Vestdijk, God & de oorlog

Slide1

‘Ik leg hier alleen de vinger op het punt van minste 
weerstand van iedere religie, die op metaphysische projectie berust. De averechtsche invloed van het Christelijk geloof op 
sommige van zijn belijders, die door velen, en lang niet uitsluitend door bekrompentegenstanders, is vastgesteld, blijft één 
factor onder vele andere, en die door die andere factoren tot 
dusverre vrijwel in evenwicht is gehouden. Maar wanneer men 
de rekening opmaakt van 20 eeuwen Christelijke beschaving, en 
men vindt 20 eeuwen van moord en doodslag, egoïsme en berekening, onverdraagzaamheid en hypocrisie, begaan en getolereerd onder de auspicia van het Evangelie der liefde, dan kan
men zich moeilijk aan de gedachte onttrekken, dat hier iets 
hapert, en dat de preoccupatie met het bovenzinnelijke wellicht 
te veel religieuze energieën heeft opgeëischt om het religieuze 
leven op aarde ten goede te kunnen. komen. Het is niet onmogelijk, dat het zonder het Christendom nog veel erger was toegegaan – voor mijzelf ben ik hier zelfs van overtuigd. Dit neemt niet. 
weg, dat er in het wezen van deze – en van iedere – metaphysisch 
projecteerende religie iets schuilen moet, dat het anti-religieuze, 
zeggen wij maar gerust: het duivelsche element niet alleen bestrijdt, maar tevens begunstigt; en in het bovenstaande meen ik 
een weg gewezen te hebben tot een beter verstaan van wat 
daaraan menschelijk ten grondslag ligt. ‘

Deze woorden van Simon Vestdijk in zijn boek De toekomst der religie (1947) las ik in 2002. Het boek maakte een verpletterende indruk op mij. Het betekende niet alleen mijn definitieve afscheid van het katholicisme, maar ook het begin van een sterke belangstelling voor het fenomeen religie in het algemeen en mystiek in het bijzonder, een belangstelling die voortduurt tot op de dag van vandaag. Is er een vorm van religie mogelijk zonder een hang naar ‘georganiseerd collectief geweld’? Anders gezegd, bestaat er een religie zonder een hang naar oorlog? Dat is de laatste vraag die overbleef. Bestaat er een religie zonder bloedvergieten, zonder terreur, zonder geweld? Komt niet al het geweld in de wereld voort uit de waarheidswaan die eigen is aan elke vorm van religie?

In de zomer van 2002 manifesteerden zich bij mij de eerste symptomen van een burnout. Eind augustus van dat jaar werd ik met spoed in het ziekenhuis opgenomen na een acute astma-aanval. Dat was het begin van een keerpunt in mijn leven. Vanaf die dag begon ik mij opnieuw met het fenomeen religie bezig te houden en het boek van Vestdijk was mijn eerste gids bij die moeizame verkenningstocht. Het was ook het jaar na 9/11. Fortuyn was vermoord. Nederland leek wakkergeschud uit een langdurige vakantiesluimer en religie stond weer bovenaan de agenda. Kort daarop schreef ik een artikel dat op 7 oktober 2002 verscheen op  de opiniepagina van De Volkskrant. Hierin verwees ik expliciet naar Vestdijks De toekomst der religie: 

