Vestdijk en de angst van de kinderjaren

Schermafbeelding 2016-02-28 om 10.10.40

De lachende monniken (foto Beeldbank Vestdijkkring)

‘Opvallend is dat angst zo’n grote rol speelt in zijn autobiografische roman Sint Sebastiaan, die eerste jaren dus voor hij naar school ging. ‘Vier jaar was hij, toen de angst, die tot 
nog toe de kans niet had gekregen, zijn eerste bezoek bracht’ 
in de gedaante Van een bleekgele schijf, de maan, en een 
lachende schoorsteen. Deze objecten waren niet meer aanwezig toen hij naar de Spekmarkt verhuisde, maar de angst 
bleef. Als verweer diende een ‘zusjesdeken’; de angst diende zich aan in de vorm van een tegen de kat scheldende, 
dronken buurman en de afbeelding van een schilderij met 
lachende monniken. Daarna was hij een week lang ziek. Pas in een Amsterdams ziekenhuis was het dat hij het angstloze bestaan ontdekte. Hier waren zijn ouders afwezig, kwam 
tante Ada, de zuster van zijn moeder, hem opzoeken. En 
maakte hij kennis met twee, achttienjarige jongens, die hem 
als leeftijdsgenoten behandelden.’

Aldus schreef Hans Visser in het boekje Simon Vestdijk, kinderjaren. Dat boekje verscheen in 1987 ter gelegenheid van het eerste lustrum van Libris, de groep samenwerkende kwaliteitsboekhandels. Het is min of meer een voorpublicatie van de grote Vestdijk-biografie van Hans Visser die in datzelfde jaar verscheen. Eigenlijk meer ‘meer’ dan ‘min’, want deze eerste twee hoofdstukken bevatten twintig pagina’s meer dan de grote biografie. Kennelijk is dit voorproefje wat haastig verschenen, want er staan nogal wat herhalingen in. In de officiële biografie is er heel wat geschrapt.

Twee weken geleden kocht ik beide boeken bij het antiquariaat van Boekhandel Van de Velde in Leeuwarden voor vijftien Euro. Ik zag daar de biografie staan en had aanvankelijk niet eens door dat het kleine boekje erbij hoorde. De vriendelijke verkoopster aan de kassa attendeerde mij erop. Thuis kwam ik er achter dat deze voorpublicatie een bibliofiele uitgave is die niet alleen is genummerd (nummer XIII), maar is ook gesigneerd door Hans Visser zelf. Zo ben ik als beginnende Vestdijk-adept nu al in het bezit van een collectorsitem.

kinderjaren

Wonderlijk is dat de bovengenoemde passage uit Kinderjaren niet meer voor komt in Vissers grote Vestdijk-biografie, terwijl wat hij hier schrijft over Vestdijks angst in zijn kinderjaren mij toch vrij essentieel lijkt. Wim Hazeu maakt in zijn Vestdijk-biografie uit 2005 wél melding van De lachende monniken. Een afbeelding van deze prent trof ik aan in de Beeldbank van de Vestdijk-kring. Daar wordt ook vermeld dat deze plaat later in de werkkamer van Vestdijk hing en dat de prent tegenwoordig aanwezig is in de Vestdijkkamer van het Hannemahuis in Harlingen. Raar dat zo’n ogenschijnlijk onschuldige voorstelling een klein kind angst kan inboezemen.

Of misschien ook niet. Eind jaren tachtig raakte ik adviseur betrokken bij de plaatsing van kunstwerken in het MCL in Leeuwarden dat toen net was gebouwd. Ik heb daar toen rondgelopen met een bedrijfsmanager en die vertelde mij dat het ophangen van kunstwerken in een ziekenhuis een zaak is die heel nauw luistert. Vooral in de kamer. waar patiënten na een operatie bijkomen van een coma, mogen beslist geen voorstellingen hangen die angst inboezemen.

Hij had het eens meegemaakt dat daar een schilderijtje hing van een fietsende man die een bruggetje opreed. Daar was een patiënt, die uit zijn comateuze sluimer ontwaakte, helemaal panisch van geworden. Hij dacht dat hij de brug niet over zou komen en het dus niet halen zou. Een ogenschijnlijk onschuldige voorstelling kan kennelijk vreemde angsten oproepen. Zoiets moet ook met de afbeelding van deze lachende monniken aan de hand zijn geweest. De kleine Simon Vestdijk zag er iets heel anders in, iets schrikwekkende en angstaanjagends.

