Het veronachtzamen van de dood

6a00e5523026f58834016305cbcf50970d-800wi

Een arbeider, die al een tijd lang verdacht werd van diefstal, werd elke avond als hij zijn kruiwagen de fabriek verliet nauwkeurig geïnspecteerd. De bewakers konden niets vinden. De kruiwagen was altijd leeg, totdat uiteindelijk toch het kwartje viel: de arbeider stal de kruiwagens zelf. Dat is een mooi voorbeeld van een misverstand. Er wordt een conclusie getrokken, die volledig gerechtvaardigd lijkt, maar toch geheel ongegrond is  Ik vrees dat heel wat menselijke conflictsituaties op dergelijk misverstanden berusten. Een mens is geneigd om een conclusie te trekken, uit waarnemingen die foutief worden geïnterpreteerd.

Om een ander voorbeeld te noemen. In een werksituatie weigert iemand om iets te doen, als hij door zijn chef daar om gevraagd wordt.  Zijn chef vraagt het nog eens en krijgt wederom een bits ‘nee’ te horen. Conclusie: werkweigering en ontslag. Als de chef zich had afgevraagd, waarom zijn werknemer zich zo irrationeel en agressief gedroeg, dan had hij misschien ontdekt dat de sfeer op het werk totaal verziekt was mede door zijn zwakke manier van leiding geven. De situatie wordt dus verkeerd geïnterpreteerd. Het impliciete probleem wordt niet waargenomen, en op grond van het ‘oppervlakte-probleem’ wordt een besluit genomen, dat de situatie alleen nog maar erger maakt. Kortom, problemen en conflicten hebben een zichtbare oppervlaktestructuur en een onzichtbare dieptestructuur. Soms wordt die dieptestructuur wel degelijk gezien, maar is het niet opportuun om daar al te veel aandacht aan te besteden.

Als het gaat om de problematiek van de hedendaagse terrorisme dan oppervlakteprobleem makkelijker op te lossen dan het diepteprobleem. Bovendien hoef je zo niet na te denken, waarom terroristen eigenlijk terroristen worden. Misschien is het systeem, dat je tegen het terrorisme wilt verdedigen, wel ziek en wil je dat zelf niet weten. Veel mensen zijn van mening dat de beste oplossing van het probleem van de globalisering de globalisering zelf is. Dit rampzalige proces, dat een spoor van ellende in de derde en vierde wereld achterlaat heeft inmiddels zijn eigen remedie, namelijk: de vrije-markteconomie, die alle verschillen uiteindelijk zal rechttrekken.

Er zijn ook mensen die het hier niet mee eens zijn. Zij noemen zich ‘anti-globalisten’ en tegenwoordig worden ze ook wel ‘anders-globalisten’ genoemd. Er zijn ook mensen die zichzelf ‘idealistische globalisten’ noemen. Ze zijn eerst puissant rijk geworden door de globalisering en gaan daarna de liefdadigheid prediken, zoals Bill Gates en George Soros. ‘De winst gaat voor de gift uit’ is hun lijfspreuk, zoals bij de kapitalisten van de oude stempel de kost voor de baat uitging. Er is nog een groep en die noemen zich ‘liberale communisten’. In feite zijn ze een nieuw soort globalisten, maar ze gaan vermomd in een pakket mooie idealen zoals duurzaam ondernemen en de voor iedereen vrij toegankelijke nieuwe internet-economie.

In zijn boek Geweld (2009) distantieert de Sloveense filosoof Slavoi Žižek zich van deze liberale communisten. Volgens hem ontkennen ze een vorm van geweld die in het systeem van de globalisering zelf zit ingebakken. Žižek onderscheidt drie soorten geweld: (1): Fysiek of subjectief geweld, (2): het symbolisch geweld van de taal en (3):  het systematische of objectieve geweld, dat in een systeem verscholen zit en doorgaans onzichtbaar blijft voor wie het niet wil zien. Sommige problemen kun je niet aan de buitenkant van een situatie herkennen.

Die problemen zitten ingebakken in de situatie zelf en de foutieve oplossing is meestal in het belang van degene die er baat bij heeft, dat het probleem in kwestie in zijn ware gedaante blijft voortbestaan. Bestaat er eigenlijk nog wel een mogelijkheid om je tegen dat onzichtbare geweld van het systeem te verzettten? Loopt elke poging tot verzet niet dood in het labyrint van het symbolische of objectieve geweld? Wordt elke daad van verzet niet voortdurend door het geweld van het systeem geïncorporeerd?