Al in 1947 pleitte Simon Vestdijk in zijn boek De toekomst der religie voor een waardig afscheid van het christendom. Wie te snel van wereldbeeld wisselt kan van een koude kermis thuiskomen. Dan ontstaat een soort religieuze caissonziekte, een overhaaste ontstijging aan de godsdienstige grondwaarden van de beschaving. Bij hedendaagse columnisten uit deze caissonziekte zich soms in misplaatst dédain voor alles wat met religie van doen heeft. Zwagerman, en vooral Blokker, geven daar blijk van. Achteraf bezien rijst de vraag of in het naoorlogse Nederland altijd sprake is geweest van een waardig afscheid van het christendom. De ‘Zoishet’-uitzending destijds over beeldreligie was misschien eerder een provocerend dieptepunt, dan een emancipatorische mijlpaal in dit proces, ook al was de satire uiteindelijk niet op de religie, maar op tv-verslaving gericht. Wat heeft deze beeldenstorm uiteindelijk opgeleverd? De huidige discussie over normen en waarden duidt op zijn minst op een pijnlijk verlies, iets wat onomkeerbaar uit de samenleving is verdwenen. Niemand wil terug naar de theemutscultuur van de jaren vijftig. Maar hoe zit het met zaken als barmhartigheid, onbaatzuchtigheid en nederigheid. Woorden die voor menigeen tegenwoordig archaïsch klinken en geen enkele rol meer spelen in discussie over de moraal binnen het publieke domein. (het gehele artikel is hier te lezen).

Twee jaar later, in september 2004, schreef ik voor De Moanne het artikel Een pleidooi voor een waardig afscheid, dat in zijn geheel gewijd was aan Vestdijks De toekomst der religie. Zowel in mijn bijdrage aan het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011) als in Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering (2013) was een hoofdstuk gewijd aan De toekomst der religie. En tenslotte, in mijn onlangs verschenen boek De Fries die in de toekomst sprong, Fries modernisme in de jaren zestig, komt Vestdijks De toekomst der religie maar liefst drie keer ter sprake. Je kunt met recht zeggen dat dit het belangrijkste boek is dat ik ooit gelezen heb. De Fransen hebben daar een mooi woord voor: un livre de chevet. Een boek dat op je nachtkastje ligt.

Wanneer is Vestdijk op het idee gekomen om dit boek te schrijven? Die vraag is vaak gesteld. Vestdijks belangstelling voor religie moet ergens in de jaren dertig zijn ontstaan en kan niet los worden gezien van het opkomend nationaalsocialisme in Duitsland. Waarom heeft het christendom geen weerstand kunnen bieden tegen de waanzin van Hitler? Die vraag moet Vestdijk vaak door het hoofd hebben gespeeld. Het is een ongemakkelijke vraag, waarop naar mijn weten nog nooit een bevredigend antwoord is gegeven.

Onlangs kocht ik het vuistdikke boek van de historicus Jan Bank God in oorlog, De rol van de Kerk in Europa 1939-1945 (2015). Het ligt nog altijd ongelezen op de plank boven mijn bureau als een berg die ik nog beklimmen moet. Misschien geeft dit boek enige achtergrond voor de vragen die ook Vestdijk in de jaren dertig hebben beziggehouden. Hoe kon het dat in de totalitaire staten van Hitler, Stalin en Mussolini veel kerkbestuurders zich hebben aangepast aan deze misdadige machthebbers? Is er dan soms iets mis met de boodschap van het Evangelie? Hoeveel ‘oorlogwerende krachten’ bevat het christendom eigenlijk? Is het niet eerder zo dat ook het christendom uiteindelijk leidt tot oorlog, moord en doodslag?

schrijversgetuigen180_N

In de jaren dertig had Vestdijk een bijdrage geleverd aan de bundel 
Schrijvers getuigen tegen oorlog en militarisme in de vorm van het 
gedicht De ballade van het oorlogspaard, zo weet Hans Visser in zijn Vestdijk-biografie te melden. De mening die hij daar verkondigd had was niet ‘het standpunt van het centrum’. Als gevolg daarvan werd hij uitgenodigd een lezing te houden voor het Kunstenaarscentrum. Die lezing kreeg als titel: Kunstenaar en Oorlogspsychologie waarvan de tekst nadien afzonderlijk boekvorm is verschenen en later ook werd genomen in de bundel Het eeuwige telaat (1975).

