Een aaneenschakeling van gebeurtenissen

VestdijkMieke scan20001

Vorige week kocht ik bij het antiquariaat van boekhandel Van der Velde in Leeuwarden Afscheid van Simon geschreven door de weduwe van Vestdijk: Mieke Vestdijk-Van der Hoeven. Het zijn onderhoudend geschreven memoires die een goede aanvulling vormen op de Vestdijk-biografieën van Hans Visser en Wim Hazeu. Tot mijn verrassing ontdekte ik dat dit exemplaar van het boek ook gesigneerd is door the widow herself. Toch kostte dit exemplaar maar 6 Euro. Een koopje dus.

signatuuyr

Het boek beslaat voornamelijk de periode van het huwelijk (1965-1971), maar ook de aanloop daarvan die al begon in 1955, toen Mieke Vestdijk in Doorn logeerde, maar eigenlijk nog vroeger, op 17 januari 1943, toen Miekes oudoom Adriaan in het huis tegenover dat van Vestdijk – zelf verbleef Vestdijk toen in Sint Michielsgestel – van de trap viel en uiteindelijk overleed, waarna de oma van Mieke en haar ongetrouwde tante Olga van Zeist naar de Parklaan in Doorn verhuisden.

Maar nogmaals, de werkelijke relatie tussen Mieke en Simon begon in 1965, na het overlijden van Ans Koster, met wie Vestdijk tot dan toe samen had gewoond. Vestdijk – zo werd onlangs bekend – was kort daarvoor daadwerkelijk genomineerd voor de Nobelprijs (zie hier), maar dit terzijde. Ik heb de onhebbelijke gewoonte om als er een datum in een boek voorkomt, die ik zelf heb beleefd, om in mijn geheugen te gaan graven naar wat ik op die bewuste dag heb gedaan. Waar was ik en wat heb ik gedacht op die dag?

Hetzelfde heb ik met locaties. Straatnamen met huisnummer zoek ik altijd even op in Google-maps om precies te weten waar het was. De volgende passage uit het boek van Mieke Vestdijk speelt zich af in Utrecht, in Hotel-Restaurant Den Hommel, dat inmiddels net meer bestaat, zo ontdekte ik op internet. Mieke Vestdijk schrijft het volgende:

locahommeltje1935

Hotel-Restaurant Den Hommel in Utrecht ( foto: Schaakclub Utrecht)

‘Zo naderden we het Sinterklaasfeest, dat ik bij Simon in Doorn 
zou vieren. Maar een paar dagen daarvoor belde hij op om te vertellen dat hij een Sinterklaascadeau voor me had en daarmee niet 
kon wachten tot 5 december. Wij maakten een afspraak om op 1 december in De Hommel in Utrecht samen te gaan eten. Nietsvermoedend stapte ik bij Simon in de taxi waarmee hij mij van het lab 
kwam afhalen. En daar, in De Hommel, en plein publique, nog 
nauwelijks met het eerste gerecht op de tafel, overhandigde hij mij 
een klein doosje waaruit een gladde gouden ring te voorschijn 
kwam. ‘

Dat was dus op 1 december 1965. Het is voor mij niet zo moeilijk om te achterhalen wat ik die dag deed. Ik was immers jarig. Ik werd 18 jaar en zat in de zesde klas van het St. Ignatiuscollege. Sinds 23 augustus van dat jaar, de dag dat ik samen met mijn ouders terugkwam van een vakantiereis van zes weken door Frankrijk en Spanje, was ik depressief. De maanden daarvoor op school waren niet makkelijk geweest. Mijn moeder had pater Lorié S.J. gesproken en hem gevraagd of ik bij het overhoren een beetje ontzien mocht worden. Dat had de huisarts haar geadviseerd.

Van dat ‘ontzien bij het overhoren’ heb ik niet zoveel gemerkt. Alleen mijnheer Wijdeveld, die dat jaar Grieks gaf, hield zich eraan. Maar het begon op het laatst op te vallen dat ik steeds werd overgeslagen als hij iemand een beurt gaf. Uiteindelijk zou ik toch nog een heel redelijk kerstrapport halen, maar dat mocht niet verhinderen dat ik kort daarop – op 16 januari 1966 – met een psychose werd opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis in Heiloo.

