Het vreemde verdwijnen van de mystiek

Slide1

‘Het wegvallen van het geloof in de puberteit kan een leegte achterlaten die zich niet meer vult, een soort brandgat in het bewustzijn. Vaak heb ik mij afgevraagd wat de betekenis is geweest van mijn psychotische waan. Wat waren die beelden waard die destijds in mijn hoofd opkwamen? Kwamen ze van elders of diep uit mezelf? Zijn het brokstukken geweest van een eeuwige mythe, flarden misschien van oude archetypen die altijd al in de dromen van de mens hebben rondgespookt? Of was het slechts een weefsel van literaire reminiscenties of erger nog, een in elkaar geknutseld samenraapsel van vage indrukken in het hier en nu? Wat hebben dit soort messianistische grootheidswanen van doen met een plotseling breukvlak in de cultuur? Moet je dit alles alleen verklaren vanuit een verstoorde ontwikkeling van het individu, of is er ook een andere verklaring mogelijk, een verklaring die gezocht moet worden in dieptepsychologisch, sociologisch, theologisch of misschien wel antropologische verband?’

Aldus schreef ik vijf jaar geleden in het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011). Godsgeloof berust op een vicieuze cirkel, omdat elk argument ter ondersteuning van dit geloof wordt ontleend aan het geloof zelf. Het godsgeloof is dus een waan, niet meer en niet minder. Het is een van bovenaf gelegaliseerde waan die eeuwenlang voor gezond verstand is versleten. Een verlate wensdroom van almacht, geprojecteerd op een illusoire oervader. Een projectie die alleen te verklaren is door de relatief lange periode van onmacht in de vroege jeugd van de diersoort ‘mens’. En toch, naarmate dit geloof voor mij steeds verder achter de horizon verdwijnt, neemt mijn nieuwsgierigheid alleen maar toe. Deze paradoxale belangstelling krijgt soms de trekken van een obsessie. Het is – om met Frans Kellendonk te spreken – ‘alsof er een gat in mijn bewustzijn zit, waar God precies in zou passen’.

De Rooms-Katholieke Kerk verkeert momenteel in een enorme crisis. Van oudsher had zij een monopolie op de seksuele moraal, maar het kindermisbruik van geestelijken heeft er toe geleid dat de Kerk op dit terrein elk gezag kwijt is. Vooral in Nederland wordt deze kritiek vaak scherp naar voren gebracht. Nederlanders zijn sinds de jaren zestig de grootste criticasters geweest van het halsstarrige beleid van het Vaticaan. In de jaren zestig waren het de katholieken zelf die kritiek leverden en tegenwoordig zijn het de verlichte intellectuelen buiten de kerk. In de jaren zestig werd vaak een vergelijking gemaakt met de Reformatie. De vernieuwingsgolf van het Tweede Vaticaans Concilie en de wijze waarop die in Nederland werd opgepakt bracht menigeen op de gedachte dat de Katholieke Kerk aan de vooravond stond van een Tweede Reformatie. Hoe kon die Tweede Reformatie een halve eeuw geleden zo de soep in lopen? Heeft de crisis van nu soms iets te maken met de crisis van toen?

‘In de officiële kerken is een grote religieuze armoede. Op de 
kansels praat men over Vietnam en democratisering, omdat men 
over God niets meer te zeggen heeft, niet alleen omdat men geen 
religieuze ervaring heeft, maar omdat men ook de geschriften 
van de grote geestelijke schrijvers en mystieken, die wel deze 
ervaring hadden, niet meer kent. Die religieuze armoede – welke 
soms gepaard gaat met heftige theologische discussies – kon 
weleens te maken hebben met het feit dat onze zintuigen verstopt zijn.’

