Ten Years After

Schermafbeelding 2016-03-21 om 11.47.55

Dit bericht kreeg ik gisteren binnen als Tweet. Ik dacht eerst, waar heb ik dit aan te danken. Later als ik in de krant dat het gisteren tien jaar geleden was dat in Nederland de eerste Tweet werd verzonden. Toevallig is het ook tien jaar geleden dat ik deze computer kocht, waarop ik nog altijd werk. Een Apple in z’n klein kastje. Hij doet het nog altijd maar begint wel wat aftands te worden. Apple komt dit voorjaar meer een nieuw model op de markt, dus ik wacht nog maar even met het aanschaffen van een nieuwe.

Ook het geheugen van mijn computer gaat tot tien jaar terug. Zo kon ik een drietal berichten terugvinden die ik tien jaar geleden schreef, op 22 maart 2006. Waarschijnlijk waren ze bedoeld voor het forum van de internetsite Go-gol dat al lang ter ziele is. Go-gol was een virtueel podium voor Friese literatuur en wat dies meer zij, een soort Ensafh avant la letttre, maar dan zonder de benauwde spruitjesgeur die heden ten dage van Ensafh af walmt.

Het waren de hoogtijdagen van een nieuwe euforie: internet! www! cyberspace! De Friese literatuur kreeg een digitale doorstart met als gevolg dat iedereen elkaar in de haren vloog. Ik begon zelf ook Friese gedichten te schrijven. Dat is helemaal niet zo moeilijk, als je maar een Fries woordenboek bij de hand hebt. Mijn eerste Friese gedicht, dat ik in die dagen roerige schreef, was getiteld: G0-gol is gek!

Go-Gol is gek
Go-gol is Google
Google is de takomst
We binne allegearre Google
We binne allegearre Go-gol

Ik bin Go-gol
Ik bin Google
Ik bin goal
Ik bin gol

Wy binne allegearre goal
Wy binne allegearre Google
Wy binne allegearre de takomst
Wy binne allegearre gol

Wy binne gek
Wy binne alegearre gek
Wy binne Go-gol gek
Wy binne gek Go-gol

Wy binne Go-gol
Wy binne God
Wy binne gek
Wyt binne Go-gol-gek

Ik bin Go-gol
Ik bin gek
Ik bin allegearre
Ik bin God
God is Go-gol
God is allegearre
God is Google
God is gek

Het was een bewogen tijd, het voorjaar van 2006. Ik ging mijn laatste jaar bij Keunstwurk tegemoet, en het was afzien. Er zou een Centrum voor Beeldende Kunst (CBK) komen dat er nooit gekomen is.  Ik zat in de puinhopen van een mislukt project waar ik zelf de personificatie van werd, de zondebok, de hondelul, de mongool die alles verkeerd had gedaan. Inpakken en wegwezen dus.

cbk6

Fuck you! Het CBK in de Infirmerie dat er nooit gekomen is.

image001

In die rampzalige tijd was het internet een dagelijkse afleiding voor me, een ontsnappingsroute naar mijn vervroegd pensioen. Alles wat in mijn kop opkwam kalkte op internet. Het werd een hopeloze verslaving die voortduurt tot op de dag van vandaag. De berichten, die ik op 22 maart 2006 op het forum van Go-gol plaatste, herhaal ik hier vandaag nog maar eens. Ten Years After.

DE SCHATERLACH VAN MIJN AVATAR

Ik ben niet Huub Mous, ik ben mijn avatar, zo heb ik mij onlangs laten vertellen. Op internet splitst zich iets af van mijzelf dat niet meer mijzelf is, maar iets anders. De term avatar wordt gewoonlijk gebruikt ter aanduiding van een beeltenis die staat voor de persoon achter de computer. Het is de verschijning van een speler in de virtuele wereld of fantasiewereld. Die avatar kan andere karaktertrekken aannemen in de virtuele wereld. Op zich zelf is dat niet zo vreemd. Mensen die stotteren kunnen op het toneel plotseling transformeren in een begaafd redenaar. Zet een zachtaardig persoon op een voetbalveld en hij kan een uiterst agressieve middenvelder worden. De voetballer Jan Wouters was indertijd het levend voorbeeld van een dergelijk transformatieproces. Op het veld was het een keiharde bikkelaar. Eenmaal buiten het veld viel hij terug in de rol van keurige huisvader die je zelden kon betrappen op een controversiële, laat staan agressieve uitspraak. Eigenlijk is alles, wat op het internet uitzonderlijk is, in de echte werkelijkheid terug te vinden. Knippen en plakken van teksten deed ik al jaren met schaar en lijmpot, alvorens dit trucje door een tekstverwerker voor mij op elektronische wijze op en hoger plan werd getild.