Na deze lezing, die Vestdijk overigens niet zelf uitsprak maar die namens hem werd voorgelezen, ontstond onder de aanwezigen een heftige discussie. Ik heb de tekst van die lezing gisteren nog eens doorgenomen. Het is een glashelder betoog, waarvan vooral het begon vooruitloopt op de hierboven geciteerde, gewraakte passage over het christendom in De toekomst der religie. Het merendeel van deze lezing gaat over de rol van kunstenaars en schrijvers in tijden van oorlog, een betoog dat uiterst actueel is in deze tijden van terreur, en waarop ik later wellicht nog eens terugkom. De mooiste zin is deze:

‘In het diepst van zijn ziel, diep onbewust, is ieder 
mens onsterfelijk; we kunnen trouwens wel als zekerheid 
aannemen, dat het leven op aarde anders ondragelijk zou 
zijn.’

Vestdijk ontrafelt de psychische beweegredenen die een mens kunnen aanzetten tot oorlog. En als je die vlijmscherp analyse anno 2016 leest, dan word je daar niet vrolijk van. Oorlog komt voort uit een hang naar het vitale activisme, de sensatie, de doodsdrang en alle angsten die daarmee samenhangen. Uit een wraak op de eigen sterfelijkheid die tot ongeremde moordlust leidt. Uit het verlangen ook om zich op te lossen in het collectieve. Oorlog komt voort uit een diep verankerd instinct, het zich willen verliezen in een absoluut gebeuren, een dionysische massaroes waarin het geweten tot zwijgen wordt gebracht.

Niet voor niets zie Heraclitus al dat oorlog de moeder is van alle dingen. Vestdijk zoekt naar een tegenbeeld van dit alles, een type mens dat fundamenteel anders zou zijn. Hij vindt dat beeld  – misschien wat naïef – in het ideaaltype van de kunstenaar. Maar in het begin van dit ijzingwekkend betoog neemt Vestdijk de religie bij de kop. De religie die in al die eeuwen beschaving, die achter ons liggen, de oorlog niet heeft kunnen afweren. Integendeel. De gedachte dat de religie, die een eeuwige waarheid op een God projecteert, een buffer kan vormen voor het agressieve krijgsinstinct van de mens,  lijkt voor Vestdijk te hebben afgedaan. Ook dan klinken zijn woorden opeens heel actueel:

‘Wanneer ik u wijs op het mohammedanisme, zult u reeds voelen waar ik heen wil. Maar vooral 
in het christendom doen zich uiterst paradoxale betrekkingen voor, die niet maar zo met een korte aanduiding begrijpelijk zijn te maken. De paradox van het christendom, 
in zijn verhouding tot de oorlog, schuilt hierin, dat de praktische toepassing van een leer van liefde, naastenmin, mededogen, vredelievendheid, en wat dies meer zij, niet veel 
anders gebracht heeft dan twintig eeuwen van moord en 
doodslag, al of niet onder christelijke leuzen. Dit is een
merkwaardig verschijnsel, dat zeker de aandacht verdient. 
Zou men deze paradox wellicht mogen omkeren, door staande te houden dat een geweldsideologie, een religie of levensleer waarvan de beginselen op moord en doodslag gebaseerd zijn, dan het beste middel is om de vrede op aarde te bewaren? Ik zou deze stelling niet gaarne voor mijn rekening nemen, al was het maar omdat ik dan genoodzaakt 
zou zijn zekere fascistische machthebbers als de vredesapostelen bij uitnemendheid te beschouwen. Intussen is het duidelijk, ook zonder een blik op de historie, dat het christendom ons geen enkele waarborg van pacifistische aard geven 
kan, waarbij op te merken valt, dat dit niet alleen voor de 
kerk geldt – hetgeen wel niemand zal willen tegenspreken 
- niet alleen voor het apostolisch christendom, maar ook 
voor het evangelie, dat aan het geweld meer concessies doet 
dan men zou mogen opmaken uit de grondtoon van deze 
leer en uit de persoonlijkheid van haar schepper. Er zijn 
hier verborgen stromingen (‘Ik ben niet gekomen om de 
vrede te brengen, maar het zwaard’), die eens aan den dag 
moesten treden.