Zo werd in 1970 de crisis van destijds samengevat door Han Fortmann in zijn boekje Oosterse Renaissance dat in 1970 verscheen. De kruitdampen van het grote gevecht om vernieuwing waren net wat opgetrokken en de grote restauratie kon beginnen. Door het benoemen van Gijsen en Simonis tot bisschop, dacht Rome de opstand onder Nederlandse katholieken te kunnen neerslaan. In zijn boek Verlangen naar vernieuwing, Nederlands katholicisme 1953-2003 (2012) citeert Maarten van den Bos deze woorden van Fortmann en brengt ze in verband met een oproep die Simonis vrijwel gelijktijdig had gedaan. De Nederlandse kerk zou van een pratende kerk weer tot een biddende kerk moeten worden, zo had Simonis beweerd. Zowel Fortmann als Simonis leken het erover eens ‘dat in 
de Nederlandse katholieke kerk niet langer het geloven in God centraal 
stond, maar het geloven in een betere wereld.’ Ook Gerard Reve heeft zich in de jaren rond 1970 vaak in deze zin uitgelaten. De revolte was uitgelopen in een praat- en discussiegolf, maar de mystiek en de verinnerlijking waren voortaan ver te zoeken.

Was dat een symptoom van de tijd of een manco van de Nederlandse katholieken? Simons koos voor de tweede oorzaak, Fortmann voor de eerste. Hij zag grote verbanden tussen de toenmalige crisis en het feit dat er in de westerse wereld geen traditie meer bestond die mensen kon verbinden met het mystieke. Daarom had hij zijn blik naar ‘het oosten’ gericht, 
de wereld van hindoeïsme en boeddhisme. Maarten van den Bos signaleert een diagnose die door progressieven en conservatieven destijds werd gedeeld, maar waarvoor verschillende verklaringen worden gezocht. Bovendien dreven die twee verklaringen steeds verder uit elkaar. Fortmann werd door de conservatieven niet geloofd, want zijn visie legde veel te veel aandacht bij de oosterse spiritualiteit. Bovendien was hij met zijn onderzoekingen naar de psychologie van de religieuze 
ervaring veel te vooruitstrevend geweest.

Slide1

Maar hoe zit het nu precies met dat verdwijnen van de mystiek bij de katholieken? Hoe is die biddende kerk binnen één decennium een pratende kerk kunnen worden? Hoe heeft zij de mystiek kunnen vergeten? Of beter gezegd: hoe hebben de progressieve katholieken destijds dit fenomeen over het hoofd kunnen zien, dat juist in die jaren een renaissance beleefde. Ik weet nog goed dat in 1968 Nederlands ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam. We kregen elke vrijdag een hoorcollege over middeleeuwse mystiek van Bert Paasman die later hoogleraar is geworden. Zijn eerste college begon hij met de constatering, dat anno 1968 aan jonge mensen niet meer uitgelegd hoefde te worden wat mystiek eigenlijk is. Dat wist iedereen in die tijd. Of tenminste, dat dacht men te weten. Tien jaar daarvoor, zo vertelde hij, was dat heel anders geweest. In de jaren vijftig was mystiek een verzonken cultuurgoed, zeker voor jongeren.

De crisis in de theologie werd in de tweede helft van de jaren zestig gedemocratiseerd en tot onderwerp verklaard van een brede maatschappelijke discussie. Deze theologische crisis ging volgens Fortmann gelijk op met een crisis van het religieuze symbool. Zo raakte de ware mystiek steeds verder uit beeld. Het mystieke aspect van de katholieke geloofsleer werd vermalen in een roep om verstaanbaarheid en begrijpelijkheid, terwijl de mystieke kern van het mysterie op deze manier juist onbegrijpelijk werd. De woorden van de liturgie werden vertaald in de volkstaal, zodat zelfs de priesters aan de waarheid van het mysterium fidei gingen twijfelen. Walter Goddijn, die in 1966 conciliesecretaris werd van het  van het Pastoraal Concilie in Noordwijkerhout, vatte de groeiende kloof tussen de theologische elite en het gewone kerkvolk als volgt samen:

‘Er is een grote tirannie van de gelovigen; ze houden verdomd veel tegen. Veel mensen weten eenvoudig niet wat er aan de hand is. Het moet expliciet gemaakt worden (….) Ideeën worden aan de top geboren.’

Die vaak geciteerde woorden bevestigen het beeld, dat de teloorgang van het Nederlandse katholicisme in de jaren zestig primair veroorzaakt werd door de intellectuele en kerkelijke elite die teveel met zichzelf bezig was. Het gewone kerkvolk had het nakijken, helemaal toen het autoritaire Rome orde op zaken stelde door het uitbrengen van twee conservatieve encyclieken in 1967 – Sacerdotalis Caelibatus (over het celibaat) en Humane Vitae (over de anticonceptie) – en een reeks uiterst controversiële bisschopsbenoemingen.