Maar zover was het op 1 december 1965 nog niet. Ik kan mij die verjaardag nog goed herinneren. Hij werd bij ons thuis gevierd en ’s avonds kreeg ik de cadeaus. Bij elkaar was het een soort ‘uitzet’, want ik zou over een half jaar op kamers gaan wonen in Delft. Ik had besloten om daar Bouwkunde te gaan studeren. Zo kreeg ik borden en soepkommen, bestek en een raar soort houten kaasplank die beschilderd was. Ook een wonderlijke kurkentrekker kan ik mij herinneren. Het handvat bestond uit een ijzeren staafje dat een stel ivoren pokerstenen doorboorde en het geheel werd aan het eind afgesloten door een metalen bolletje dat je eraf kon schroeven.

Vier dagen later, de dag voor Sinterklaas, kreeg mijn vader een beroerte. Bij het wakker worden ontdekte hij, dat hij de linkerkant van zijn lichaam niet meer bewegen kon. De dokter kwam aan huis, maar mijn vader ging niet naar het ziekenhuis. We hebben de dag daarop met zijn allen sinterklaasavond gevierd rond het ziekbed van mijn vader. Voor hem was dit het begin van het einde. Zes maanden later, op 8 mei 1966, zou hij overlijden in het Burgerziekenhuis aan de Linnaeusstraat. Ook die laatste sinterklaasavond kan ik me nog goed herinneren. Er hing een onwerkelijke sfeer in huis. Toch nam het leven daarna weer zijn gewone gang. Maar er was iets raars aan de hand, wat ik pas later te horen kreeg.

Na de moord op Kennedy in 1963 deed het gerucht de ronde dat dollarmunten, waar de beeltenis van Kennedy op stond, ongeluk brachten. Cornelie, een oudere zus van mij, kreeg zo’n munt in november 1965 van iemand cadeau. In de maanden daarop sloegen de rampen bij ons thuis toe. Achtereenvolgens kreeg Lucie, een andere zus van mij, een ongeluk met de fiets. Weer een andere zus, Mariet, brak haar pols. Mijn vader – zoals ik al zei – werd getroffen door een beroerte. Ik werd opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en tenslotte zou mijn vader overlijden. Dat alles gebeurde binnen een tijdspanne van zes maanden. Cornelie heeft lang geaarzeld, maar ze heeft de Kennedy-munt uiteindelijk weggegooid. Bijgeloof of niet, je moet het noodlot niet tarten.

Dat soort wonderlijke zaken komen in het boek van Mieke Vestdijk niet voor. Ik heb het nog niet helemaal uit, dus wat niet is kan misschien nog komen. Wel doet zij verslag van een wonderlijke aaneenschakeling van gebeurtenissen die haar en haar echtgenoot Simon kort daarop overkwam. Dat moet in de winter van 1966 zijn geweest. Het is vooral wonderlijk omdat zij er zelfs nauwelijks commentaar op geeft, maar alleen maar beschrijft wat er gebeurde:

‘Op een koude dag in de eerste maand van ons trouwen kregen, 
we kort na een cello les bezoek van een rechercheur in burger. Ik 
had de man opengedaan in mijn overall, omdat ik bezig was het 
trapgat te schilderen. Simon zat boven te werken en wilde liever 
niet gestoord worden. Dus stond ik de rechercheur te woord. In de 
eerste plaats vroeg hij of ik een van de vorige dagen nog in Utrecht 
was geweest. Ja, dat kon ik beamen. ‘Soms op de Nieuwegracht?’ 
’Ja, ik had celloles, op nummer 157.’ ‘Bent u dan ook in een van de 
werfkelders geweest?’ ‘Neen.’ Toen de man ook nog wilde weten of 
ik wel de vrouw van Vestdijk was, werd ik kriegelig en verwees hem 
naar het gemeentehuis. ‘Weet u zeker dat uw man niet eerder getrouwd geweest is?’, was de volgende vraag. Ik werd nog kriegeliger 
en vroeg waarom me dit alles gevraagd werd. Hij vertelde me toen 
dater in een van de werfkelders van de Nieuwegracht een winterjas 
gevonden was waarin voluit de naam ‘Simon Vestdijk Torenlaan 4 
Doorn’ was geborduurd. In de zak van die jas was een stel sleutels 
gevonden en de foto van een jongetje. Daar was iets mee, maar de 
rechercheur kon om het onderzoek niet te hinderen daarover geen 
verdere mededelingen doen. Op dat moment ben ik toch maar 
Simon erbij gaan halen. Die luisterde zeer verstrooid en gaf dezelfde antwoorden, tot we bij de jas kwamen. Ja, hij was een jas 
kwijt, een Burberry, die verwisseld was in de garderobe van een 
zaal in Den Haag. Ik was daar zelf bij geweest, maar meende daarover mijn mond te kunnen houden omdat een Burberry nu een
maal niet lijkt op een zware wollen winterjas. Simon had geen winterjas. De rechercheur verliet ons en we hoorden er nooit meer iets over.