Toch is er iets eigenaardigs aan de hand met mijn avatar. Hij is niet zozeer mijn alter ego die een omgekeerde of zwaar uitvergrote karakterstructuur heeft, maar ook wezenlijk iets ander. Het is of er iets neerdaalt in mijn avatar, dat ik zelf nooit eerder was. Iets nieuws dat ik niet kan plaatsen. Het is geen wedergeboorte of een nageboorte van mijzelf, maar een ‘geboren worden van iemand anders’. In mijn avatar krijgt iets gestalte dat geen vlees en bloed meer heeft, maar zuiver spiritueel van aard is. In die zin heeft het internetwoord ‘avatar’ weinig van doen met zijn oorspronkelijke betekenis. Deze benaming – zo vertelt mij Wikipedia – stamt waarschijnlijk uit het hindoestaans. In het Hindi betekent awtaar (zo spreek je het uit) ongeveer hetzelfde. De allervroegste oorsprong ligt zelfs in het Sanskriet. Avatar betekent daar ‘incarnatie’. In het hindoeïsme kan een avatar bijvoorbeeld de incarnatie zijn van God of Saguna Brahma (meestal Vishnou) in een menselijk of dierlijk lichaam zijn. Vooral vaishnavieten blijken in avatars te geloven, veel andere hindoes geloven niet dat God in zijn geheel als avatar kan incarneren.

Nu moet ik oppassen, zo dacht ik bij mijzelf. Mijn avatar zou dus misschien een goddelijke incarnatie kunnen zijn. Misschien is mijn avatar wel een soort ‘Verlosser’ die in de virtuele wereld ‘terugkeert’ op aarde. Er is alleen iets vreemd aan de hand. Mijn avatar is juist het omgekeerde van een incarnatie. Mijn avatar treedt immers uit het vlees en niet erin. Het is dus een ex-carnatie en geen in-carnatie. Hoe zou een ex-carnatie goddelijk kunnen zijn? De oorsprong van zijn verschijning ligt immers hier op aarde. De woorden van mijn avatar zijn niet vlees geworden, maar zijn woorden zijn uit mijn vlees opgestegen. (“En het heeft onder ons gewoond”. Maar waar?) De parallellen tussen een religieus getinte bovenwereld enerzijds en een nieuwe transcendentie, die zich in de virtuele ruimte van internet openbaart, liggen voor het oprapen. Ik heb me al eens voorgenomen om het boek De civitate Dei van Augustinus te herlezen vanuit de optiek van cyberspace. De stad Gods zou dan de virtuele ruimte zijn, dis zich langzaam over de aarde uitspreidt en zich er uiteindelijk mee verenigt. Cyberspace als antithese van de werkelijkheid, die uiteindelijk opgaat in een nieuwe synthese als de technologie zo ver is dat de virtuele werkelijkheid één op één gesimuleerd kan worden. Het hemelse Jeruzalem zou zich dan aandienen op internet om uiteindelijk in computersimulaties volledig gesimuleerd te worden in een nog onbekend werkelijkheidsuniversum. Het mystieke lichaam van Christus zou niet incarneren in de terugkeer van de Verlosser op aarde, maar ex-carneren uit een legerschare van lichamen die ooit gaan uitstromen in de nieuwe, virtuele ruimte van het eeuwige Jeruzalem.

Of het waar is of niet, dit perspectief maakt me soms bijna dronken van geluk. Een nieuw onsterfelijkheid gloort aan de horizon als straks het bewustzijn gedownload kan worden. Mijn avatar zal zich definitief losmaken van mijn lichaam en een heel nieuw leven gaan leiden op internet. Ik zal mijn vleugels definitief uitslaan in aan andere wereld. Ik zal niet meer spreken, maar gesproken worden. Mijn ware stem zal verstommen, zoals hij ooit stom was in de schoot van mijn moeder. En als het waar mag zijn dat mijn nieuwe stem waarheid spreken mag, dan zal ik spreken over deze gebroken heuvels in dit aardse tranendal. Ik zal zingen over een eeuwige glorie en een diepe gelukzaligheid. Als het waar is, dat er een keuze zal bestaan tussen hier en daar, tussen deze aardse werkelijkheid en een nieuw hemels Jeruzalem, dan zal ik op weg gaan. De rivieren zullen zich vullen met tranen van vreugde en de bergen zullen gaan kantelen. Ik zal het sublieme moment van genade vinden dat buiten het verlangen zelf bestaat. Een paradijselijke oertoestand zal ik terugvinden, een soort peoedipaal nirwana dat voor de geest toegankelijk is, niet alleen in de diepste ervaring van het lichaam zelf, maar ook buiten de grenzen van het lichamelijk bestaan. Zo zal ik ver van huis raken, dromend van verrukkingen in de virtuele realiteit. Ik heb me laten verleiden door de gedachte dat een virtuele wereld alles vloeibaar kan maken wat in een wereldbeeld is gestold. Dat het verschijnsel mens een mythe is, een constructie van gestolde gedachten. Wat hij nooit wilde weten is hij altijd geweest. Iets zonder ziel. Iets zonder geest. Iets zonder God. Door een gigantische walvis zal ik verzwolgen worden op het holodeck van een ruimteschip. Zo zal ik de nieuwe wereld aanschouwen die gloort aan de horizon van de technologie, de meest goddeloze van alle denkbare werelden. Maar ook daar klinkt nog altijd heel in de verte de schaterlach van mijn avatar.