In 2008 kwam de film  Der Baader Meinhof Komplex (2008) in een roulatie. De film toont de geschiedenis van de Baader Meinhof-groep die in de jaren zeventig heel Duitsland in zijn greep hield met steeds gewelddadiger terreuraanslagen. Maar wat je vooral zou verwachten laat de film niet zien. Hoe komen jonge en weldenkende mensen zo ver om zoiets te gaan doen. De jaren zeventig waren bij uitstek het decennium van de terreur. In Duitsland had je in die tijd de Rote Armee Fraktion, In Italië de Brigate Rosse, In Spanje de ETA, In Noord Ierland de IRA en in ons eigen land de treinkapingen van de Zuid Molukkers. De terreur van die jaren had een ander karakter dan de huidige terreur van fundamentalistische moslimbewegingen, lone wolves en amok makende pubers die razendsnel radicaliseren en hun suicidale neigingen of vernietigingsdrang verhullen in een totale ideologische overgave aan IS.

Toch is er ook een overeenkomst. De daders zijn zowel toen als nu zijn vrijwel altijd adolescenten in de leeftijd tussen 18 en 24 jaar. Ze staan aan het begin van hun maatschappelijk leven, waar zij opeens radicaal van afzien. Het zogeheten ‘kristallisatiepunt’ in de psychologische ontwikkeling van het individu naar volwassenheid lijkt bij hen te worden opgeschort. Men kiest voor de gevaarlijke rol van desperado en niet voor het voorspelbare keurslijf van de burger. Een radicaal ‘nee’ komt in de plaats van elk compromis. Rechtvaardigheid tot elke prijs krijgt de voorkeur boven het schipperen in een halfslachtige wereld die zij in wezen diep verachten. Waarom was de generatie, die eind jaren zestig de leeftijd van de adolescentie bereikte, zo gevoelig voor de verleiding van de terreur? Die vraag heb ik me vaak gesteld, al was het maar, omdat die generatie de mijne is.

In de jaren zeventig heb ik nooit begrepen hoe iemand die grens uiteindelijk kon overschrijden. Er is wel gewezen op het typisch Duitse probleem dat bij deze generatie op de achtergrond meespeelde. Het schuldcomplex van de ouders dat oversloeg op de kinderen. Het trauma van ‘de gemiste vader’ en het onvermogen om zelf de vaderrol op zich te nemen. Pim Fortuyn heeft in zijn boeken De verweesde samenleving (1995) en Dagboek van een Babyboomer (1998) een indringend portret geschilderd van de naoorlogse generatie, die het in de jaren zestig en zeventig uiteindelijk volledig heeft laten afweten, ondanks al hun opzichtige drang naar wereldverbetering en maatschappijverandering. Dat kan allemaal zo zijn, denk ik dan, maar dan ga je toch nog niet met bommen gooien.

Alexander en Margarete Mitscherlich, die ooit een beroemd boek schreven over ‘het onvermogen om te rouwen’, hebben ooit gewezen op het specifiek Duitse karakter in de problematiek van de Baader Meinhof groep. Hun vaders hadden te weinig gerouwd of misschien wel te weinig kunnen rouwen. In die zin zouden de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog zich nog bij de eerste naoorlogse generatie hebben doen voelen, ondanks – of beter gezegd juist dankzij – het feit dat zij die oorlog niet zelf hebben meegemaakt.

Het probleem met dit soort redeneringen is, dat zij haast niet te bewijzen, laat staan te weerleggen zijn. Zeker is, dat de generatie van direct na de oorlog een diep gevoel van leegte heeft gekend. Van 1945 tot 1970 hebben deze opgroeiende jongeren niets ander gekend dan een  stijgende conjectuur en een toenemende welvaart, een ontwikkeling waar ze zelf niets aan hoefde te doen en alleen maar van kon profiteren. Het kan misschien ook wel tè goed gaan in je jeugd.

De film Der Baader Meinhof Komplex bracht bij mij een ander film in herinnering die aan het eind van de jaren vijftig vooral in Duitsland veel opzien baarde: Wir Winderkunder. Het was een parodie op het Duitse Wirtschaftswunder, de wonderbaarlijke economische wederopbouw, die bij een bevoorrechtte generatie misschien wel geruisloos een verlangen naar terreur heeft gezaaid. Het was een benauwende tijd waarin vooral vooruit werd gekeken en niet achterom. Het waren niet alleen jaren van het beginnende hoogconjunctuur, maar ook van de Koude Oorlog met zijn IJzeren Gordijn en atoomdreiging. Maar vooral ook de tijd van de grote onmacht, de ontkenning en verdringing van het van het verleden.

