Vestdijk en Sierksma (2)

Slide1

‘Hwat ik tige nijsgjirrich foun, in pear jier lyn kaem ik op ús 
téologysk ynstitút yn Leiden. Dêr sieten hwat professoren en 
studinten to thédrinken en op de iene of oare manier keam it 
petear mei de studinten yn dy rjochting. Ik sei: “Ik denk niet 
dat de naam Reitsum u nog iets zegt”. “O, ja zeker”, seine se, 
”een heel bekende plaats in de vaderlandse kerkgeschiedenis. 
Er is daar een grote strijd gevoerd door één kerkvoogd”. Dat 
wie dus myn pake. Ik stige yn har achting!’

Aldus Fokke Sierksma in een interview met Joop Boomsma (gepubliceerd in Peteareboek, petear en profyl, Ljouwert 1976). Sierksma was trots dat de religie bij hem in de genen zat. Maar hoe dieper de religie verankerd ligt, hoe zwaarder het afscheid valt. In het felle debat dat na de oorlog oplaaide na het verschijnen Vestdijk’s De toekomst der religie (1947) koos Sierksma onomwonden de kant van Vestdijk.

Sierksma had in de oorlogsjaren clandestien godsdienstwetenschap gestudeerd aan de Universiteit in Groningen, waar hij in 1945 afstudeerde bij Gerardus van der Leeuw. In de laatste oorlogsjaren was hij actief geweest in het verzet, waarbij hij onder andere de verhoren en folteringen door de SD afluisterde. In 1944 behoorde hij tot de oprichters van het illegale tijdschrift Podium, waarin hij een paar jaar later nog een opmerkelijke kritiek schreef over het debuut De Avonden van Van het Reve: ‘Om nogmaals de symbolenverzamelaar toe te spreken: het boek De Avonden is een schreeuw om godsdienst’, zo concludeerde hij.

De verlossing die de hoofdpersoon zich uiteindelijk op rituele wijze had gecreëerd was niet volledig geweest. Door het konijn de absolutie te geven en een marteldood te besparen had Frits van Egters zichzelf bevrijd in een half gelovig en half provocerend gebed. Hij lééfde, maar daar was ook alles mee gezegd. Voor deze schijnverlossing was de omweg nodig van een onwaarachtige God, die als een hulplijntje in het niets werd getrokken, als in een wiskundig bewijs. Dat was voor de godsdienstwetenschapper Sierksma niet genoeg. Dit was de God van de ironie, de God van de noodsprong. ‘Deze Heer van hemel en aarde, die de sterren in zijn hand houdt, verdient pas onze aandacht, wanneer hij naar behoren geconfronteerd is met de kinderlijkjes, wegrottende zieken en kwijlende idioten, die Van het Reve zo ijverig en treffend in de roman heeft verzameld, zij het dan uit Gemengde Berichten.’

Van huis uit was Sierksma Nederlands Hervormd, maar zijn geloof had hij al vroeg verloren. Het verhaal gaat dat hij na zijn kandidaatsexamen in 1939 nog predikant wilde worden, maar anderen beweren dat hij al in zijn middelbare schooljaren aan het christelijk gymnasium in Huizum begon te twijfelen aan God. De traumatische ervaringen in het verzet en het verlies van zijn vriend Johan Erich, die door de Duitsers werd doodgeschoten, moeten de laatste restanten van zijn godsgeloof hebben weggenomen. ‘Wij hebben gevochten, dat wil zeggen, we hebben angsten uitgestaan, omdat we geen Untermensch wilden zijn en geen engelen waren.’ schreef hij later. Al in zijn roman Grensconflict, die in 1948 verscheen, had hij geprobeerd zijn oorlogservaringen van zich af te schrijven.

Kort na de oorlog was hij enige tijd directeur van het Buro Kulturele Saken, dat in 1945 samen met de Fryske Kultuerried werd opgericht. De oorlog was een scherprechter geweest en de innerlijke strijd van verwerking duurde voort tot diep in de jaren zestig, niet alleen voor Sierksma zelf, maar ook voor heel Nederland dat in die jaren van wederopbouw en Koude Oorlog langzaam ontwaakte uit het sluimerend bewustzijn van de vooroorlogse geborgenheid. God was de Goede Vader van het nabije verleden. Ook Sierksma koesterde dat verlangen naar een organische samenhang van weleer in zijn heimwee naar een verloren paradijs, maar dat paradijs was geen Hof van Eden, maar het vooroorlogse platteland van Dantumadeel. Ondanks zijn afkeer het conservatieve Friesland met zijn rechtse veteranen uit de oorlog, zijn stoere Friese bewegers en steile taalfanaten hield hij van zijn geboortegrond:  ‘Om fan dit lân te hâlden dêr hoege jo dochs gjin nasjionalist foar te wêzen’, schreef hij later.

