Jentsje Popma in de jaren vijftig

Slide1

Het nieuwe centrum was in feite vanaf de eerste dag een succes. Vijf maanden na de opening hadden al meer dan 8000 bezoekers de weg naar de Prinsentuin weten te vinden, waarbij de zomerse toeristen gemakshalve werden meegerekend. Maar ook in de wintermaanden bleef het centrum belangstelling trekken. Die bruisende activiteit stond in schril contrast met de materiele mogelijkheiden die voor kunstenaars beschikbaar waren. Materialen waren relatief duur, er werd niet veel verkocht en atelierruimte was moeilijk te krijgen. Een atelierbeleid voor kunstenaars bestond in feite nog niet. Dat kwam pas in de loop van de jaren vijftig schoorvoetend van de grond. Cultuurwethouder Tiekstra van Leeuwarden maande eind jaren vijftig in een openingsspeech in de Prinsentuin de Friese kunstenaars tot meer initiatief en stelde dat zij maar eens in Amersfoort moesten gaan kijken, omdat daar alles zo goed geregeld was. Bij Jenstsje Popma schoten die woorden in het verkeerde keelgat. Nadat hij hem er fijntjes op had gewezen dat het in Amersfoort vooral Friezen waren die in het bestuur zaten, hield hij een krachtig pleidooi voor meer atelierruimte om te voorkomen dat Friese kunstenaars massaal uit Friesland weg zouden trekken. Sommigen deden dat ook zoals Gerrit Benner en Auke Hettema die naar Amsterdam vertokken en Auke de Vries die Leeuwarden voor Den Haag verruilde.

Uit: De kleur van Friesland, Beeldende kunst na 1945 (2008).

Zie ook: Wêrom it wurk fan Jentsje Popma net yn it Fries Museum hinget

Reageren is niet mogelijk.