Ik moest er jaren later pas aan terugdenken toen ik bij de melkboer aangesproken werd door een mevrouw die op kamers woonde in het huis achter ons. Zij vroeg of ik ook wist hoe het met Erik 
ging. Ik kende geen Erik in verband met Simon en dat zei ik dus 
ook. ‘Ach’, zei ze, ‘u weet wel, die jongen met wie Simon altijd op 
Mallorca was.’ ‘Maar Simon is van zijn leven nooit op Mallorca geweest. “, jawel hoor, ik heb hem daar vaak ontmoet. Maar dat 
weet u natuurlijk allemaal niet.’

Of er enig verband heeft bestaan tussen het bezoek van de rechercheur en het verhaal van de mevrouw over een andere Simon Vestdijk op Mallorca, weet ik niet.’

Vooral die laatste zien ‘Of er enig verband bestaat….’ blijft mij intrigeren. Wat is het verband der dingen? In zijn roman De man zonder eigenschappen begint Robert Musil het eerste hoofdstuk met een weerbericht ‘waarbij isothermen worden aangegeven, de vochtigheid wordt gemeten en de temperatuur van de stad wordt opgenomen.’ Zo moet het ook zijn met het verband dat altijd aanwezig is in een aaneenschakeling van ogenschijnlijk willekeurige gebeurtenissen.

Ons brein zit zo in elkaar, dat wij telkens weer verbanden gaan zien, ook als die er helemaal niet zijn. Tussen een vlinder die wegvliegt in een zomers park in Peking en een orkaan die opsteekt in het middenwesten van Amerika, ligt hoe dan ook altijd een verband. Er bestaat geen zinloze aaneenschakeling van toevallige gebeurtenissen. Alles maar dan ook alles kun je aan elkaar plakken met de lijm van oorzaak en gevolg, al is de logica van die lijm soms ver te zoeken.

2 Reacties »

  1. Jelle Breuker

    27 maart 2016 op 17:12

    Af en toe schrijft Huub Mous met weemoed en nostalgie over zijn Amsterdamse woon- en jeugdjaren, waarbij hij nog wel eens de Reijnier Vinkelskade noemt. Naar aanleiding hiervan had ik overwogen om de kade en andere aangehaalde straten en pleinen uit zijn jeugd in navolging van Mous per fiets te bezoeken. Een makkie: hup de fiets in de VW-Caddy, parkeren in de Van Eeghenstraat en vervolgens een kort ritje. Mous mag zich geëerd weten, want hij is de enige Nedelandse schrijver die deze hommage te beurt valt. Ik heb mij tot nu toe uitsluitend beperkt tot de woningen en aangrenzende gebieden van Franse schrijvers en andere kunstenaars. Zintuiglijke ervaringen maken hun werk, in ieder geval voor mij, beter toegankelijk. En je ontmoet al doende nog eens een interessant persoon.
    Maar na lezing van ‘Zo woont de asielzoekers weigerende Amsterdamse stadsadel uiteraard voor niks’ is mijn verkenning van de baan. [‘ The post online’ van vandaag (home), schrijver Elma Verhey] . De Vinkelskade – zie foto- en aangrenzende straten blijken bewoond te worden door mensen die ik hier op 24 maart duidde als parasiterende babyboomers. Zou ik dan toch profetische gaven bezitten? Zoals ik schreef mijd ik hen. Te meer nu velen een PvdA-achtergrond hebben, hoe kan het anders: zie de lijst van bewoners. Nee, van kinnesinne is geen sprake. Ik zou er zelfs niet geurnd willen liggen. Trouwens net zo sterk is de wil om in mijn zelfverdiende, weliswaar sober, plattelandshuis te wonen. Hier voel ik de vier winden, ruik de gier en hoor de roep van talloze weide- en zangvogels. Fryslân boppe.

  2. André van der Linden

    27 maart 2016 op 17:40

    Jelle,
    dat is prachtig!
    Zo raak je geurend geurnd.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)