Het taboe op Vestdijks seksualiteit

v-nolgregoor-300x220

Simon Vestdijk en Nol Gregoor (foto: Vestdijkkring)

‘Gregoor was 
een uitstekend, nieuwsgierig interviewer, maar ook een gedreven 
roddelaar’. Aan Brakmans biograaf Gerrit Jan Kleinrensink vertelde hij dat Vestdijk en Ans Koster aan partnerruil deden met 
een huisartsenechtpaar en aan Hans Visser dat Henriëtte van Eyk 
(dan 55 jaar) zich moest laten aborteren van een kind van Vestdijk. 
Deze roddels vertelde hij lang na de dood van Vestdijk.’

Aldus schrijft Wim Hazeu in zijn Vestdijk-biografie. Als je zoiets leest, dan denk je algauw: Zo zou ik nog wel wat meer roddels willen horen. Wat is trouwens een roddel?  Zodra iemand een verklaring afgeeft  – hetzij mondeling hetzij op schrift –  dan heb je een roddel. Een journalistiek gebruik is de dubbelcheck. Je probeert nog een bron te vinden die de verklaring onafhankelijk van je eerste bron kan bevestigen. Dan is het opeens geen roddel meer maar een nieuwsfeit.

Biografen hebben meestal minder scrupules. Eén bron is voor hen doorgaans genoeg. En of een gegeven een roddel is of een feit dat bepalen ze meestal zelf. Wim Hazeu heeft er in zijn Vestdijk-biografie een handje van om allerlei verklaringen tot roddel te verklaren die hem (of de weduwe van Vestdijk, dat zou zomaar kunnen) onwelgevallig zijn. Alles wat hijzelf ontdekt heeft over Vestdijk is geen roddel, ook al had hij maar één bron, of zelfs helemaal geen bron. Zo schrijft Hazeu over Gregoor nog het volgende:

‘De laatste jaren van zijn leven bracht Gregoor, opnieuw gescheiden, door in een appartement van het verzorgingscentrum 
’Park Boswijk’ te Doorn. Hij schreef er gedichten en novellen. Hij had nog het plan een hoek te schrijven over de Brontë’s. Dat is er niet van gekomen, zoals eerder de voorgenomen biografieën van Marsman en Vestdijk niet van de grond kwamen. ln ‘Park 
Boswijk’ heb ik heb een paar maal gesproken; op een middag citeerde hij uit het hoofd, naar hij zei, drie gedichten van Vestdijk. 
Twee gedichten waren echter van Gregoor zelf op 15 mei 2009 
overleed hij, 87 jaar oud. Zijn crematie moest worden betaald uit de opbrengst van zijn nalatenschap.’

Vooral de laatste opmerking over de crematie van Gregoor is in dit opzicht interessant. Waar haalde Hazeu die informatie vandaan? Er staat keurig een voetnoot bij en als je die opzoekt kom je bij een verwijzing, maar gaan bronverwijzing. Bij de betreffende ‘voetnoot 1116’ staat het volgende te lezen:

‘Zie ook Gerritjan Kleinrensink: Onvoorziene uitkomsten. Simon Vestdijk en Nol Gregoor (Maatstaf. 1986:3).

Dat artikel is op internet te vinden (zie: hier). Lezing daarvan leert dat hierin nergens iets vermeld wordt over de crematie van Gregoor. Dat kan ook niet want Gregoor was in 1986 nog lang niet overleden. Waar heeft Hazeu deze roddel dan wél vandaan? Toch niet van de Mieke Vestdijk, mag je hopen. Het zou zomaar kunnen, want zij woont ook in Doorn en zou wellicht eens wat over de crematie van Gregoor gehoord kunnen hebben. We weten het niet en zullen het waarschijnlijk ook nooit te weten komen. Feit is dat Hazeu zo af en toe zeer selectief omgaat met het verantwoorden van zijn informatie, zodat het moeilijk is om als lezer uit te maken wat roddel is en wat niet.

De weduwe van Vestdijk moet zich niet zelden groen en geel geërgerd hebben aan Nol Gregoor. Gregoor wilde altijd alles weten over het liefdesleven van Vestdijk en vooral hoe dat zijn weerslag had gehad in zijn romans. Vestdijk zelf vond dat wel best. Sterker nog, hij stuurde Gregoor er wel eens op uit om het adres van een oud vriendinnetje te achterhalen. De grens tussen feit en fictie begon ook voor Vestdijk zelf wel eens te vervagen. Wat hij beleefd had ging rondspoken in zijn verbeelding, en wat hij hij zich verbeeld had moest soms ook terugkeren in het leven zelf.