Slide1

Dat beeld van ‘het verraad der clercken’ wordt keer op keer bevestigd, recentelijk nog in het boek van Jos Palm, Moederkerk, De ondergang van rooms Nederland (2012). Het is een overtuigend beeld dat in feite berust op een sociologische analyse die niet of nauwelijks wordt getoetst aan de crisis die zich binnen de theologie zelf had aangediend, een discipline die – evenals de kunst – een intrinsiek onderdeel vormt van het maatschappelijke en culturele systeem. In de jaren zestig was er sprake van een crisis van het religieuze symbool die alles te maken had met het verdwijnen van transcendentie. Die crisis had een veel bredere draagwijdte en zou zonder ‘het verraad der clercken’ ook zijn verstrekkende gevolgen hebben gehad. Hoe dan ook, in dit theologisch debat op het scherp van de snede was de mystiek in de loop van de jaren zestig bij veel theologen uit beeld verdwenen, terwijl de mystiek in de subculturen juist omhoogschoot als onkruid tussen het asfalt.

Als op 13 december 1968 in Nijmegen het Titus Brandsma instituut wordt geopend, houdt de theoloog Schoonenberg S.J., die nauw betrokken was geweest bij de samenstelling van de Nieuwe Katechismus, een rede over Titus Brandsma’s Godsbegrip. Het wordt een nogal verwarrend betoog waarin vele namen de revue passeren, van Teilhard de Chardin tot Bob Dylan. Schoonenberg doet dan zelfs een vermetele poging om de rede van Brandsma uit 1932 opnieuw te bezien vanuit de actuele ontwikkelingen in de zogeheten ‘God-is-dood- theologie’. Toch slaagt hij er amper in om een actueel theologisch kader te creëren voor de herleving van Brandsma’s mystiek. Ook de naam van Gerard Reve blijft in deze tour d’horizon ongenoemd. Het is of de redenaar spreekt over een andere tijd, die ver achter de horizon ligt, en tegelijk blind is voor de tekenen van zijn eigen tijd die hij nog niet weet te verstaan. ’De dertiger jaren zijn eigenlijk voor ieder van ons ver en vreemd geworden,’ zo stelde Schoonenberg treffend vast.

De mystiek nam eind jaren zestig zijn toevlucht tot het onbewuste van het verweesde individu. Men zocht de verdoving van de mystiek, maar schrok terug voor de klare distincties die de mystieke taal ooit gekenmerkt hadden. Godfried Bomans, die in Nijmegen nog bij Titus Brandsma in de collegebanken had gezeten, was een van de weinigen die deze kloof onder zijn ogen zag ontstaan. In zijn dialoog met Michel van der Plas in het boek In de Kou (1969) wees Bomans keer op keer  op de vreemde omstandigheid, dat de mystiek opbloeide in popmuziek en jeugdcultuur, maar in de katholieke kerk vermalen werd in theologische scherpslijperij. De titel waarop men zich beriep om in deze tijd van geloofscrisis iets zinnigs te zeggen was ‘kennis’, zo verzuchtte hij: ‘Eigenlijk zouden op zo’n Pastoraal Concilie in Noordwijkerhout acht heiligen moeten opstaan, waarna de voorzitter nog drie mystici op de sprekerslijst zou moeten plaatsen.’

Bomans zag enerzijds een enorme honger naar mystiek en anderzijds een afbraak van het geloof in redelijkheid. ‘ …wat een contradictie schijnt. ‘ik zeg “schijnt” , want achter dat verwoede puinruimen zit vermoedelijk een even hevige drift, niet naar een nieuwe gebouwen, maar naar de warmte ervan. Men wil uitrusten van de redelijkheid, maar zonder voor die rust de prijs van de orthodoxie te betalen. Vandaar overal tekenen  van mystiek en tegelijk een inzakken van het geloof.’

Zo viel plotseling de spanning weg tussen de rationaliteit van het utopisch modernisme en de hang naar mystiek, die in het interbellum niet alleen in het modernisme zelf, maar ook in de nostalgie naar premoderne tijden tot uiting kwam. De tijd-as van het verlangen trok zich samen in een kortstondige heiligverklaring van het heden, waardoor de gedachte kon ontstaan dat Gods Koninkrijk in het hier en nu was aangebroken, niet alleen in ‘het magisch centrum Amsterdam’ met zijn provo’s en hippies, maar ook in een verre uithoek als het Friese Greonterp met zijn eenzame mysticus als een roepende in de woestijn.