Er bestaat een beroemd interview met Ulrike Meinhof, waarin zij spreekt over het dilemma om voor haar kinderen of voor politieke actie te kiezen. Voor een vrouw zou een dergelijke keuze moeilijker zijn dan voor een man, zo beweerde zij. Wat haar keuze uiteindelijk is geweest, heeft de geschiedenis laten zien. Er zijn mensen, die een dergelijke keuze op morele gronden verwerpen, en misschien zullen zij zich daarbij zelfs beroepen op christelijke beginselen over naastenliefde en huwelijkstrouw. Maar dan gaan ze gemakshalve voorbij aan de woorden van Christus zelf, die zijn apostelen opriep om vrouw en kinderen te verlaten en alleen hem te volgen. Ook in het DNA van het cheistendom zit ene vreemde veronachtzaming van de dood.

Ook voor Christus bestond er een ideaal dat hoger reikte dan vrouw en kind. Voor dat ideaal viel alles in het niet, zelfs de dood. Het diepe inzicht van Christus als onmenselijk mens was dat de dood er niet toe doet. God zit niet in de mens en staat ook niet buiten de mens, maar valt één op één samen met de kloof tussen God en mens. Dat is het mysterie van de Drie-eenheid, de geheimzinnige paradox van het christelijk dogma van de mensgeworden God. Omgekeerd: door te sterven wordt de mens verenigd met God, omdat de kloof tussen God en mens dan eindelijk wordt opgeheven. Vandaar deze doodsverachting van Christus. Zijn koninkrijk was niet van deze wereld. Dit leven was in zijn optiek slechts een blad dat wegwaait in de wind.

Maar geldt dat verheven ideaal ook niet voor een kunstenaar? Zijn er kunstenaars die hun eigen leven  willen opofferen voor de kunst?  Vereist het kunstenaarschap ook zoiets als deze ultieme moed? G.K. Chesterton heeft ooit de paradox van de moed als volgt omschreven: ‘a strong desire for living with a strange careless about dying.’ Ik denk dat in het rijtje godsdienstfanaat en zelfmoordterrorist de kunstenaar op een treetje lager staat in de hiërarchie. Maar ook hier zijn er uiteraard uitzonderingen. Neem alleen al Bas Jan Ader die met zijn zeereis In Search of the Miraculous een subliem kunstwerk realiseerde, maar daarbij wel een vrijwel zekere dood tegemoet ging.

En wat te denken van de Japanse schrijver Yukio Mishima. In 1970 pleegde hij op rituele wijze zelfmoord volgens de oude Japanse mores van de Samurai, door eerst een dood-gedicht te schrijven en vervolgens met een zwaard de hand aan zichzelf te slaan. Mishima was fel gekant tegen de ondergang van oude Japanse cultuur. Hoe onbaatzuchtig is de zelfverkozen dood? Zelfmoord kan een ultiem kunstwerk zijn en er zijn kunstenaars die zelfmoord plegen om daarmee verzekerd te zijn van eeuwige roem.

In zijn beroemde boek over de zelfmoord De mythe van Sisyphus (1942) noemt Albert Camus de filosoof Jules Lequier, geboren in 1814, die in 1862 bij Plérin de zee in zwom en niet terugkwam, en waarvan men aannam dat hij de dood zocht om zijn roem veilig te stellen. Ook maakt hij gewag van een zekere Peregrinos die vanwege zijn legendarische zelfmoord in het oude Griekenland ook nu nog in een legende voortleeft. Deze cynische filosoof kondigde zonder enig aanwijsbaar motief zijn eigen zelfmoord aan, die hij bij de eerstvolgende Spelen in Olympia ten uitvoer zou brengen. Daar voegde hij wat je noemt de daad bij het woord. Nadat hij zijn eigen begrafenisrede had uitgesproken, stak hij zichzelf in brand. Camus noemt ook een eigentijds navolger van Peregrinos, een Franse schrijver, die na de voltooiing van zijn eerste boek zelfmoord pleegde, om de aandacht op zijn werk te vestigen. Die aandacht werd inderdaad gewekt, maar het boek werd al gauw vergeten.

