The other day I felt so young

IMAGE00011

De Amerikaanse kunstcritica Rosalind Krauss ontwikkelde in de jaren zeventig een manier om het eigentijdse kunstwerk te analyseren op basis van de semiotiek, waarbij haar aandacht vooral uitging naar de fotografie. Met foto’s is iets raars aan de hand. Binnen de semiotiek staat de index voor het teken dat een direct causaal verband onderhoudt met datgene waarnaar het in werkelijkheid naar verwijst. Bij de index verwijst het teken dus naar een bepaalde oorzaak of gevolg van het teken. Voorbeelden hiervan zijn rook, vingerafdrukken of voetsporen in de sneeuw. Ook de foto is in wezen een index. De foto heeft in het bewustzijn een ander soort tijd-ruimte gecreëerd omdat in een foto een beeld van een stukje werkelijkheid aanwezig wordt gesteld, dat in feite tot het verleden behoort

Opvallend is dat in de jaren zeventig veel beeldende kunstenaars fotografie in hun werk gingen gebruiken, niet alleen om hun projecten, ideeën, ingrepen en performances vast te leggen en te documenteren, maar ook als een ‘indexicaal medium’, waarin een gebeurtenis in het hier en nu letterlijk gevangen werd in een spoor. De kloof tussen de werkelijkheid zelf en de foto als indexicale representatie daarvan kreeg opeens de volle aandacht.

In een beroemd artikel uit 1977 Notes on the index heeft Rosalind Kraus gewezen op een traumatische ervaring die aan de basis heeft gelegen van het ontstaan van de avant-gardekunst in het begin van de twintigste eeuw. Er was een kloof ontstaan tussen kunst en werkelijkheid, toen enerzijds de schilderkunst abstract was geworden en anderzijds de fotografe de werkelijkheid objectief ging representeren. De readymades van Duchamp waren in feite een narcistische reactie geweest op dat trauma. Het kunstwerk werd gereduceerd tot een leeg object dat alleen door zijn context als kunstwerk geconstitueerd wordt.

In de jaren zeventig werd dat trauma nog eens geïntensiveerd doordat de schilderkunst door veel kunstenaars opeens als onwaarachtig werd ervaren en de kunst als zodanig steeds meer als schijn werd gezien. Had men in de jaren zestig nog geloofd dat de grenzen tussen de kunst en het dagelijks leven weggevaagd konden worden, dat laatste ideaal van de avant-garde werd in de loop van de jaren zeventig door veel kunstenaars als een tragische illusie opgevat. Daarmee kwam het bankroet in zicht niet alleen van de avant-garde, maar ook van het modernisme als zodanig. Alleen het fotografisch beeld kon nog waarachtig zijn omdat daarin de werkelijkheid één op één wordt vastgelegd zonder dat het medium het beeld codeert tot kunst en daarmee tot schijn.

Er was een vaag tussen-domein ontstaan. Iets onbestemd tussen authenticiteit en de schaduw daarvan. Van de weeromstuit nestelde de kunst zich precies in de gapende kloof tussen de kunstenaar en de representatie van de werkelijkheid. Kunst ging letterlijk met die gapende kloof samenvallen en drong daarmee een nieuw semiotisch gebied binnen. Dat was het gebied van de index, het spoor, de afdruk, de schaduw, kortom datgene wat achterblijft nadat de aanwezigheid aanwezig is geweest. Het was een ontdekking waardoor het fotografische beeld opeens een nieuwe dimensie kreeg toebedeeld. Er ontstond zoiets als een twilight zone tussen een ruimtelijke onmiddellijkheid en het spoor van een tegenwoordigheid die voorbij is. Het ideaal om de tijd in een kunstwerk in het hier en nu te annexeren werd geïmpregneerd met de melancholie van de herinnering.