Nol Gregoor was het ook, die tegen de wil van Mieke Vestdijk het feit dat zij zwanger was van Simon wereldkundig maakte, zodat het het als groot nieuws in de Telegraaf terecht kwam. Was Mieke Vestdijk trouwens wel zwanger van Vestdijk? Ook daarover deden roddels de ronde. Mieke Vestdijk doet er zelf uitgebreid verslag van in haar boek Afscheid van Simon. Zo schrijft zij over de Vestdijk- biografie van Hans Visser het volgende.

‘Na het verschijnen van deze biografie in het najaar van 1987 heb 
ik een rectificatie gevraagd van twee wel zeer onjuiste en kwetsende passages. De eerste passage betrof het huwelijk tussen Simon 
en mij (blz. 497/499): ‘Het aanzoek was geen eenvoudige zaak. 
Vestdijk wilde met haar op dezelfde manier samenwonen als met 
Ans. Dat wilde Mieke niet. Zij wilde volgens Vestdijk heel wat, 
zoals een boterbriefje, een auto en kinderen.Voor dit laatste zou 
later Brakman worden ingeschakeld.’

Volgens het notenapparaat 
berustten de eerste twee zinnen op een mededeling van Nol Gregoor en de twijfel over Simons vaderschap was ontleend aan een 
zogenaamd interview van Bibeb met Nol Gregoor in Propria Cures 
van 23 december 1972. De tweede passage betrof een regel op bladzijde 525: ‘Het huwelijk had zozeer onder zijn ziekte geleden dat hij [Simon] het wilde laten ontbinden.’

Ter verificatie van de eerste passage werd mij een fotokopie van
 het artikel in Propria Cures toegestuurd. Voor het bewijs van de 
tweede passage zou mijn advocaat het betreffende bronnen overzicht mogen inzien, op voorwaarde dat hij dit niet aan mij bekend mocht maken. Een rectificatie zou pas in de derde druk aangebracht kunnen worden. Een tweede druk was zogenaamd al in de 
handel.

Ik heb daarna van verdere acties afgezien, omdat ik mij niet langer wilde inlaten met mensen die menen dat biografische feiten gerond mogen zijn op niet verifieerbare verhalen van derden, en 
dus geen waarde wensen te hechten aan het waarheidsgehalte van 
hun bronnen en van hun eigen beweringen.‘

Met die laatste zinnen slaat Mieke Vestdijk de spijker op de kop. Biografen mogen kennelijk van alles beweren, als er maar een bron is, ongeacht de vraag hoe betrouwbaar die bron dan wel mag zijn. Bij Wim Hazeu gaat dit nog een stap verder. Hij mag kennelijk ook iets over de crematie van Nol Gregoor beweren, terwijl hij daarvoor helemaal geen bron opgeeft. De nabestaanden van Nol Gregoor hebben ook niet om rectificatie gevraagd. Misschien had Wim Hazeu ingeschat dat de kans daarop ook heel klein zou zijn. We weten het niet, maar het zou zomaar kunnen.

En nu het we het toch over roddels rondom Vestdijk hebben, tot slot nog een fraai staaltje dat te lezen is in de biografie van Hans Visser. In 1982 interviewde hij dominee K.L. Wijbenga met wie Vestdijk  bevriend raakte in de periode dat hij samen met hem gevangen zat in het gijzelaarskamp van Sint Michielsgestel. Hans Visser schrijft dan het volgende:

‘Ook over het huwelijk spraken zij. Wijbenga herinnert zich, dat Ans ( Koster) hem zijn gewassen kleding terugstuurde. Vestdijk maakte 
haar zendingen met tegenzin open en verscheurde de brieven. 
Aan Wijbenga vertelde hij dat hij van Ans af wilde. Volgens Vestdijk was hij alleen erotisch aan haar gebonden en was zij geen 
vrouw voor hem. Ook voor een huwelijk was hij niet geschikt. De 
algemene gerichtheid op (homo-)seksualiteit was voor Vestdijk
 een onopgelost probleem. Dat leidde bijvoorbeeld tot schuldproblemen en masturbatie. Volgens Wijbenga kwamen Vestdijks 
homoseksuele gevoelens met name bij een depressie sterk naar 
boven. Zijn anaal-erotische kant uitte zich in ‘faecale grapjes’, die 
in Gestel niet door iedereen werden geapprecieerd.’