Blijft de vraag natuurlijk waarom het kind Vestdijk zo bang werd van die ogenschijnlijk zo onschuldige voorstelling van de lachende monniken. Er lijkt een bedreiging schuil te aan in dit hilarische tafereel. Monniken lachen niet, dat moet het kind hebben gevoeld. In de Middeleeuwen werd het lachen door de Kerk onderdrukt. De lach werd geassocieerd met de duivel. Lachen zou een ongecontroleerde lichaamsfunctie zijn, zoals ook de erectie en het orgasme dat van oudsher waren. Vrome mensen ontweken de lach, maar duivels konden juist onbedaarlijk lachen. In veel kloosters was het voor monniken absoluut verboden om te lachen. Ook Christus had immers nooit gelachen.

Uiteraard moesten ook monniken wel eens lachen en daar bestond dan van oudsher ook een aparte term voor: de risus monasticus, die oogluikend door de abt werd gedoogd. In De naam van de Roos van Umberto Eco komen scenes voor waarin uitgebreid gediscussieerd wordt over de betekenis van de lach in theologisch perspectief. Natuurlijk kon het kind Vestdijk dit allemaal niet geweten hebben. Maar in een sfeer, waarin het normale en het oorbare aan strakke regels gebonden is, raakt de lach archetypisch verbonden met de angst, het taboe en het doorbreken van de code. De lach staat dan voor het onmogelijke dat plotseling mogelijk wordt als in een nachtmerrie, zoals de schoorsteen in een angstdroom opeens gaat bulderen van de lach.

Slide1

Angst in de kinderogen (links: Simon Vestdijk; rechts: ikzelf)

Vestdijk moet een angstig kind zijn geweest. Ook mijn eigen kinderjaren stonden in het teken van de angst. Ik was vooral een bang kind. Bang voor water. Bang voor hoogte. Bang vooral ook voor andere kinderen. Ik weet nog goed dat mijn moeder mij naar de grote school bracht, achterop de fiets helemaal in Amsterdam Zuid. Het was in Richard Holstraat en de speelplaats was achter de school. De eerste weken kwam zij vaak tussen de middag nog even kijken of ik wel vriendjes had gemaakt. Daarvoor fietste zij vijf kilometer heen en vijf kilometer terug.

Meestal stond ik helemaal alleen tegen de schutting geleund, totdat ik het hoofd van mijn moeder aan de overzijde boven de schutting zag verschijnen. Zij gebaarde dan dat ik mij tussen het gepeupel moest begeven, dat gekrioel van spelende kinderen dat mij juist angst aanjoeg. Op mijn eerste kinderfoto’s heb ik ook een bijna panische blik in de ogen. ‘Waarom moet dit?’ zie je mij denken. Ik was liever binnen gebleven, veilig in de moederschoot, waar ik ook veel te lang ben achtergebleven. Mijn moeder was een maand overtijd toen ik geboren werd.

Vaak heb ik me afgevraagd waar die angst van mij uit voortkwam? Lag het in mijn aard besloten? Waren het mijn oudere zussen tussen wie ik mij als benjamin allerminst op mijn gemak voelde? Mijn oudste zus was zestien toen ik geboren werd, mijn jongste vier. En de twee daartussen: acht en twaalf. Dat is geen geruststellende omgeving als je de penisnijd, die Freud bij meisjes veronderstelde, als een serieus fenomeen opvat. Mijn zussen hadden ook alle reden om jaloers op mij te zijn. Ik was immers de stamhouder. Eindelijk een jongen, na al die jaren vergeefs proberen. Ook al werd het bij hoog en bij laag door mijn ouders ontkend, het had er alle schijn van dat mijn vier zussen een misdruk waren geweest.

Voor mijn moeder was ik de lang verwachte prins. Ze nam mij in bescherming bij de minste bedreiging van buitenaf. Ik kreeg als kleine jongen een status aparte, als een bedreigde schat in een wereld vol gevaar. Zo werd ik natuurlijk strontverwend, en misschien daarom ook verlegen, schuw zelfs, en vaak angstig. Ik had nachtmerries, plaste nogal eens in mijn bed en werd soms midden in de nacht badend in het zweet wakker, omdat er in de hoek van de kamer een vreemde paal stond die er natuurlijk helemaal niet bleek te zijn toen het licht aanging. Nee, het waren geen lachende monniken die mij als kind angst inboezemden, maar aan mijn eerste levensjaren bewaar ik – net als Vestdijk- geen tedere herinneringen.

