaar T. Oppewal en Tresoar wilden dit tegenhouden.
    Jelle had het boek gelezen en was uitermate enthousiast. Op het Provinciehuis was hij beleidsmedewerker Friese Literatuur.

    ‘It soe in skande wêze as de Provinsje it hjir sitte litte soe’, was zijn commentaar – toen de adviezen van de commissie van Oppewal en de zijnen negatief waren.

    Door zijn moedig optreden, en door zijn direct contact met de uitgeefster van Meulenhoff, Tilly Hermans, wist hij te voorkomen dat Tresoar mijn roman op een zijspoor zette, en kapot maakte. KIKKERJAREN verscheen in 2001 bij Meulenhoff. Sindsdien word ik door Tresoar c.s. volledig geboycot.

    In mijn essayboek ‘Reedride op glêd iis’ (jan. 2016) heb ik deze affaire beschreven (blz 99). Jelle zou het prachtig gevonden hebben dat deze roman PIKSJITTEN OP SNYP nu dit jaar, waar Nederland centraal staat, met andere boeken wordt aangeboden op de Frankfurter Buchmesse – dankzij Friese uitgevers. We hebben dit niet meer kunnen vieren in Beetsterzwaag, waar we vaak aten als ik in Friesland was.

    Dit soort beleidsmedewerkers – cultuurliefhebbers – zijn goud waard voor schrijvers en andere kunstenaars.
    PS: Jelle heeft veel voor de Friese Literatuur betekend. In het blad van Tresoar – LETTERHOEKE – heb ik gisteren toen het in de bus viel geen woord over deze literatuurbevorderaar kunnen lezen.

    Josse de Haan, Frysk skriuwer om utens yn Frankryk.

  4. André van der Linden

    1 september 2016 op 18:23

    Hij had een hart voor de kunst en de kunstenaars. Ik maakte hem mee in de Provinciale adviescommissie en bij gesprekken met de gedeputeerde Bertus Mulder. Hij was betrouwbaar en sprak zich uit voor zover hij kon, alweer een verlies.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)