Het oer-christendom was praktisch vredelievend, theorie en praktijk dekten elkaar nog, maar niet 
zodra had het christendom de macht veroverd, of het lam 
bleek geëvolueerd te zijn tot wolf, en men mag zich afvragen, of de gewoonte van vele lieden om de oorlog als onvermijdelijk, als een fatum, te beschouwen, misschien niets 
anders is dan een erfenis van het christendom. Zelfs het 
christendom, zo denken deze mensen ongeveer, is niet in 
staat geweest de oorlog uit te roeien, wij doen dus maar het 
beste er ons bij neer te leggen, als bij een natuurverschijnsel, 
zoals onweer, dat toch ook zijn goede zijde heeft, daar het 
de atmosfeer zuivert. Deze fatalistische en in het geheim 
toestemmende houding wordt bij de orthodox-protestantse christen, de calvinist, nog versterkt door de predestinatieleer, die hem de oorlog ten overvloede doet aanvaarden als 
kennelijk door God zelf gewild. Het is waarschijnlijk geen 
onthulling voor u, wanneer ik de militaristische tendensen 
vaststel, die het karakter van zo menig calvinist vertoont. 
(Ik zwijg hier nu maar over het puritanisme … ). Maar ik 
kan op deze kwestie niet dieper ingaan; niet de psychologie van de calvinist, hoe belangwekkend ook, interesseert ons, 
maar de psychologie van de kunstenaar, in datgene wat hem van zijn medemensen onderscheidt ten aanzien van zijn houding tegenover de oorlog.’

Later werd Vestdijk een verslag toegestuurd van de discussie die naar aanleiding van zijn lezing had plaats gevonden. Hans Visser doet daar uitgebreid verslag van in zijn biografie, terwijl Wim Hazeu hier nauwelijks aandacht aan besteedt. Wat Vestdijks kritiek op het christendom betreft kwamen in de discussie na afloop de volgende punten naar voren:

(1) Uw beschouwing over het Christendom had het zwaar te 
verduren. Men vroeg zich af of u niet Christenen met Christendom, Kerk met Christendom, of zelfs Christendom met Evangelie verwarde. In het algemeen kon men uw zienswijze, wanneer ze op 
het evangelie slaat, niet delen; wel wanneer ze betrekking zou 
hebben op wat de praktijk bij de mensen heeft opgeleverd. Ik 
meende de passages in Uw referaat zo te moeten uitleggen, dat U 
wel degelijk het ‘gij zult’ uit het evangelie wenste te belichten in 
zijn psychische konsekwenties.

(2) Men betoogde, dat, waar het Christendom mystiek of humanistisch (in de beste zin) werd, het zijn hoogste belichaming vond. 
De mystici en ware humanisten werden dan ook steeds omgebracht, hetgeen voor het evangelie en tegen de instituten pleitte.

(3) Naar voren werd gebracht, dat in Uw referaat de zienswijze 
van Uw generatie is vastgelegd en dat U zodoende niet ruim genoeg algemeene tendenzen uit andere tijdperken hebt omschreven. Dit werd gekwalificeerd, dat U onder de stolp van uw tijd zat 
en dat die stolp is samengesteld uit matglas.

Als je dit zo leest, dan besef je dat Vestdijk maar één ding te doen stond: een dik boek schrijven over de religie en het afscheid van het christendom. In de periode in de oorlog dat hij gevangen zat in het gijzelaarskamp in St. Michielsgestel is hij hieraan begonnen. In 1947 verscheen het uiteindelijk als De toekomst der religie. In het jaar dat ik geboren ben.

Zie ook mijn blog: Van oude religies, dingen die voorbijgaan

1 Reactie »

  1. J.W.Robert Kruzdlo

    28 maart 2016 op 02:01

    ‘In het diepst van zijn ziel, diep onbewust, is ieder 
mens onsterfelijk; we kunnen trouwens wel als zekerheid 
aannemen, dat het leven op aarde anders ondragelijk zou 
zijn.’

    Mooie biologie.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)