Sierksma’s afscheid van de religie was ook een traag en waardig afscheid van het Friesland van zijn jeugd. In het spoor van Vestdijk deed hij het christendom langzaam de deur uit, maar ook it heitelân, dat hij eigenlijk nooit had willen verlaten en waarnaar hij altijd terugverlangde. Die spagaat tussen afscheid en heimwee herkende hij ook bij Vestdijk. ‘Ik bedoel werkelijk’, zo schreef Vestdijk, ‘dat wij ergens nog in onze instincten goede christenen zijn’. Maar in die herkenning van een christelijke oergrond klonk voor anderen een schel nihilistische geluid. Het christendom was voor hen meer dan een humaan restant uit het verleden in een tijdperk van toenemende zedelijke verwildering.

Sierksma had zich gestoord aan de harteloosheid waarmee ‘het zoekende afscheid’ van Vestdijk in zijn boek De toekomst der religie door vrome theologen was neergesabeld. Zelfs zijn leermeester Van der Leeuw was onbarmhartig geweest in zijn oordeel. In zijn essay Tussen twee vuren, dat in 1952 verscheen als een reactie op debat rond De toekomst der religie schreef Sierksma:  ‘De moderne intellectueel staat met een kaal intellect in een kale wereld en hij zal daar moeten blijven zonder te capituleren, maar ook zonder van de nood een deugd te maken. Hij staat tussen twee vuren en hij zal het in deze situatie moeten uithouden. Uithouden – dat is onze laatste voorlopige moraal. De deugd van het uithoudingsvermogen hebben wij in de nog niet vergeten jaren 1940-1945 leren beoefenen.’

Sierksma schreef Tussen twee vuren al in 1948. Hij had boek van Vestdijk destijds vier maal gelezen, dus het moet hem diep hebben geraakt. Hij noemt het dan ook ‘een tijdbom onder de verschillende westerse zekerheden’. Lang niet altijd is hij het met Vestdijk eens, maar waar hij zich vooral aan stoorde was het niveau van het debat. En dat terwijl Vestdijk zo mild geoordeeld heeft over de toekomst van de religie. Hij prees omstandig de beschavende werking die van de religie in de geschiedenis was uitgegaan. Zelfs voor het katholicisme had Vestdijk mooie woorden over: ‘Een interessante instelling oneindig veel belangwekkender dan literaire kringetjes.’ Het essay van Sierksma is dan ook vooral van belang, omdat het zijn eigen verwarring en twijfels laat zien.

Het is ook een tijd van verwarring zo rond 1950. De oorlog was nog maar net voorbij en grote dreigingen dienden zich aan in de koude oorlog. Er heerste angst voor een totalitaire staat, voor een samenleving als totaalmachine met robots en vervreemde mensen. Een maatschappij als één grote mierenhoop. De doembeelden van Aldous Huxley en George Orwell lagen nog vers in het geheugen. Maar ook het kwaad van Stalin, dat door Arthur Koestler was ontmaskerd. Het was een tijd, waarin – volgens Sierksma – de religie een individuele aangelegenheid bij uitstek was geworden.

Religie zag hij primair als de relatie tussen de mens en zijn transcendente werkelijkheid. De moderne mens worstelde met de teloorgang van transcendentie in de zin van ‘het bovennatuurlijke’, maar de belangstelling voor religie was zo kort na de oorlog wellicht groter dan ooit tevoren. Het door Nietzsche gepubliceerde overlijdensbericht van God had de belangstelling voor religie bij het merendeel van de West Europeanen alleen maar aangewakkerd, zo constateerde Sierksma. De moderne mens moest berustend toezien hoe zijn toekomst werd voorbereid door kernfysica en theologie.

Wat zocht Sierksma? Wat dreef hem tussen twee vuren? Waarom had Vestdijk hem zo geraakt? Waarom was hij zo kwaad op zijn criticasters die hem met ‘gooi- en smijtwerk’ monddood wilden maken?  Een intellectueel, zo stelde Sierksma, heeft een zeer grote marge van religiositeit. Hij ontkent dat zelf graag. Het is ook niet makkelijk om in het publiek in zijn hemd te staan en nog minder gemakkelijk om deze vertoning op te voeren voor de spiegel. Dat uitkomen voor je eigen fascinatie voor religie was na de dagen van Ter Braak een beetje een taboe geworden. Sierksma liet zich zeer kritisch uit over Ter Braak die in de ban zou zijn geraakt van de overlijdensakte van God die Nietzsche had doen uitgaan. Ter Braak kreeg voor de oorlog zo weinig weerstand onder Nederlandse intellectuelen, omdat maar zeer weinig mensen Nietzsche echt gelezen hadden.