Wat is dat, de melancholie van de herinnering? Het is de gedachte aan een geluk dat nooit heeft bestaan. Een fata morgana in het brein, een spookbeeld op het podium dat wij ‘het geheugen’ zijn gaan noemen. Maar al te graag hang ik in dat theater rond, terwijl ik weet dat het illusies zijn die mij worden voorgetoverd. Dan sluip ik geruisloos tussen de coulissen. Soms zit in de frontloge, dan weer op het bovenste balkon en een heel enkele keer in de bak van de souffleur als mijn geheugen zijn tekst kwijt is. Vaak speel ik daar zelf op het toneel. Ik speel mezelf in het verleden, voor een lege zaal met mezelf als enige toeschouwer.Haal het doek maar op, doe het licht maar uit…!

Mijn geheugen is een schouwtoneel van een leven dat voorbij is en opnieuw, maar nu in een sentimentele variant, wordt opgevoerd. Het gevoel kruipt waar het niet gaan kan. Ik overdrijf. Ik ga schmieren in een draak van een toneelstuk. In ben mijn eigen dubbelganger, een komediant zonder gezelschap, een acteur tussen de schuifdeuren. Het nu vermengt zich met het toen. De tijd splitst zich elk moment in tweeën: in de feiten en het gevoel. Het is een voortdurende verdubbeling van de werkelijkheid die vervolgen door elkaar gaat lopen als de inkt in een aquarel. Geen spoor van ellende, maar een spoor van nostalgie. Tot vervelens toe. Hoe krijgt mijn brein dat telkens weer voor elkaar?

‘In ons brein schijnt een bijzonder gebied te bestaan dat je het poëtisch geheugen zou kunnen noemen en dat registreert wat ons heeft betoverd, ontroerd, wat ons leven mooi heeft gemaakt.’

Aldus schrijft Milan Kundera in zijn roman De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Ik zou dat gebied op een hersenscan wel eens in beeld willen zien, al ben ik bang dat de wetenschap de coördinaten in het brein niet zal weten te vinden. Waar bevindt zich de twilight zone van de melancholie? Was is de exacte locatie van dat onbestemde overgangsgebied, dat niemandsland dat zich ergens moet bevinden tussen een ruimtelijke onmiddellijkheid van een afdruk en het spoor van een tegenwoordigheid die voorbij is. Zou het zo kunnen zijn dat deze bijzondere zone in het brein iets van doen heeft met het ideaal waar de kunst in de jaren zeventig naar op zoek ging? Die onmogelijke poging om de tijd zelf in een kunstwerk te annexeren en te impregneren met de melancholie van de herinnering.

Ik zie een foto van mezelf en herinner mij de zomer van 1975. Mijn God, wat was ik nog jong. De ’seventies’ waren al aardig opstreek en er lagen mooie jaren in het verschiet. De seventies zijn weer helemaal in. Het design uit die tijd stijgt in waarde. Vroeger kon je nog wel eens zo’n gruwelijke oranje bol-lamp kopen voor een habbekrats, maar dat is verleden tijd. Mensen verlangen kennelijk terug naar een tijd van vrijheid. Zo’n soort verlangen is ook veel veiliger dan het nastreven van vrijheid, want dat is tegenwoordig niet zo makkelijk meer met al die fatsoensrakkers en terreurdreigers. De jaren zeventig waren de jaren van de vrijheid. Nog nooit in de geschiedenis had een hele leeftijdsgroep zich zo massaal en resoluut afgezet tegen de beklemmende waarden van een oudere generatie.

Ikzelf koester geen heimwee naar the seventies, maar het is wel een tijdvak dat me intrigeert. In deze periode van mijn leven was ik vooral met mezelf bezig. Achteraf heb ik wel er wel eens spijt van dat ik toen te weinig intens geleefd heb, maar de dingen komen zoals ze komen. Dankzij die roerige jaren zijn we nu vertrouwd met fenomenen als inspraakprocedures, studentenacties, vrouwenemancipatie, het openbare groepsdebat en de permanente educatie. Samen met al die bakkebaarden van toen zijn ook heel wat idealen verdwenen.

