Jentsje Popma verdient een biografie

Slide1
Jentsje Popma in 1957, bij het ontwerp voor het nieuwe gebouw van het telefoondistrict in Leeuwarden (foto: Sjoerd Andringa)

‘Popma groeide op in Leeuwarden in een 
gezin dat worstelde met de crisisomstandigheden. In 1939 werd hij toegelaten tot de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunsten. 
Daar maakte hij ook het bombardement van 
Rotterdam mee. Die ervaring en de armoede 
waarin hij leefde, hebben hem als kunstenaar 
beïnvloed. In 1943 en vervolgens van 1945 tot 
en met 1949 studeerde hij aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.
Ook daar bepaalde armoede zijn dagelijks 
leven, maar dankzij zijn grote talent hield hij 
zich staande. Hij behoorde tot de laatsten die 
in de figuratieve traditie werden geschoold, en 
de omslag naar abstractie kwam voor Popma 
net op het moment dat hij rekende op de Prix 
de Rome, die hem voor vier jaar van inkomsten en onderdak zou voorzien. Directeur van 
het Stedelijk Museum Sandberg oordeelde
echter dat de studenten van de Akademie met eigen, vernieuwend werk moesten komen. 
Zonder thuisatelier maakte Popma geen kans. Opdrachten bleven uit en zo dreef armoede Popma terug naar Leeuwarden.’

Aldus schrijft Erik Betten in het rapport Schone slapers, Inventarisatie van verdwenen en nog aanwezige monumentale wandkunst in Fryslân (1945-175). Dit rapport werd vanochtend gepresenteerd in Tresoar. Voorafgaande aan de presentatie sprak ik nog even met Erik Betten en we hadden het onder meer over Jentsje Popma. Erik vertelde dat Popma ook tekeningen heeft genaakt van de ravage in Rotterdam na het bombardement. Die tekeningen moeten nodig eens geëxposeerd worden, denk je dan. Waarom niet in het Fries Museum?

Jenstje Popma heeft met zijn 94 jaar nog altijd een goed geheugen. Zelf heb ik hem tweemaal uitgebreid mogen interviewen in de aanloop van mijn boek De kleur van Friesland. Ook toen viel het me op hoeveel boeiende verhalen deze man te vertellen heeft over de oorlog, maar vooral ook over de naoorlogse periode. Over de tijd dat hij ondergedoken heeft gezeten, over zijn eerste opdrachten, over mevrouw Faber en Aiko van Hulsen, over ‘it Boun van Fryske Keunstners’ en de wijze waarop die ten onder ging,  over het verdwijnen van de collectieve symbolen, over de verschraling van de kunst…. Deze verhalen worden alleen maar actueler in deze tijd, waarin het woord ‘mienskip’ vaak al te makkelijk in de mond wordt genomen. Jentsje Popma maakte zijn monumentale kunst in een periode waarin men nog werkelijk geloofde dat kunst voor de ‘mienskip’ bestemd moest zijn.

Jenstje Popma is een levend monument van de wederopbouw. Hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de naoorlogse monumentale kunst. Zo’n man verdient zelf een monument. Als dat geen tentoonstelling in het Fries Museum mag zijn, laat er dan toch op zijn minst een gedegen biografie van dit boeiende kunstenaarsleven verschijnen. Erik Betten lijkt me een uitstekende auteur die zo’n opdracht tot een goed einde zou kunnen brengen. Bij deze richt ik dan ook een dringend verzoek aan alle culturele instanties in Leeuwarden ( die zo graag willen samenwerken, maar dat zo zelden doen) om gezamenlijk aan Erik Betten een dergelijke opdracht te vertrekken.

We kunnen nog tien jaar wachten natuurlijk met dit initiatief, maar dan zal Jentsje Popma er zelf wellicht niet meer zijn. Een unieke bron van informatie over de tijd van de wederopbouw is dan verloren gegaan. Dat is de tijd waarover iedereen (behalve het Fries Museum) nu van alles wil weten. Wat zou het mooi zijn als die biografie van Jentsje Popma op 30 september 2021 het licht zou kunnen zien. Dan wordt Jentsje Popma honderd. Bij leven en welzijn. Het is hem niet alleen van harte gegund, hij verdient zo’n biografie als geen ander.

Reageren is niet mogelijk.