Het bewustzijn waardoor ‘het niets’ in de wereld komt is een ‘val’ (‘une chute‘), heeft Sartre ooit beweerd. Waar het vandaan komt kan niemand zeggen. Opeens is het er. Je bent buiten de wereld en binnenin tegelijk. Vanaf dat moment ontstaat de angst voor de leegte. De angst voor het grote niets. Juist in de meest onschuldige beelden van mijn vroegste jeugd lijkt dat pas ontdekte ‘niets’ aanwezig te zijn. Het houdt zich schuil in de lucht achter de huizen. Achter het bordkartonnen decor van lange gevelrijen die alleen waren opgetrokken om het grote niets, dat daarachter gaapte als een diepe afgrond, aan het oog te onttrekken.

Er is een foto van mij als peuter spelend in het plantsoen van het Voltaplein. Ik moet een jaar of drie zijn geweest. Als ik die foto terugzie, voel ik weer iets van die vreemde angst voor de leegte. De wereld om me heen is niet echt. Het bewustzijn is een droom. Het is een plooi in een werkelijkheid die in wezen niet bestaat.

Met de ontdekking dat je een lichaam hebt dringt het besef door onderworpen te zijn aan de blik van de ander. Je eigen lichaam ervaar je van binnenuit, maar vooral ook van buiten af in de ogen van anderen. Voor mij is die eerste ervaring van mijn eigen lichamelijkheid gepaard gegaan met gevoelens van angst en schaamte. Als kind vond ik het heel vervelend zichtbaar te zijn. Ik schaamde me voor mijn eigen lichaam dat te klein was, te mager, nietig en kwetsbaar. Ik had spillepoten, een kippenborstje en wat het ergste was, geen spierballen, hoe vaak ik de spieren mijn bovenarm ook spande.

4-april-19803000115

Deze kindertekening vond ik onlangs terug. Hij zat verstopt in een boek, diep verscholen in mijn boekenkast. Ik ben mijn boekenverzameling aan het opschonen. Duizenden boeken heb ik in de afgelopen decennia mijn huis ingesleept. Ze staan overal verspreid in kasten, in de gang, in de slaapkamer en op de kleine zolder. Veel van die boeken kunnen gewoon weg en dat doe ik dan ook. Enkele breng ik naar de kringloopwinkel, maar waar ik geen afstand van kan doen bewaar ik om sentimentele redenen.

Als al die boeken door je handen gaan, word je soms overvallen door een stroom van herinneringen, vaak niet zozeer vanwege het boek zelf, maar door wat er in zit: een papiertje, een brief, een foto of een kindertekening als deze. Hij moet in 1955 zijn gemaakt. Ik was toen zeven jaar oud en zat in de eerste of tweede klas van de lagere school. Als kind kon ik heel aardig tekenen.

Eenmaal op de middelbare school is er weinig van dat talent overgebleven. Zoiets hoor je wel meer. Twaalf jaar schijnt de leeftijd te zijn, waarop de betovering van de kinderjaren opeens als sneeuw voor de zon verdwijnt. Het kind raakt dan verstrikt in rationele en doelgerichte denkprocessen en de vrije uiting van de emotie raakt dan opeens geblokkeerd. In de tijd van Cobra en De Werkschuit probeerde men dat uit alle macht te voorkomen. Door heel wat ‘Werkschuit-goeroes’ van het eerste uur werd deze ‘creativiteits-breuk’ gezien als het ultieme bewijs van de stelling, dat onze kapitalistische maatschappij tot in de wortels verrot is.

Het kind raakt zijn zuiverheid kwijt niet ondanks, maar juist dankzij het onderwijs. Lang voordat Bob Dylan zong dat er andere tijden kwamen, nam de ‘Vrije expressie‘ een voorschot op de bevrijde en klasseloze samenleving. Hoe dan ook, toen ik in de jaren zeventig eenmaal kunstgeschiedenis ging studeren, was het met mijn tekentalent helemaal gedaan. Als je teveel ziet hoe het moet of hoe het kan, dan raak je de onbevangenheid voorgoed kwijt. Kunstenaars, zo denk wel eens, zijn grote mensen die in wezen altijd een kind zijn gebleven.