Het was een tijd van polarisatie. De bomen groeiden nog in de hemel. Er bestond nog een alternatief. Tegenwoordig lijkt elke uithoek van het bewustzijn te worden gekoloniseerd door het mondiale spektakel van de massamedia en de eeuwige mantra van economische groei. En toch, ook de jaren zeventig kenden hun benauwenis. Het was ook een tijd van nostalgie, ondanks alle vernieuwingsdrang. ‘Still crazy after all those years’, ‘Killing me softly’, ‘Vluchten kan niet meer’, schreef Annie M.G. Schmidt. En elke zondagmiddag daalde laag boven Buitenveldert gierend een DC 9

Toen ik in 1977 begon als stafmedewerker beeldende kunst bij de Fryske Kultuerried, stond Friesland – ook in de Randstad – zeer goed bekend als het gaat om beeldende kunst. Dat kwam niet alleen door het spraakmakende beleid van Thom Mercuur in het toenmalige Museum ’t Coopmanshûs, maar ook door de vele goede kunstenaars die hier woonden en die landelijke bekendheid hadden verworven. Willem van Althuis, Harmen Abma, Eja Siepman van den Berg, Cyril Lixenberg, Zoltin Peeter, Franck Gribling, Geertje van Oudheusden, Lode Pemmelaar, Geert Duintjer, Geert van Fastenhout, Fritz Rahmann , Silvia Steiger, Ramon van de Werken… afijn, noem maar op. De meesten van hen kwamen van elders, maar ook Friesland zelf leverde een nieuwe generatie af die er mocht zijn: Sjoerd de Vries, Henk Lampe, Sies Bleeker, Ids Willemsma om maar eens een paar namen te noemen. Eigenlijk kun je stellen, dat het kunstklimaat in 1977 in Friesland beter was dan ooit te voren, en dat het daarna nooit meer zou worden zoals het toen is geweest.

Ik kan me nog goed een groot tuinfeest herinneren dat Ramon van de Werken organiseerde in de zomer van 1979. Iedereen was daar aanwezig die iets voorstelde in het Friese kunstwereldje van die tijd. Het was een soort verlate Summer of Love. Eindelijk Flower Power in Friesland. In het toen veel gelezen lifestyle magazine Avenue had kort tevoren een grote reportage gestaan over de idyllische kunstscene in Friesland. Die middag leek die idylle bewaarheid te worden. Er werd gemusiceerd, gedanst en gepicknickt, een soort Woodstock in het klein, maar dan in Driesum. Waar is die mooie tijd gebleven?

Als 41 jaar in je beleving 100 jaar lijkt te zijn, dan gaat de tijd langzamer naarmate je ouder wordt. Douwe Draaisma schreef ooit een prachtig boek over het tegendeel, over de versnelling van de tijd bij het ouder worden. Ik weet wel dat dit zo is, die versnelling van de beleefde tijd, maar dat neemt niet weg dat het verleden soms heel ver weg lijkt, verder dan de jaren in feite zouden doen vermoeden. Het is dus meer een kwestie van afstand, dan van snelheid die hier in het geding is. De jaren zeventig lijken voor mij momenteel heel ver weg, alsof ze ergens achter een gebergte liggen, waar ze nooit meer achter vandaan komen. Tegelijk is de afstand in tijd ook een heel dubbelzinnig begrip. Een tijd kan heel ver weg zijn, en toch terugkeren. De Middeleeuwen bijvoorbeeld waren in de 19de eeuw heel dicht bij. Nu zijn ze weer heel ver weg.