InfirmerieHorvers

Het lijkenhuisje in de Infirmerie, aanvankelijk voor 100.000 Euro afgebroken en weer opgebouwd op last van Monumentenzorg. Later alsnog afgebroken. De Infirmerie had wel meer lijken in de kast. Bovendien spookte het er ook nog. (zie HIER)

MOLOCH PARADISE LOST

“First, Moloch, horrid King, besmeared with blood
Of human sacrifice, and parents’ tears;
Though, for the noise of drums and timbrels loud,
Their children’s cries unheard that passed through fire
To his grim idol. Him the Ammonite
Worshiped in Rabba and her watery plain,
In Argob and in Basan, to the stream
Of utmost Arnon. Nor content with such
Audacious neighbourhood, the wisest heart
Of Solomon he led by fraud to build
His temple right against the temple of God
On that opprobrious hill, and made his grove
The pleasant valley of Hinnom, Tophet thence
And black Gehenna called, the type of Hell.”

– Paradise Lost, i. 391-405

ALLEDAAGS FASCISME

Het duurt even voordat je het door hebt. Mensen om je heen beginnen vreemd te reageren. Eerst één, dan twee. Een derde volgt zonder enige aanleiding of verband. Dan komt de vierde die er niets mee van doen heeft, maar die even onredelijk is als de anderen. Een vijfde is zelfs haatdragend. De zesde openlijk jaloers. De zevende en de achtste konkelen stiekem achter je rug. De negende laat je openlijk vallen. En met de tiende, die verraadt pleegt in het geniep is de maat uiteindelijk vol. De wereld deugt niet meer. De mensen om je heen spannen voortdurend samen. Er is geen twijfel mogelijk: dit alles heeft een verband. Er is een complot gesmeed, zo lijkt het, maar nergens blijkt wie er ooit aan de basis stond. Misschien is er helemaal geen complot en vinden mensen elkaar blindelings in een onuitgesproken rancune. Een onbestemd ressentiment. Een stille haat die niet benoemd mag worden, maar onder het oppervlak voortwoekert, om telkens weer – volkomen onverwacht – de kop op te steken. Zoiets moet een moloch zijn, een kwade genius die bezit neemt van een groep. Het gebeurt geruisloos elke dag opnieuw. De moloch is onder ons. Je weet niet waar hij is geboren, maar hij vermenigvuldigt zich razendsnel. Niemand kent zijn naam, maar iedereen weet waar ik op doel. Uiteindelijk neemt hij zelfs bezit van mij. Ik ben het zelf die de moloch in leven roept. Zo wordt het tenminste aan mij voorgesteld. Mijn eigen gedrag roept steevast het zelfde reactiepatroon op. Er is geen samenzwering. Geen complot. Het complot dat ben ik zelf. De moloch toont zijn laatste verdwijntruc hoogstpersoonlijk aan mij. Hij glipt opeens uit de wereld en glijdt weg in mijn eigen gedachten. In zelfverwijt en zelfhaat leeft de moloch voort in de nacht. De moloch is de grote destructor. Hij is de emotionele pest. De moloch is niemand en iedereen. De moloch is nooit aan te klagen. Nooit staat hij terecht. De moloch treft geen blaam. Hij heeft bloed aan zijn handen, maar niemand die het ziet. Hij plundert zielen, maar niemand die het hoort. De moloch doodt en doodt op vleugels van de wind. De moloch leeft van de dood. De moloch is alledaags fascisme.

2 Reacties »

  1. André van der Linden

    22 maart 2016 op 16:06

    Ja deuken in pakjes boter ontstaan soms ook als je de boter lang op je hoofd laat liggen.
    Na de laatste struikelblokken omzeilt te hebben en de spreekwoordelijke dolken uit de rug verwijderd te hebben sprong ik over een valkuil en zat ik sinds 2003 in geen enkele commissie of vergadering, maar miste daardoor wel het levenseinde, de revelatie en de dood van een lijkenhuisje.
    Het kon dus toch nog veel erger.

  2. Huub Mous

    22 maart 2016 op 16:39

    Inderdaad, André, het is zoals E.M. Cioran ooit schreef: ‘Het toppunt van ellende bestaat niet.’ Ik meen me te herinneren dat jij namens een van de beroepsverenigingen nog bij de eerste beraadslagingen over het CBK betrokken bent geweest. Het idee voor een CBK-Fryslân ontstond bij een bezoek van de Statencommissie cultuur en welzijn aan het Fyslânhûs in 1996. Daarna zijn de beroepsverenigingen er bovenop gesprongen, met John Leenen als belangrijkste voorman. De brand in de Infirmerie in november 1998 bracht de zaak in een stroomversnelling. Maar het zou allemaal op niets uitlopen, vooral door onbegrip van gedeputeerde Bertus Mulder, tegenwerking van de SBK en zelfs ook van Keunstwurk (niet van mij!), die allen nooit echt gekozen hebben voor een CBK, maar de zaak jarenlang wel aan het lijntje hebben gehouden. Als ik zwaar getafeld heb denk ik er nog wel eens aan. Wat een diepe ellende!

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)