Wonderlijk genoeg spreekt Sierksma niet over het ‘waardig afscheid van de religie’, de woorden die Vestdijk letterlijk noemt. Sierksma bekritiseert het toekomstbeeld dat Vestdijk schetst. De typologie die Vestdijk hanteert – en die voornamelijk gebaseerd is op godsdienstpsychologen als Jung en Jaentsch –  deugt niet volgens Sierksma. Hij wijst ook op aperte fouten bij Vestdijk. Het Jodendom, dat verkeerd geïnterpreteerd wordt, evenals het boeddhisme, waar hij te weinig van weet. Kunnen wij westerlingen het boeddhisme wel begrijpen? Boeddhisme als religie bestaat eigenlijk alleen in het Oosten. En toch is de drang naar het Oosten groot, ook rond 1950. Sierksma wijst op Huxley, Sartre en Koestler die ieder op hun eigen wijze verlangden naar oosterse wijsheid.

Maar Vestdijk? Hij weet het ook allemaal niet zo precies. Hij zet in ieder geval niet alles op één kaart. Christendom zal zich handhaven door zich aan te passen aan gewijzigde omstandigheden, zo stelt hij. Maar die bewering neemt hij even later weer terug. Uiteindelijk ziet Vestdijk een toekomst gloren voor een soort tussenvorm van het sociale en het mystieke menstype. De mens die zijn projectie van God heeft teruggenomen. Maar kan dat wel zo maar, de projectie van God terugnemen?  Alsof je een hengel ophaalt uit het water. Het hele betoog van Vestdijk draait om het fenomeen ‘projectie’. De projectie van God door het metafysische menstype. God bestaat niet, dat is de crux van de projectie.

Juist het ‘niet bestaan van God’ maakt de projectie metafysisch. God is een illusie die door de menselijke psyche wordt gecreëerd. Het is een drogbeeld dat de mens naar buiten werpt, zoals Kant beweerd heeft dat de menselijke geest ook ‘ruimte’ en ‘tijd’ naar buiten werpt. Maar die kantiaanse projectie van ruimte en tijd kan de geest niet terugnemen. De projectie van God kennelijk wel, die  raadselachtige neiging van de mens om God als een bestaand wezen naar buiten te projecteren. Dat is bijna een neurose en Freud had deze drang van de mens dan ook als een neurose omschreven. Critici wezen erop dat de God-projectie geen uitvinding was van Freud, maar ook door Feuerbach al is aangetoond.

Sierksma beweert dat het denken over God in termen van projectie als bij Xenophanes is terug te vinden. Het is niet de mens die een beeld is van God, zoals Calvijn heeft gedacht. Het imago dei  heeft de gelijkenis van degene doe projecteert. Of zoals Xenophanes als beweerd had: ‘Wanneer ossen. paarden of leeuwen handen hadden en met die handen konden schilderen of beeldhouwwerken maken zoals de mensen, dan zouden de paarden goden met lichaamsvormen als paarden, en de ossen goden met lichaamsvormen van de ossen schilderen of maken, precies als het uiterlijk  dat ieders soort heeft.’ En toch rijst hier de kernvraag: kun je nog over God spreken, zodra je dat doet in termen van projectie?

Maakt het fenomeen ‘projectie’ als zodanig het debat over religieuze zaken niet tot een schijndebat?  ‘Projecterenden’ en ‘niet-projecterenden’ hebben het immers over heel verschillende werkelijkheden. In dat opzicht had Van der Leeuw misschien dan toch gelijk, door het boek van Vestdijk voor het theologisch discours als irrelevant te bestempelen. Eigenlijk kan alleen de mystieke mens als godsdienstig type overleven, had Vestdijk beweerd. De mystieke mens is ‘naar binnen geïntegreerd’ in tegenstelling tot de metafysische mens die ‘gedesintegreerd’ is. De sociale mens is ‘naar buiten geïntegreerd’.

Maar deze schematische indeling doet de werkelijkheid geweld aan. Sierksma wijst erop dat ook de metafysische mens sociaal georiënteerd is getuige de ‘caritas’ in het christendom. Bovendien doet ook de sociale mens aan projectie. Zijn ideaalbeeld van een rechtvaardige samenleving projecteert hij namelijk in het hier en nu of in de nabije toekomst, met alle gevaren van intolerantie die dat kan opleveren. De utopische constructie van Vestdijk berust dus op wishfull thinking. Vestdijk ‘denkt teveel’ en heeft bovendien een blinde vlek. De psyche bevat zulke grote energieën dat zij niet tot de grenzen van de individualiteit beperkt blijven. Volgens Sierksma spreekt Vestdijk over dat soort zaken te lichtvaardig. De mens krijgt zichzelf niet op orde, nu niet, straks niet en ook niet in een verre toekomst.