Ik heb het idee dat de jaren zeventig nu voor mij naar mij toe bewegen. Ze komen dus dichterbij, terwijl ze juist heel ver weg zijn. Dit is dus niet een kwestie van beleving van snelheid waarmee de tijd verstrijkt, het gaat eerder om de herinnering van beleefde tijd, die kennelijk in verschillende snelheden naar je toe (of van je af) kan bewegen. Het geheugen heeft dus een eigen veranderlijk tijd-universum, met wisselende snelheden, een innerlijk universum dat niet zozeer met het ouder worden als zodanig van doen heeft, als wel met de mate van herkenning die het verleden oproept in het heden.

Hoe komt het toch dat foto’s uit een bepaalde tijd achteraf allemaal op elkaar gaan lijken. Allereerst natuurlijk door de kleuren die mettertijd gaan vervagen en stilaan exact de juiste patina krijgen die hoort bij de Zeitgeist. De foto, die hierboven is te zien, hoort bij het midden van de jaren zeventig. Ik was 27 jaar/ Het gebleekte spijkerjasje zit strak, te strak wellicht. Achteraf vraag ik me af, hoe ik daar in ben gekomen. Kennelijk was het een wat frisse dag, want ik had een schipperstrui onder mijn spijkerjasje. Die raakten toen helemaal in, schipperstruien. Je moest natuurlijk wel een echte hebben en die verkochten ze in een winkeltje op het Spui. Daar kon je ook echte rubberen bootlaarzen krijgen, van die groene. Mijn schipperstrui is zeker wel twintig jaar meegegaan. Misschien ligt hij nog wel een ergens in een kast. Het bloemetjesoverhemd daaronder hoorde bij de outfit waarin ik getrouwd ben. Dat gebeurde het jaar daarvoor, in 1974, geheel in de stijl van de seventies.

Het was een softe tijd vol nostalgie naar een verleden dat nooit had bestaan. De tijd van de mooie lampjes uit grootmoeders tijd die het goed deden bij de letterbak, de asparagus, de papyrus en de citroengeranium. Kamerplanten en cocoonen dat was het helemaal. De kamer had kurken wanden afgewisseld met Spaans stucwerk op de muur. Een grenen houten eettafel met bijpassende banken en op de vloer rieten tegels uit Genemuiden. Ik wilde altijd nog zo’n grote rieten stoel, waar Sylvia Kristel in zat in de film Emmanuelle. Zo eentje met een hele hoge, ronde leuning. Iedereen wilde zo’n stoel, Het was icoon, een tijdsbeeld van een tijd die het hier en nu wilde ontkennen, de tijd van de twilight zone.

Joey Dyser zat ook in zo’n stoel, toen ze 100 years zong. Dat was heel even een hit in dat jaar 1975. Nooit meer wat van gehoord, die Joey Dyser. Inderdaad, het lijkt allemaal wel honderd jaar geleden. Ze speelde zichzelf op die rieten stoel, als in een film die je al eens eerder had gezien. In de videoclip waarin ze acteerde wist ze een onbestemd gevoel op te roepen, iets tussen authenticiteit en de schaduw daarvan. Het waren beelden ‘op de huid van de tijd’, zoals dat heet. Maar waar zong ze eigenlijk over? Het was de tijd… de tijd die voorbijging. Nu pas begrijp ik de woorden van de tekst. Nu pas zie ik het toneelstuk terug. Ik zie mezelf weer op de planken. Ik zie mezelf terug op die ene foto uit een tijd die voorgoed voorbij is. Ik speelde mezelf en dat doe ik nog steeds. The other day I felt so young….

2 Reacties »

  1. Cisca de Bruyne

    19 juli 2016 op 18:38

    Hierbij mijn laatste essay aangaande de Bataille wedstrijd over exessen.

    Je had een doosje bonbons voor ons meegenomen uit de Rue Marie Pape-Carpentier,
    dat was lief van je, je weet hoe belangrijk die avondjes voor me zijn met mijn vriendinnen
    van de academie.
    Ik had de tafel in het midden van de kamer geschoven,
    gedekt met wit damast en zilver van mijn moeder.
    Verder stonden er witte roosjes op tafel, veel kaarsen, de glazen en de Bourgogne Aligoté,
    de Seguret stond op de rand van het bed te chambreren.
    Ik was in mijn sas, alles onder controle, laat maar komen.