Rooje Roges moet Roy Rogers zijn geweest, een cowboyheld uit de jaren vijftig die ik mogelijk thuis op tv had gezien. Of anders wel op een kauwgomplaatje met van die mooie schelle kleuren. Ik had een cowboyhoed, een riem met holsters en klapperpistolen, gekocht bij de Hema, een ster van de sheriff en vooral zo’n mooie zachte sjaal die op de enig juiste manier om je nek moest worden geknoopt. Weldra ging ik de boeken van Arensdoog en Witte Veder lezen.

Ik droomde van dravende paarden met wapperende manen op de prairie van het Wilde Westen. Het was een warme wereld en toch vol dreiging en gevaar. Goed was goed en fout was fout, geen twijfel was er mogelijk. Die wereld van cowboys en indianen was het ideale vluchtoord voor mijn kinderangsten. In mijn verbeelding kon ik daar heel even een held zijn, de koning van de cowboys, voor niets en niemand bang.‘IC BEN NIET BANG’ staat er op mijn tekening. Het tegendeel zal het geval zijn geweest. Vooral op de bewaarschool en de kleuterschool was ik bang. In die tijd had ik ook vaak oorontsteking, soms zelfs aan beide oren tegelijk. Daarna, op de lagere school, werden mijn angsten gaandeweg wat minder.

De Peetersschool was een van de oudste Rooms-kath0lieke lagere scholen in Amsterdam Zuid, opgericht in 1885 door mevrouw Peeters, als een katholieke school voor meisjes. Mijn oudste zus was werkzaam als maatschappelijk werkster. In die hoedanigheid had zij mijn moeder weten te overtuigen, dat de scholen in Amsterdam Oost niet goed waren. Dus moest ik naar de Peetersschool. Voor mij betekende het vooral een gelukkige tijd. Toen ik er in 1954 mijn schooltijd begon, was het inmiddels een gemengde school, wat voor katholiek onderwijs destijds nog niet zo gebruikelijk was. Bovendien hanteerde men een nieuw systeem: het Dalton-onderwijs.

Het kwam erop neer dat voor ieder kind een eigen tempo werd aangehouden. Elk vak had taken die je zelf moest doen. Je moest ook je eigen resultaten bijhouden in grafieken die op het prikbord voor iedereen zichtbaar waren. Zo werkte dit systeem op subtiele wijze toch een soort onderlinge concurrentie in de hand, maar daar had niemand last van, want de sfeer was heel relaxed. Het was een georganiseerde chaos en daar voelde ik me uitstekend in thuis. Het was ook een beetje een katholieke kouwe-kak-school die bekend stond als de belangrijkste aanvoerhaven voor het St- Ignatiuscollege en het meisjeslyceum Fons Vitae dat er tegenover lag.

De Brenninkmeiertjes en de Dreesmannetjes hadden hier nog als kind gespeeld. In de jaren vijftig werd die sfeer gelukkig wat losser, al zaten er ook nog kinderen uit de Apollolaan bij mij in de klas. Gelukkig heb ik op de lagere school altijd een aardige juffrouw gehad. Eerst juffrouw De Nijs, daarna juffrouw Lucassen, toen juffrouw Sauterelle en tenslotte juffrouw Van der Laar. Ik herinner mij de geur van warme melk in het overblijflokaal. Het hoofd van de school was Juffrouw Langenhoff. Ze woonde op het Jacob Obrechtplein en werd later opgevolgd door mijnheer Bal. Handenarbeid kregen we altijd in een klein lokaal op de bovenverdieping van een juffrouw  – Mensink heette ze meen ik – die ook les gaf op De Werkschuit.

Juffrouw Mensink zei wel eens dat ik later missionaris zou worden en het kerkje in de wildernis dan mooi zou kunnen versieren met wandschilderingen waarop het geloof voor de inboorlingen in beeltenissen werd duidelijk gemaakt. Door haar werd ik ook al vroeg ingewijd in de geheimen van ‘fingerpainting’, ‘sjabloneren’ en het werken met wasco, plakkaat- en waterverf. Passer en liniaal werden in de ban gedaan. Ook natekenen was uit den boze. Alles moest uit het hoofd en uit het hart. Inderdaad, ‘Vrije expressie’ heette dat. En wat je er ook van bakte, alles was even prachtig en werd breeduit tentoongesteld op ouderavonden en open dagen. Ook deze tekening van Roy Rogers, de koning van de cowboys.