Grote kunstenaars kiezen voor de kunst, en laten – als er het echt op aan komt – desnoods vrouw en kinderen daarvoor in de steek. En toch, een hoge mate van narcisme mag dan een voorwaarde zijn voor het grote kunstenaarschap, het zijn alleen de allergrootste kunstenaars die de diepte van het menselijk bestaan daadwerkelijk weten te peilen. Dat is de paradox van het kunstenaarschap: op het toppunt van het onmenselijke wordt de kunstenaar bij uitstek menselijk. Picasso was een onmenselijk mens, en daarom als kunstenaar het prototype van de moderne mens. Een echt goed kunstenaar moet wreed en rücksichtlos kunnen zijn. Hij moet alles veronachtzamen, zelfs de dood.

Ik denk dat dat Ulrike Meinhof gelijk had toen ze zei dat voor een vrouw een dergelijke keuze zwaarder valt dan voor een man. Maar wat is hier zwaarte in vergelijking met wat? Wat geeft de doorslag? Ik sluit niet uit dat er ook talloze vrouwelijke kunstenaars of schrijvers zijn geweest en nog zijn, die in hun leven voor een dergelijk dilemma hebben gestaan en uiteindelijk kozen voor de kunst. In de totale overgave aan zijn of haar beroep – los van elke moraal – heeft de grote kunstenaar iets weg van een terrorist. Net als Jezus Christus dat had:  Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard,zei hij tot zijn discipelen. In de ogen van de Romeinen was Christus een potentiële zelfmoordterrorist die terecht gekruisigd werd.

De totale overgave kent geen bedenkingen. Het is alles of niets. De dood of niet de dood. Maar waar liggen de grenzen tussen kunst, religie en terreur? Alle drie hanteren vormen van geweld, symbolisch geweld, systematisch geweld of fysiek geweld. Alle drie hebben ook een relatie met de dood die om een onvoorwaardelijk antwoord vraagt. Grote kunstenaars, terroristen en godsdienstfanaten zijn misschien wel uit het zelfde hout gesneden. Voor hun ideaal doen ze alles.  Ze gaan op zoek het wonderbaarlijke. Ze willen de ultieme grens overschrijden. Ze willen de schijn doorbreken, het noodlot tarten, het noodlot wórden. Desnoods met een sprong in het absolute. Een sprong in de dood.

Het veronachtzamen van de dood is het uiterste wat een mens kan bereiken. Het is het sublieme en het onmenselijke. Het is menselijker dan de mens en echter dan echt. Het is de realiteit in optima forma. De dood die geen dood meer is. Het is het hoogste en het diepste tegelijk, even verschrikkelijk als God zelf.

3 Reacties »

  1. Jelle Breuker

    26 juli 2016 op 12:44

    Bijna aan het eind schrijft Mous: ‘Grote kunstenaars, terroristen en godsdienstfanaten zijn misschien wel uit het zelfde hout gesneden. Voor hun ideaal doen ze alles’. Naarmate ik ouder word vraag ik mij steeds meer af of mensen wel onversneden idealen (kunnen) hebben. Ik neig naar een negatief antwoord omdat ik onder allerlei vormen en lagen van idealen allereerst het persoonlijke en het eigenbelang zie. Hunkeringen naar erkenning en wellicht meer nog om gekend te worden. Gedreven door gebrek aan zelfvertrouwen in de verpakking van ijdelheid. Mous’ en mijn stukjes vallen er ook onder, ja iedere handeling of niet-handeling die beoogt jezelf te manifesteren. Dit idee volgend moet je constateren dat ook Jezus in zijn aspiraties van de Christus een afhankelijke persoon was. Net zoals moeder Teresa, die misschien zelfs door een uiterste vorm van masochisme moet zijn beheerst om werk te doen waarvoor in ieder geval ik mij te zwak en ook te goed acht. Voortbordurend op deze gedachte zou je echter kunnen constateren, wat ik voorlopig doe, dat haar schreeuw om erkenning en gekend te worden haar geen ruimte liet voor gevoelens van zelfkwelling. Met andere woorden: zij heeft misschien geen masochisme ervaren en je zou, alweer voorlopig, kunnen vinden dat haar zo als uiterst charitatief geponeerde leven een publiekelijk miskende drijfveer had. Dikwijls als negatief gewaardeerd, maar wel een heel menselijke. Zijn wij niet allen behept met ijdelheid? En zo ja, past het woord behept hier dan wel? Maar hoe zit het dan met het gegeven dat bepaalde ijdelheid nodig is om jezelf in onze in beginsel vijandige wereld te handhaven? Vijandig vanwege andermans ijdelheden die de onze, lees ons bestaan, ontregelen en zelfs bedreigen. En dan kom je uiteindelijk toch uit bij de noodzakelijke boodschap van figuren als Jezus en Teresa: menslievendheid en vrede. Ik concludeer dat hun boodschap oneindig waardevoller is dan hun persoonlijk karakter kan zijn. Het zelfde geldt voor wat Mous noemt ‘grote’ kunstenaars, terroristen en godsdienstfanaten. Het gaat niet om grote karakters, maar om de als zodanig door veel ijdel naäpende kuddedieren geuite grote daden. Woorden, woorden, woorden. Zonder dat ze doorgronden over welke daden zij het hebben. Dijkwijls negatieve, zoals de wanproducten van een Andy Warhol. Om over de woorden en handelingen van de tot deze groep behorende politiek correctelingen maar te zwijgen. De Clintons, Junckers, Schulzen, Timmermannen, Ruttes, Pechtolds, Klavers en die oneindige stoet van andere grote mensen: de media stikken er van.