Wie zich verdiept in de kortstondige periode na de oorlog, waarin het katholicisme ultramodern leek te worden, stuit vroeg of laat op een vraag, die ook op het werk van Reve naar voren komt. Hoe was het mogelijk dat katholicisme in de jaren zestig niet alleen de afslag naar de mystiek heeft gemist, maar ook de revival van een voorchristelijke natuurgodsdienst waarin de seksualiteit nog niet beladen was met schuld en boete? Het katholicisme werd geconfronteerd met het neoromantische, expressieve en authentieke adagium van een generatie die geen weet had van het debat dat al voor de oorlog was gevoerd. Zo viel de mystiek ten prooi aan een nieuwe, hedonistische tijdgeest. De relationele en sociale aspecten van de mystiek werden verdonkeremaand. Dat is een tragische ontwikkeling die het katholicisme heeft laten gebeuren. Men stond erbij en keek ernaar. Het katholicisme is uiteindelijk verstrikt geraakt in zijn eigen middeleeuwse hiërarchieën en machtsstructuren.

Deze top-down structuur was niet te combineren met nieuwe behoeften aan religieuze ervaring. Zo is het katholicisme uiteindelijk een fossiel geworden uit een voorgoed voorbije tijd. Een fossiel dat wonderlijk genoeg nog steeds het vermogen in zich heeft om nostalgie op te roepen. Maar die verdienste wordt eerder veroorzaakt door het radicaal-seculiere karakter van de huidige tijd, dan door het aanpassing- en herstelvermogen dat deze geloofsleer in zich draagt.

Het probleem waar vrijwel elke goedbedoelde poging die de mystiek wil revitaliseren op stuit, is dat mystiek geen zaak is van het individu op zichzelf, maar alleen mogelijk is binnen een gestructureerde gemeenschap op basis van een gedeelde geloofsleer. Zo niet, dan verzandt mystiek in modieuze vaagheden zoals,  zelfverwerkelijking, bewustzijnsverruiming of het opgaan in een kosmisch geheel. Mystiek moet alledaags zijn, of zal niet zijn, dat is de link die Gerard Reve met Titus Brandsma verbindt. Maar hoe alledaags kan de mystiek worden? Is het niet juist een overdosis aan alledaagsheid waarin de mystiek ten ondergaat?

1001004006420596

Mystiek is anno 2013 een kwestie van beleving geworden. Mystiek wordt tegenwoordig ingezet in het cultuurtoeristisch offensief waarmee de consument wordt belaagd in reisgidsen, fotoboeken en spirituele dag- en weekendtrips. Spiritueel toerisme is de laatste verschijningsvorm van de mystiek voordat zij in onze permanente vakantiemaatschappij voorgoed achter de horizon verdwijnt. Er lopen grillige lijnen tussen historische en hedendaagse vormen van pelgrimage, tussen het ritueel uit het verleden en het cultuurtoeristische alibi van vandaag. Ook al maakt de pietas van de pelgrim alom plaats voor de seculiere devotie van de hedendaagse toerist, de drang tot restauratie wordt er niet minder om. De verering van een heilige plaats in de natuur komt al voor in de meest  primitieve cultuuruitingen van de mens. In een recente publicatie over mystieke plekken in Nederland, België en Duitsland las ik het volgende:

Wat is mystiek? Wat zijn mystieke plekken? In feite wordt men plotseling geraakt door de schoonheid van de natuur of men voelt zich sterk verbonden met een bepaalde plek. Het ervaren van een mystieke plek is echter heel persoonlijk. Dit fotoboek is gemaakt naar aanleiding van een tweeeneenhalf jaar lopende wisselexpositie in Zaandam ‘Mystiek Moment’. De foto’s zijn gemaakt op mystieke, magische of spirituele plekken. Het is de bedoeling van de auteurs om mensen op bepaalde plekken rust te kunnen laten ervaren. Verschillende mystieke plekken in Nederland (16), België (3) en Duitsland (6) zijn gefotografeerd en voorzien van een inleiding. In Nederland vindt men bijvoorbeeld in Heiloo de Willibrordusput.