Langzaam verdwenen mijn angsten naarmate ik wat ouder werd, maar helemaal verdwijnen deden ze nooit. Ik herinner mij de hoogtevrees tijdens de lessen gymnastiek, de watervrees bij de zwemlessen in het AMVJ en het Zuiderbad. Goed zwemmen heb ik nooit geleerd en een zwemdiploma heb ik nooit gehaald. Lezend over de jeugd van Vestdijk herken ik veel van wat ik in mijn eigen jonge jaren heb beleefd. Heel anders, maar in wezen kwam het vaak op het zelfde neer. Hans Visser schrijft over Vestdijks kinderangsten nog het volgende:

‘In die tijd was het dat Simon, die vaak last van bronchitis had, een eerste, lichte depressie onderging. Het 
herfstweer drukte hem, de mist wikkelde alles in. Deze depressie uitte zich op verschillende wijzen. De dood van zijn 
grootvader in 1910, bezorgde hem angst, angst voor de dood 
van zijn eigen vader. Het verhaal van zijn moeder over een 
kapitein, gestikt in zijn eten, was aanleiding tot weer andere
 angsten, nu angst om te slikken. Angst had hij voor de moeilijke meetkunde op de HBS, het deed hem aan zichzelf twijfelen. Hij ging voor het eerst nadenken over zichzelf. (…)

De lagere schooltijd, de contacten met andere kinderen, 
Amsterdam, het naakttekenen en het pianospel brengen de 
jonge Simon op weg naar zelfstandigheid. Hij vormde eigen 
meningen en kreeg een kleine mate van onafhankelijkheid 
tegenover zijn ouders, maar de angsten bleven. Nu niet 
meer een ‘lachende schoorsteen’, het waren de onzekerheden van het leven die hem kwelden. De mogelijkheid van het 
sterven van zijn vader, de twijfel aan eigen kunnen. In de 
contacten met zijn vriendjes, bleef hij op een afstand, een 
dromer.’

3 Reacties »

  1. J.W.Robert Kruzdlo

    29 februari 2016 op 19:41

    Grappig, ik schreef: Met carnaval verkleedde ik me als een cowboy. Holster met een klapperrevolver hing aan mijn benige heup. Er dwarrelden kruitdampen uit de loop van revolver, en omdat ik dat droomde, blies ik de rook uit de six-shooter revolverloop.

    Alle kinderen uit de buurt waren verkleed en liepen mee in de kindercarnavalsoptocht. Het waaide hard en in de rivier dreven ijsschotsen, maar ik liep op de prairie van het Wilde Westen. De zon, altijd ondraaglijk schijnt en waar het vol dreiging en gevaar was, maar ik, ik was voor niets en niemand bang. Ik was goed en de rest was fout. De wereld van cowboy en indianen was een schuilplaats voor mijn kinderangsten. Ik was een held.

  2. J.H.

    29 februari 2016 op 21:18

    Angsten als kind ?
    Ik had in de tweede klas voor de grote, wijde rokken van mevrouw van der Molen een grote angst voor wat daar allemaal niet onder zat. in de derde had ik juffrouw Zandee, een Zeeuwse, wier planten ik moest water geven en voor wie ik een zoutloos bruinbroodje moest kopen op de Sloterkade, naast de toenmalige Mars fabriek. Zij sloeg nog met een houten liniaal op je vingers bij een te spontaan gedrag.
    In de vierde klas ging ik met met mijn vriend Niek v H. (hyperintelligent) elke dag in het AMVJ zwemmen. Dat moest hij op dokters advies. Hij was een ADHD’-er avant la lettre.
    Later met Schoolzwemmen in het Sportfondsenbad, durfde ik op de vraag van de badmeester, wie er al kon zwemmen, niet te zeggen dat ik dat al kon. Ik heb dus twee keer zwemmen geleerd.
    Maar, aldus heb ik mij mijn hele leven redelijk drijvend kunnen houden.

  3. fred van der wal

    27 februari 2017 op 08:59

    Met belangstelling gelezen. Sportfondsenbad en AMVJ bad; ik kon er niet vaak genoeg zijn. Woonde in de Palestrinastraat dus allemaal vlak bij. Later de tafeltennis club van de AMVJ wekelijks bezocht als deelnemer. Als middelbare scholier lid Famos.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)