  2. Cisca de Bruyne

    26 juli 2016 op 21:48

    Het dilemma van de vrouw heb ik altijd gezien als een voorrecht. De keuze tussen kinderen, een baan, de politiek, allemaal in principe leuke dingen als je te eten hebt en een dak boven je hoofd.Het leven speelt een kansspel en daar waar ik als kliekje mee mag doen ga ik voor de filosofische verwondering. Ook, of misschien zelfs wel juist, waar ik haar niet vind verwonder ik mij omdat ik haar verwacht en om het lot te tarten heb ik soms nog wel een pilletje voorhanden. Want jij wil kinderen daar waar ik er zelf nog eentje ben. Nu is het proces om dit te bewerkstelligen gelukkig lang niet onaangenaam vooral omdat jij er nogal ludieke ideeën op nahoudt wat je wensen zijn. Het gaat je daarbij om de talenten, twee van hen die je zelf niet bezit en ik trouwens ook niet: het leggen van verbanden en de eigenschap beide handen ten volle te benutten in de dagdagelijkse praktijk, zou je graag terugzien in je nageslacht. In mijn vruchtbare periode, wat jij allemaal keurig registreert alle in Gaussjes, gaat je op zoek naar zo gevarieerd mogelijk zaad. Dan, zo zeg je, kan het aan ons niet liggen, het lot en het toeval moeten er maar zien uit te komen welke verwondering ons te wachten staat. Echt, ik wist niet dat kinderen maken zo leuk kon zijn. Je doet onderzoek bij de buren, zo heeft Didier een krap zesje gescoord, hij is handig maar hij heeft reuze lui zaad. Jean Jacques van nr 7 zijn Gaussje is nog in bewerking, alle gegevens zijn nog niet binnen. Hij is elektricien en je ziet hem helemaal zitten, hij is een kei in het verbanden leggen en hij heeft twee welgevormde kinderen met een uitgebreid vocabularium en jij interpreteert dat als een referentie naar Jean Jacques, bovendien gaan ze in een uniform naar school en knikken beleefd in het trappenhuis. Zelf weet ik daar de voordelen niet zo van maar je gaat het allemaal nog uitwerken. Soms kom ik Jean Jacques tegen, dan leg ik vast wat contact in de vorm van een praatje, van mij krijgt hij een 8, Madame Edwarda is er klaar voor, hoewel, als Madame Edwarda een beetje op dreef is en ze op het punt staat god te worden, verliest zij zichzelf, anders gaat het feest niet door en blijft ze een doorsnee hoer. Moeten we die mannen niet op de hoogte stellen van jouw bemoeienissen met het lot. Je vindt dat niet nodig want ook wij zullen het niet weten tenzij Seynabou Khady van nummer 36 uiteindelijk het winnende zaad gaat leveren maar hij heeft al 8 kinderen, er kan er vast nog wel eentje bij zonder er fuzz over te maken. Maar ik zit nu al behoorlijk in mijn vruchtbare periode, probeer ik, je haalt de papieren erbij,nee donderdag pas, wat niet wil zeggen dat het niet nuttig is alvast een beetje a priori te werken. Ik kan niet anders dan geestdriftig instemmen. Wie ben je dan, vraag ik nieuwsgierig? Laat je verwonderen lief, je bindt je begrafenisstropdas voor mijn ogen, de enige die je bezit en je zet me voor het raam. Dan doe je de knoopjes van mijn blouse open en mijn rokje uit, braaf stap ik uit het stof als jouw handen mijn enkels leiden. O mijn god, kinderen maken is echt vreselijk opwindend. Cherie, ik ben even sigaretten halen, ik hoor de voordeur dichtslaan. Ik blijf voor het raam staan, wetende dat op dit tijdstip de overbuurvrouw wel eens thuis kan zijn, ze is schrijfster van politieke thrillers. Ik recht mijn rug, ga even met mijn handen door mijn haar, als ik er dan sta dan toch graag op mijn voordeligst. Het idee dat ze me kan