Vertwijfeling en de moed om te zijn

Slide1

‘De psychiater die beweert dat angst altijd pathologisch is kan 
de potentialiteit van ziekte in de menselijke natuur niet loochenen, en hij moet rekenen met de feiten van eindigheid, twijfel 
en schuld in elk menselijke wezen; hij moet op grond van zijn 
eigen vooronderstelling rekening houden met de universaliteit van de angst. Hij kan de vraag van de menselijke natuur
niet ontwijken aangezien hij bij de uitoefening van zijn beroep niet nalaten kan onderscheid te maken tussen gezondheid en ziekte, existentiële en pathologische angst. Dit is de reden waarom steeds meer vertegenwoordigers der medische
wetenschap in het algemeen en der psychotherapie in het bijzonder de samenwerking zoeken met filosofen en theologen. En ook waarom door deze samenwerking zich een vorm 
van consultatie heeft ontwikkeld, die als iedere poging tot 
synthese gevaren en beloften voor de toekomst in zich bergt. ‘

Aldus Paul Tillich in zijn boek De moed om te zijn (1955) dat ik de laatste dagen aan het herlezen ben. Het betoog van Tillich is typerend voor de jaren vijftig, toen de theologie sterk beïnvloed werd door het existentialisme, waar ook de psychiatrie zich op oriënteerde. Menig theoloog en psychiater wilde de kloof tussen beide disciplines overbruggen. Tillich van zijn kant pleitte voor een heroriëntatie van de psychiatrie op de problemen waar ook de theoloog zich voor geplaatst zag, Niet dat Tillich al het heil van de religie verwachte, integendeel. Zo schrijft hij: ‘Veel moed om te zijn, door de religie verwekt, is niets anders dan het verlangen om eigen zijn te beperken en deze beperking te versterken door de kracht der religie.’

Religie kan de mens ongezond maken, maar een wereld die geen oog meer heeft voor de problemen die aan het bestaan ten grondslag liggen is even ongezond. Het bestaan zelf kent een vervreemding die niet anders dan louter vervreemding ervaren kan worden. Ook de theoloog Edvard Schillebeeckx heeft deze ervaring ooit herkend en als volgt verwoord:

‘De vraag is dan of er in de mens geen diepere vervreemding huist die met zijn eindigheid is verbonden, en met zijn vervlochtenheid met de natuur (die ondanks alle vermenselijking ervan door de mens hem ten diepste vreemd blijft en bedreigt);- of er bovendien geen vervreemding is door schuld en zonde. Menselijke zelfverlossing blijft immer beperkt.’

Primaire gevoelens van vervreemding en schuld worden in deze woorden van een theoloog direct op één lijn gezet. Ik heb sterk de indruk dat daarmee iets elementairs gezegd wordt. De vraag is alleen of die basale ervaring van vervreemding en schuld, die voor mij heel herkenbaar is, aan de religieuze ervaring voorafgaat, of – omgekeerd juist – veroorzaakt wordt door een teveel aan religie.

En toch, ieder mens heeft een gezond schuldgevoel dat gebaseerd is op een persoonlijk inzicht op de eigen tekortkomingen. Het ervaren van schuld kan zelfs een heilzame werking uitoefenen op het psychisch functioneren. Toch worden schuldgevoelens vaak verdrongen. De grootse kwaal van deze tijd is misschien wel het groeiend onvermogen om als individu de eigen schuld onder ogen te zien. Echtheid en authenticiteit staan centraal in de hedendaagse levensstijl. De moderne mens wil voor alles de waarheid weten, ook al is die ontgoochelend of zelfs afstotend.

De moderne mens wil weten wat er mis is in de wereld, waarom dat mis is en wat daar aan te doen valt. De schuld ligt zo al gauw bij anderen: de machtswellustelingen, de geweldplegers, de grote graaiers, de vertegenwoordigers van het grootkapitaal. Maar wie alles wat mis is in de wereld heel goed kan benoemen, maar daarnaast de mogelijkheid mist om de eigen schuld onder ogen te zien, valt uiteindelijk in een zwart gat. Dan verval je in een proces van vertwijfeling, omdat je geen schuld meer kan ervaren, laat staan boete kunt doen. Er is geen hogere instantie meer waar je de individuele schuld belijden kunt. Die ervaring is beschreven in de lucide roman La chute van Albert Camus. Dat boek verscheen in 1956, een jaar nadat De moed om te zijn van Paul Tillich het licht had gezien.

Deze twee boeken zijn in feite elkaars complement. Zij laten twee keerzijden zien van dezelfde medaille. Na de dood van God bevindt de moderne mens zich in een spagaat. Tegelijk zijn sterke hang naar echtheid en authenticiteit spreekt hij telkens weer zijn afkeer uit voor een overbelasting van het geweten waar de religie niet zelden op uit was. Het christelijk idee van een verlossing wordt als onbehaaglijk en zelfs vernederend ervaren.
 Het druist in tegen het individuele zelfbewustzijn en het humanistisch ideaal.

In plaats van schuldgevoelens kan eerder een gevoel van radeloosheid de kop op steken. De existentiële schuld heeft geen plaats meer in het wereldbeeld, zelfs niet in de psychiatrie. Zonder God weet zelfs de psychiater geen raad. Vandaar dat de hedendaagse mens als het gaat om existentiële schuld de rollen 
vaak omkeert in een wonderlijke anomalie. God, waarvan men het bestaan met kracht ontkent, wordt met terugwerkende kracht ter verantwoording geroepen met de vraag hoe Hij dit onrecht in de wereld rechtvaardigen kan. Zelfs zonder Hemels Gerecht wordt de Opperrechter aangeklaagd.