Kortom, de uitersten zijn elkaar gaan raken. Het vreemde verdwijnen van de mystiek creëerde de ruimte voor de exploitatie van het gemis. In de toeristische beleving van mystieke plekken ervaart de post-seculiere mens nog iets van zijn verloren roots. Zijn bezieling keert terug in de beleving van het heimwee. Zo heeft ook de crisis binnen de katholieke kerk alles te maken met het verdwijnen van de mystiek. Maar daarmee zijn nog lang niet al mijn vragen beantwoord. Wat is er precies in de jaren zestig gebeurd, zodat God ook uit mijn eigen wereldbeeld verdween?

De intense ervaring van de contingentie van het bestaan staat haaks op het zich geborgen voelen in de wereld, zoals ook een intens gemis van God de keerzijde kan zijn van een gewaarwording van sprakeloosheid, waar mystici over spreken. Niets kan het bestaan van God verklaren of legitimeren. Sterker nog, als ik Hem ooit in een blinde steeg zou tegenkomen, dan sta ik niet voor mezelf in. Ik zou hem plat op de bek slaan.

24 Reacties »

  1. Jelle Breuker

    29 april 2016 op 09:12

    Eddy Drost, nei oanlieding fan dyn fraach fan juster oft ferskes literêr wêze kinne: de kâns is it grutst ast it persoanlik foarnamwurd ‘ik’ mijst. Namste better slútst gauris nearzich egosintrisme út dat foaral Ingelske en Ingelsktalige lietsjes bedjert en litst de ferbylding fan chansons sprekke. It ferskil yn risseltaat is folle grutter as it lytse taaltechnyske ferskil. De skriuwer fan chansons twingt himsels ta mear kreativiteit en fantasy, ta poëzy.
    Dat de muzykwrâld lykwols ferjûn is fan Ingelsktalige teksten seit in soad oer it mankearjen fan ferdjippe yndividualiteit by legers saneamde popleafhawwers. Sûnder der sels erch yn hawwen. Fansels, se binne by de tiid.

  2. josse de haan

    29 april 2016 op 12:57

    Goemiddei Jelle,
    neffens my binne lju as Bob Dylan, John Lennon en Joan Baez grutte poëten. Ast harren teksten analysearrest hast literatuer puer, it makket har frij fan de tiid dat it publisearre is.
    Mei oare wurden, de Fersen/songs bliuwe.

    En noch wat: in ik-roman hoecht net minder te wêzen as in hy- of in sij-roman. De ik-poëzy fan Szymborska is poëzy om jin mei te identifisearjen – har ik kin myn ik wêze. En dat spilet neffens my ek mei pop-songs…as it poëzy is.
    Groet, Josse

  3. Eddy Drost

    29 april 2016 op 13:06

    Beste Jelle,

    Het aantal mensen dat enigszins redelijk uit de voeten kan met Engels is natuurlijk veel groter dan het Frans. Voor de popmuziek is die markt dan ook veel aantrekkelijker. Het is nog niet zo eenvoudig om in een taal anders dan het Engels een wereldhit te schrijven. Zeg maar hetzelfde als het voor een Frysktalich liedje is om een nummer 1 notering in Nederland te halen. Volgens mij is dat alleen ‘Twarres’ gelukt.

    Het woord ‘ik’ weg laten in liedjes maakt het inderdaad meer algemeen. Daar heeft u gelijk in. Dat chansons in veel gevallen een ‘rijkere’ tekst hebben dan Engelse liedjes ben ik ook met u eens. Die liedjes worden tevens met een andere- en diepere intensiteit gezongen. Er zit meer ziel in. Te veel zangers (zangeressen) zingen te veel met hun stem, maar te weinig met hun ziel. In welke taal dan ook: een liedje zonder ziel maakt geen schijn van kans. In muziek moet je een gevoel overbrengen en je daar bij de opname van een liedje op concentreren. Teveel producers willen het zo ‘mooi’ zo ‘zuiver’ en zo ‘perfect’ mogelijk opnemen. De kans op succes is dan nihil.