zien blaast mijn nénées op, het is een aantrekkelijke vrouw, ik ken haar nauwelijks maar we voeren de meest vreemde gesprekken en altijd met een tikkie flirt erin. Dan hoor ik weer de deur van de kindertjesmaker. Je roept dat je er weer bent maar tegelijkertijd gaat de bel, ik hoor je stem, ja natuurlijk kom binnen, ze is er klaar voor. Ik zou boos moeten worden maar het windt me op, mijn kin doe ik wel wat verder in de lucht, arrogant. Ja, zeg je, dat is ze, mijn lief, mijn tijdelijke charmante broedmachine. Nee zeg, ga gerust je gang, jullie moeten toch een beetje in de stemming komen. Ik luister goed maar ik hoor geen stem maar voel wel gehijg in mijn nek die samengaat met een walm knoflook/gauloise. Dat moet de elektricien zijn die verbanden komt leggen. Wacht , zeg je, ik zal even helpen, en je helpt me uit mijn kleren. In gedachte zie ik de schrijfster voor het raam staan. Ik voel handen over mijn buik, mijn borsten, het zijn jouw handen niet, deze zijn veel harder, ik voel eelt, loshangende velletjes. Dit moet de vak man zijn, jij hebt eerder koorden van fluweel die mij haarfijn weten te bespelen. Ik denk ineens, als hij maar geen eng gereedschap gaat gebruiken, mijn stopcontacten door gaat meten of mijn losse draadjes last. Dan denk ik snel weer aan de schrijfster, zij houdt me op de been, aan mij zal het niet liggen, ik sta er prachtig bij, trots en wellustig. De elektricien heeft misschien wel op talentniveau begeerlijke kwaliteiten maar hij heeft weinig erotische fantasie. Hij neemt me op het bed, als een missionaris, en sjort alweer aan zijn broek. Ik hoor je stem weer, nee natuurlijk, alle begrip, wacht, ik laat u even uit. Ik hoor de deur weer in het slot vallen als je binnenkomt. Was het gezellig met de elektricien, zeg je terwijl je twee kussens onder mijn achterwerk legt. Nee, zeg ik nukkig, er was geen bal aan, ik hoef geen elektricienenkind. Je bindt een touw om mijn enkels. O leuk, denk ik nog, het feest moet nog beginnen. Je gooit het touw over de kast en trekt mijn benen in de lucht. Ik wacht af, dit spelletje ken ik nog niet. Even, cherie, zeg je terwijl je hand tussen mijn benen glijdt en je een kurk in me stopt. Ineens begrijp ik dat je het zaad netjes in het babybadje wil laten zwemmen. Ik vloek getergd als je het hebt over een half uurtje, zodat je net het rugby staartje nog zien kan. Biarritz Olympique tegen Perpignan.

  3. Aldus H.

    27 juli 2016 op 06:20

    Even geen zin om uitgebreid te reaguren, maar jouw verhaal klopt niet meer als je het hebt over moslims bijvoorbeeld.

    Daar spelen totaal en totaal andere krachten. Nog afgezien van de 72 maagden. Zij houden meer van de dood dan wij van het leven, zo moet je het wat zien. Of als je geen maagd bent dan komt er in de hel een slang die vuur spuwt en dan door je vagina binnen treedt en er via de mond weer uit komt, dat soort dingen. En nog vééél meer. Wordt je als kindje al bijgebracht.

    En mede daardoor is er in islamitische landen veel anale sex, ook onder mannen. En ondertussen ‘haten ze homo’s’.
    Over dubbele moraal gesproken.

    Het is best handig een (ex) islamitische vriend te hebben. Valt best veel van te leren. Ik val regelmatig van mijn kruk van verbazing. Hun brein werkt écht anders. Is anders gewired.

    Zoveelvoornu
    ————————-
    correctie:
    “De kruiwagen was altijd leeg, totdat uiteindelijk toch het kwartje viel: de arbeider stal *kruiwagens*. “

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)