In die spagaat kan een kortsluiting in het bewustzijn optreden  Dan ontstaat er een spanning die geen  andere uitweg kan vinden dan de psychose, de zelfmoord of het suïcidale geweld. Paul Tillich verkende de grensgebieden van het bewustzijn, waar andere krachten de overhand kunnen nemen. Hij deed dat op basis van een ontologische analyse, een onderzoek naar de bestaansvoorwaarden van het Zijn-zelf, waarvoor hij een allesomvattend concept bedenkt met begrippen als ‘de Macht van het Zijn,’ de ‘Urspungsmacht’, ‘de substantie van het Zijn.’ Juist deze kwaliteit treden aan het licht in existentiële grenssituaties, zoals de verbijstering, de vertwijfeling of een ultieme ervaring van zinloosheid.

In de ervaring van de ultieme afwezigheid van elke zin of betekenis kan volgens Tillich een ondergronds gehalte van het Zijn alsnog werkzaam zijn, dat als een afgrondelijke macht vanuit de diepte door het oppervlak van het bewustzijn heen breekt. Deze ’Urspungsmacht’ die door de ‘unbedingte Erfordefung’ wordt opgeroepen bevindt zich volgens Tillich op het grensvlak tussen God en mens, waarbij ‘God’ wordt opgevat een kracht die in de afgrond van het bestaan werkzaam is. God valt bij Tillich samen met de grond van het bestaan. Het is het gevaarlijke grensgebied van de menselijke geest waar de ontsporingen van het geweld en de vernietiging, maar ook genezing en de genade hun oorsprong vinden.

Vertwijfeling is de plotselinge gewaarwording dat de grond onder je voeten wegzakt. Waar je altijd op vertrouwd hebt is er plotseling niet meer. Het leven dreigt dan opeens te ontaarden in een nachtmerrie van zinloosheid. Maar is dat ook echt vertwijfeling? Volgens Kierkegaard, door wie Tillich sterk beïnvloed werd, dient de vertwijfeling zich niet aan als een ‘leven in schijn’ opeens schipbreuk lijdt. Dan was de vertwijfeling er al eerder, zonder dat hij bewust werd ervaren. Aan de vlucht in de schijn – of dat nu geld is, maatschappelijke status of een ander paradijs van illusie  – gaat de ware vertwijfeling vooraf, dat wil zeggen: een basaal gevoel van twijfel over het leven zelf, een eindig leven dat leidt tot de dood en dat in wezen niet aanvaardt wordt. Het is een ervaring die niet zelden gepaard gaat met een plotselinge hang naar het absolute, een houding van alles of niets, de dood of de gladiolen.

Zo kan er zelfs een vorm van vertwijfeling zich aandienen die erin bestaat dat men elke wil tot leven is kwijtgeraakt en niettemin bevangen blijft door een diepe angst voor de dood. In dat niemandsland tussen leven en dood is er zelfs voor de wanhoop geen uitweg meer. Het is een vorm van zijnsverlatenheid die in de moderne tijd is ontstaan. De moderne mens is gedesoriënteerd geraakt door het almaar verschuiven van grenzen. Er zit een lek in het ontologisch omhulsel dat van oudsher het bestaan heeft beschermd en behoed voor de uitbraak van een epidemische geestesziekte. Om dat lek te dichten zou een nieuwe antropologie nodig zijn, waar zowel psychiaters als theologen naar op zoek dienen te gaan. In de De moed om te zijn schrijft Tillich:

‘De medische faculteit heeft een antropologie nodig om haar theoretische taak te kunnen vervullen, en zij kan geen antropologie verkrijgen zonder de permanente coöperatie van al 
die faculteiten, wier centraal object de mens is. Het medische beroep heeft ten doel de mens te helpen in sommige van zijn 
existentiële problemen, diegene welke gewoonlijk ziekten worden genoemd. Maar het kan de mensen niet helpen zonder de 
permanente samenwerking met alle andere beroepen, wier 
doel het eveneens is de mensen te helpen. Zowel de leer aangaande de mens als de hulp aan mensen verleend zijn zaak van 
coöperatie vanuit velerlei gezichtspunt. Slechts langs deze 
weg kan men het menselijk vermogen om te zijn, ’s mensen 
wezenlijke zelfbeaming en zijn moed om te zijn begrijpen.’

Het betoog van Tillich leest zestig jaar na dato als een roep in de woestijn, zeker in deze tijd waarin de psychiatrie als discipline het brede spectrum van de geesteswetenschap volledig uit het oog verloren lijkt te zijn. Anno 2016 zit de psychiatrie opgesloten in het verlammende systeem van de geestelijke gezondheidszorg met zijn steeds verfijndere classificaties, protocollen en toenemend diagnostisch reductionisme. De mantra ‘Wij zijn ons brein’ betekent dat elke psychotische ontsporing voortaan wordt herleid tot een ontregeling van het dopaminegehalte in de synapsen van het brein.

De farmaceutische industrie krijgt steeds meer greep op de wijze van classificeren en diagnosticeren van afwijkend gedrag. Het is zelfs zover gekomen dat het geneesmiddel van kwaal tot erger kan leiden, dat wil zeggen: tot suïcide of zelfs plotselinge geweldsontlading zoals het geval kan zijn bij ‘selectieve serotinine-heropname remmers (SSRI)’ die worden voorgeschreven als antidepressivum. De moed om te zijn heeft in de hedendaagse psychiatrie plaats gemaakt voor het onvermogen om de dingen te zien zoals ze zijn. Als de existentiële problemen die eigen zijn aan het bestaan uit beeld raken, dan is er tegen de waanzin geen kruid meer gewassen.

Reageren is niet mogelijk.