    Dan nog even naar verhalen in boekvorm. Ook daar wordt er niet veel in ik-vorm geschreven. In mijn ogen wel jammer. Het geeft naar mijn mening een bepaalde vertrouwelijk band tussen schrijver en lezer. Een lezer moet zich ‘thuis’ voelen in een boek en het mee leven. De meeste schrijvers durven niet in ik-vorm te schrijven heb ik weleens het idee.

    Agatha Christie schreef ‘Who murdered Roger Aykroyd’ ( 1926 ) in ik-vorm. Een dokter vertelt het verhaal. Wie heeft het uiteindelijk gedaan? De dokter zelf! Je moet er maar op komen.

    Noch gjin waar foar de tùn.

    Freonlike Groetnis,
    Eddy

  4. Jelle Breuker

    29 april 2016 op 14:33

    Josse de Haan en Eddy Drost: tank foar jim reaksjes. Mei jimme bin ik it iens dat proaza, skreaun yn de ik-foarm, prachtige literatuer wêze kin. It ‘ik’ kin in organysk plak krije tusken de oare wurden, sûnder dominânsje. Mei poëzy leit dat yn myn tekstanalize en gehoar dochs oars.
    In inkeld fers fan Bob Dylan, al of net yn de ik-foarm, kin ik (tige) wurdearje, meastal net om de behyplike tekst mar om syn wat ûngemaklike stim en de myzyk: it ritmysk refrein. John Lennon en Joan Baez ha’k gjin oardeel oer, oars as dat ik ea fûn haw dat se te fanselssprekkend links sjonge en dêryn like behurde binne as ik yn myn argewaasje oer Europeanen dy’t yn elke net-blankkleure in nommel en tagelyk ferhûddûke mins sjogge.
    Drost hat gelyk: de siele – en de oertsjûging- mist yn in soad fersen.
    Wat de tún oangiet, de wede bloeit hast, like geel as koalsied en fan ’t hjerst sil ik út de woartels de blauwe ferve helje dêr’t earder de Frânske gala-marinebroeken mei kleure waarden. Égalité, bliksem.
    Dan binne de deadlik giftige beien fan de wolfskers (belladonna) ek ryp, dat ik haw noch de tiid om in slachtoffer te kiezen.

  5. Eddy Drost

    29 april 2016 op 14:53

    Beste twa J’s,

    Liedjes zijn natuurlijk gezongen gedichten. Daar heb je natuurlijk ook Sinterklaas gedichten ( zie de site http://www.ensafh.nl ) en gedichten van bijvoorbeeld Dante en Oscar Wilde.
    Wel is het zo dat het rijmen veel meer wordt toegepast in liedjes dan in gedichten. Een lied dat niet rijmt ligt absoluut niet goed in het gehoor en wordt geen succes. Dichters hebben meer vrijheid al ligt mijn voorkeur bij gedichten die wel rijmen.
    De grens van de ‘dichterlijke’ vrijheid’ wordt naar mijn idee te vaak overschreden door het rijmen weg te laten. Door wel te rijmen wordt er meer gevraagd van een dichter. Niet rijmen is vluchten!
    Dante’s ‘Inferno’ is in het Italiaans geheel op rijm geschreven. Onvoorstelbaar knap!

    Groetnis
    Eddy

  6. Keu

    29 april 2016 op 22:26

    Liedjes zijn over het algemeen verhaaltjes op muziek, geen gedichten.

  7. Eddy Drost

    29 april 2016 op 23:38

    Keu,

    Dat is niet zo. Liedjes zijn lang niet altijd een verhaaltje. Imagine bijvoorbeeld kunnen we toch moeilijk een verhaaltje noemen… Liedjes in verhaal vorm zijn overigens vaak wel leuker om te beluisteren dan wat ik dan noem een gedicht op muziek. De tekst gaat ergens naar toe. Hoe loopt het af? Je kan Imagine ook heel goed als een gedicht lezen. Poëzie, maar dan gezongen. Veel meer liedjes zijn geen verhaaltje dan wel.

  8. Keu

    30 april 2016 op 00:05

    In het algemeen zijn het toch echt verhaaltjes. Bob Dylan – om maar eens iemand te noemen – doet (bijna) niet anders dan verhalen vertellen. Imagine is in de popmuziek een van die uitzonderingen die de regel bevestigen. Imagine – er zijn uiteraard meer voorbeelden – kun je lezen als een gedicht maar dan is het toch weinig meer dan een kerstgedachte.