Is dit nou een roddel of niet? Als een dominee zoiets vertelt, dan mag je toch aannemen dat hij de waarheid spreekt. Het moet niet leuk zijn als je als schrijver zo beroemd wordt dat iedereen van alles over je wil weten. Elke roddel wordt opeens uitvergroot alsof het wereldnieuws is. Vestdijk moet dat geweten hebben. Misschien schreef hij wel zoveel romans om rond zijn ware persoon een rookgordijn op te trekken, zodat hij voorgoed onzichtbaar zou worden achter de wereld die hij zelf verzonnen had.

Schermafbeelding 2016-03-29 om 17.27.59

Het seksleven van Vestdijk, en vooral ook de ware aard van zijn seksualiteit, was een taboe voor biografen en zijn weduwe bewaakte angstvallig dat verboden terrein. Ook Anne Wadman stuitte uiteindelijk op die grenspost. Veel mensen, die meenden als personage voor te komen in de Anton Wachter-romans van Vestdijk, herinnerden zich dingen, die nooit in werkelijkheid hadden plaatsgevonden, alleen in de fantasie van Vestdijk. In haar boek Afscheid van Simon geeft Mieke Vestdijk daar een aantal sprekende voorbeelden van.

Hoe betrouwbaar is de inhoud van een autobiografische roman? Het is altijd een amalgaam van Dichtung und Wahrheit, waar –  zoals zij terecht stelt – de gegevens uit de werkelijkheid door de schrijver zijn opgetild naar een hoger niveau dat een universele, menselijke waarde heeft. Daarnaast blijft de vraag bestaan hoe relevant de feiten (c.q. roddels) zijn betreffende het seksleven van Vestdijk in relatie tot de fictieve wereld die hij schiep in zijn romans. In een interview met Wadman in het Nieuwsblad van het Noorden van 6 april 1984 werd hierover het volgende genoteerd:

‘In 1958 beschouwde hij een roman van Vestdijk als — te— pure fictie en haalde zich daarmee de woede van de meester op de hals. In 1983 deed hij een tegengestelde poging door de fictie te relateren aan de overeenstemmende werkelijkheid en haalde hij zich de woede van de weduwe op de hals.’

Mieke Vestdijk had een groot wantrouwen tegen biografen in het algemeen, zelfs tegenover Wadman. Als je ziet wat Wadman over Vestdijk geschreven heeft, is dat wantrouwen moeilijk voor te stellen. Het ging bij Mieke Vestdijk om het onderscheidingsvermogen dat een biograaf nodig heeft om het relevante van het irrelevante te kunnen onderscheiden. Maar wat is relevant? Als biograaf wil je eerst alles weten om daarna pas een eigen oordeel te kunnen vormen. Voor die beginsituatie is wederzijds vertrouwen nodig tussen de biograaf en de nabestaanden. Mieke Vestdijk schrijft:

‘Er werd een eerste gesprek tussen ons gearrangeerd, en ik moest er maar op vertrouwen dat Anne Wadman het kritisch vermogen bezat te onderscheiden welke gegevens belangrijk waren voor de biografie. ‘

Precies. ‘Ik moest er maar op vertrouwen’. Daar was zij  – wat Wadman betreft – kennelijk niet toe in staat. Vestdijk had mogelijk wat de seksualiteit betref een roerig leven geleefd. Zijn romans zijn daar wellicht tot op zekere hoogte een weerslag van. Maar waar ligt precies de grens tussen feit en fictie, tussen het leven en de literatuur? Had Vestdijk eigenlijk wel echt geleefd? Of had hij veel dingen alleen maar verzonnen om ze niet in het echt te hoeven beleven?

Het is een vraag waarop zijn biografen geen antwoord geven. Net zomin als de vraag of Vestdijks neiging om de liefde extreem te idealiseren – tot de mystiek aan toe – niet voortkwam uit zijn onvermogen om de eigen affectiviteit met seks te verbinden? Misschien moet je een psychiater zijn en geen biograaf om die heikele vraag te kunnen beantwoorden. Laten we tot slot Vestdijk zelf aan het woord. In 1959 vroeg Bibeb aan hem in een interview het volgende:

‘Bent u het eens met Gregoor’s conclusie: Vestdijk schrijft, om niet te hoeven leven.’

En Vestdijk antwoordde :

‘Daar heb ik met Nol Gregoor urenlange gesprekken over gehad. Ik weet zelf niet wat ze ermee bedoelen. Dat ik niet naar de kroeg ga…? Dat heb ik vroeger allemaal wel gedaan. ’t Gekke is, dat Nol Gregoor ook niet zo leverig is. ’t Enige verschil is, dat hij getrouwd is.’

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)