    Jij deed de deur open, onmiddellijk vlogen de armen, de monden en de bloemen
    in een gekakel door het mini-halletje.
    Je fluisterde in mijn oor,
    ik schenk jullie eerste glas in, dan ben ik weg,
    veel plezier, lief,met een zwaai van je tong verliet je stem mijn oor.
    Net toen ik van plan was garnalen in pastis te halen, kom je binnen,
    de garnalen op een zilveren schaal en de boel in de flambé,
    jij naakt in een klein schortje.
    Pure schoonheid boven dat vuur, ik houd van elk celletje van dat lijf erachter
    gehuld in een verleidelijke blik.
    We klapten en moedigde je aan nietsverhullend op te dienen.
    Hoe heerlijk dit te delen met de vrouwen die me dierbaar zijn.
    Er werd dik gelachen en Flo, die op noord zat, gaf een paar flinke tikken op je bil.
    Je blik gleed in het decolleté van Aline en voor straf liet ze je voor haar knielen,
    spreidde ze haar benen en mocht je haar Agent Provocateurtje kussen.

    Het gesprek was verhit, Beecroft, Freud, Bataille.
    Het bloesjes van Chantal stond open, de wind speelde met de transparante stof,
    speelde met haar kleine borsten.
    Na de lamsbout kwam je de tafel afruimen, schonk de glazen bij voor de kaas.
    Marie , die op zuid zat, legde stil haar hand op je onderarm, keek je dwingend aan
    en zei: op de tafel.
    Mocht je gewild hebben, je kwam hier niet onderuit, we schoven de schalen opzij,
    het rook nog heerlijk, het rijkelijke vocht van het lamsvlees vermengd met verse oregano.

    Andersom, zei de stem van Marie zacht.
    Ik keek stil wat er gebeurde maar je was voor zeker de lekkerste bout
    die ooit op tafel had gelegen.
    Iemand legde een boek onder je hoofd zodat je zelf goed kon zien wat er gebeurde.
    Aline bond je handen noord-oost en noord-west aan de tafelpoten
    en Marie deed dat op zuid.
    Flo likte haar mes met lange halen af en legde het tegen je tepel
    of ze hem fonkelend wilde afsnijden.
    Ze leek zich te bedenken, ze boog zich voorover, haar rokje zat om haar middel,
    haar borst lag tegen haar wijnglas, ze beet op je tepel.
    Hard, ik zag bloed, maar je gaf geen krimp.

    Ik boog over de tafel en likte je bloed, ik kan niet anders, er zit geen meesteres in mij.
    Feline ontfermde zich over je ballen, ik was een beetje jaloers,
    mijn eerstelingen,
    ik wilde haast ingrijpen toen ze er een haar uit trok,
    ik sloot mijn ogen even en resette in het spel.

    Rode nagels plantten oregano op je buik, goten vette jus in je navel.
    Hij richtte zich maar niemand gaf hem aandacht, soms viel hij even een beetje om
    maar dan herstelde hij zich snel.
    Suze groef gootjes met haar nageld door de binnenkant van je dijbeen.
    Het was net een kleine jongen, steeds dat vallen.
    De kloek in mij had hem in mijn handen willen nemen,
    hem leiden naar de top maar ik liet hem aan het lot over,
    gegooid door mijn vriendinnen van de kunst.

    De wijn werd over je leeg gegoten.
    Flo klom op de tafel hurkte boven je, doneerde je haar cream.
    Ze leek een beetje op een aapje nu ze daar zo vrolijk zat te kijken.

    De bel ging, ik deed open.
    Je had me weer eens opgenaaid.

  2. Huub Mous

    19 juli 2016 op 18:53

    Tja, zo kan het weer Virginie. En nu snel naar de keuken want de aardappels branden aan.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)