  9. Eddy Drost

    30 april 2016 op 00:12

    Het heeft geen zin om met voorbeelden te gaan komen. In mijn beleving zijn er veel meer geen verhaaltjes dan wel verhaaltjes. Misschien maar net waar je naar luistert.

  10. Keu

    30 april 2016 op 00:13

    Noem mij maar eens een nummer van Johnny Cash dat geen verhaal is maar een gedicht. Je kunt lang zoeken.

  11. Keu

    30 april 2016 op 00:18

    Jij komt met het voorbeeld van Imagine, ik niet.

  12. Keu

    30 april 2016 op 00:28

    En als je kijkt naar je eigen teksten, dat zijn toch ook verhaaltjes?
    (Niet neerbuigend bedoeld)

  13. Eddy Drost

    30 april 2016 op 00:29

    Je leest mijn laatste anders dan ik bedoelde. Ook het noemen van een artiest heeft geen zin. Wij verschillen van mening. Duidelijk.

  14. Keu

    30 april 2016 op 00:34

    Duidelijk? Duidelijk is dat je nooit je ongelijk toe zult willen geven.

  15. Eddy Drost

    30 april 2016 op 00:36

    Dan verschillen wij van interpretatie van wat een verhaaltje is. Van de liedjes die op mijn Blog staan zijn er maar enkele een verhaaltje in mijn ogen.

  16. Keu

    30 april 2016 op 00:40

    Whatever

  17. Eddy Drost

    30 april 2016 op 00:43

    Ik ken de tekst van San Quentin niet uit mijn hoofd, maar het is in mijn optiek geen verhaaltje. Je laatste reactie is onjuist, een beetje vreemd en ongepast. Ik reageer niet meer.

  18. Keu

    30 april 2016 op 00:44

  19. Keu

    30 april 2016 op 01:34

    Nee, reageer maar niet meer als je denkt dat San Quentin geen verhaal maar een gedicht is.

  20. J.W.Robert Kruzdlo

    1 mei 2016 op 16:43

    Keu heeft gelijk. Als ik een gedicht schrijf denk ik aan een verhaal dat een gedicht moet worden en dus, was het verhaal er eerst. Het proza-poëzie zijn twee delen die altijd een zijn. Als ik een verhaal schrijf kan daar best een gedicht uit voortkomen. Een gedicht is een verhaal in dichtvorm.

    Gr. Robert Kruzdlo USA Maine

  21. Eddy Drost

    2 mei 2016 op 13:47

    J. W. Robert Kruzdlo,

    In mijn optiek is een verhaaltje iets wat een begin en een eind heeft. Iets van: ik sta op, eet, naar werk, pauze, werk, naar huis, eten en naar bed. De beschrijving van een gebeurtenis

    A boy named Sue is dus wel een verhaaltje. Het heeft een begin en een eind.

    Als je sec naar de teksten van liedjes kijkt zullen er ongetwijfeld prachtige gedichten tussen zitten.

    Maar iedereen is vrij daar zijn uitleg aan te geven. Een zinloze discussie zonder enige echte inhoud.

    Tenslotte, ik heb eens geschreven: je leert een vrouw beter kennen na de relatie dan tijdens de relatie….

    Dit kunnen we dus ook breder uitleggen.

  22. Keu

    2 mei 2016 op 16:58

    Dat bepaal jij niet, of dit een onzinnige discussie is.

  23. Keu

    3 mei 2016 op 09:20

    ‘In mijn optiek is een verhaaltje iets wat een begin en een eind heeft. Iets van: ik sta op, eet, naar werk, pauze, werk, naar huis, eten en naar bed. De beschrijving van een gebeurtenis ‘

    Zo definieert een kleuterjuf een verhaal: begin, middenstuk, einde: en toen en toen en toen maakt het kind er dan van.

    Waar het in verhalen werkelijk om gaat zijn de personages en het drama. Niet dat daarmee alles gezegd is, maar een verhaal is toch echt meer dan een begin, middenstuk en een einde.

  24. Keu

    3 mei 2016 op 12:36

    Onzin blaten en vervolgens de discussie onzinnig noemen, lekker is dat.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)