De seksualiteit, zo meent Vestdijk, zal uiteindelijk voor de mens geen probleem blijken te zijn, terwijl daar juist heel wat ontsporingen – zoals de massahysterie – hun oorsprong vinden. Sierksma vindt Vestdijk op dit punt naïef. ‘Men steekt God noch de seksualiteit in zijn zak.‘ Er blijft altijd iets over in de mens dat onbegrensd is of het onbegrensde opzoekt. In zijn kritiek op Vestdijk hanteert Sierksma een subtiel onderscheid tussen transcendentie en metafysica. Er zijn vormen van transcendentie ook in de diepste lagen van de menselijke psyche. Transcendentie kan blijven bestaan ook zonder metafysica, zoals ook in de psychologie van Jung beschreven wordt. Daarmee hield Sierksma de deur op een kier. Jung was zo rond 1950 zijn laatste houvast in zijn trage afscheid van God.

2 Reacties »

  1. André van der Linden

    28 februari 2016 op 18:47

    Hierbij de ruwe versie, dus zonder correctie op verkeerd gescande letters eb leestekens. Uit ‘De Gids’van januari 1957.

    NIEUWE BOEKEN
    F. Sierksma, de religieuze projecties. Nr. 3—6 uit de serie Libertatis Ergo. – W. Gaade N.V., Delft. 234 pag. Prijs ƒ5.90.
    In deze studie tracht Dr. S. vat te krijgen op de religieuze ken-acte, door haar te verstaan als projectie. Projectie, aldus de auteur, is het subjectief aspect der menselijke waarneming, niet slechts een technische term uit de dieptepsychologie. Hallucinatie, overdracht, wishful thinking, beeldend denken en fragmentarische of misleidende waar­neming, zijn even zovele varianten op het ene gegeven der projectie, dat constitutief is voor de mens, wiens subjectiviteit in alle levensrelaties de objectieve wereld kleurt en wijzigt.
    Eerst dient deze omvormende subjectiviteit in de dierenwereld te worden nagegaan, alvorens zij in haar typisch menselijke vorm kan worden herkend.
    Welnu, de dierlijke waarneming blijkt te corresponderen met de handeling; beide zijn dwangmatig selectief, in dienst van de instandhouding van de soort. Om het karak­teristiek menselijke te formuleren grijpt dr. S. naar de terminologie van Helmuth Plessner: „die Positionalitat der excentrischen Form,” waarmee het menselijk zelf­bewustzijn, de gespletenheid, de dubbelheid van een theoretisch, gedistantieerd ik en een ik, dat gebonden is aan lichaam en ziel, worden aangeduid.
    Met behulp van zijn waarneming organiseert en stabiliseert de mens, dit uit zijn evenwicht geslagen zoogdier, zijn binnen- en zijn buitenwereld. Want naar evenwicht streeft het menselijk bestaan. Terwijl langs actief-bewuste weg de stabilisatie plaats vindt via de objectiverende begripsvorming, rijst uit het onbewuste het beeld op, waardoor het subject zich het on-objectiveerbare toeëigent. Zo, beurtelings en tegelijk objectiverend en projecterend, komt de mens zijn oorspronkelijke en altijd terugkerende evenwichtsstoornis te boven, vult hij de leegte op, wendt hij gevaren af.
    De religieuze projectie onderscheidt zich niet wezenlijk van andere projecties. Wanneer de mens niet in staat is vast te stellen wat achter de dingen ligt, projecteert hij eigen structuur of vaderbeeld in de diepte van het heelal of kleurt aspecten der werke­lijkheid tot heilige dingen. Ontogenetisch onderzoek leert dan dat zulke projecterende werkzaamheid inzonderheid optreedt na evenwichtsstoornis, na mislukte beheersing van de binnenwereld of uit verweer tegen de dreigende buitenwereld. Stabiliteit is eerste en laatste functie van de waarneming, ook van de projectie, ook van de religie.
    Als de auteur het terrein van de religie zelf betreedt, schenkt hij slechts terloops aandacht aan de bijbelse geloofswereld (vaderprojectie, wedergeboorte als drift­sublimatie, creatuurbesef worden aangestipt), doch richt zich op de bonte veelheid der religieuze verschijnselen, om dan ten slotte relatief uitvoerig de mystiek en het Boeddhisme te bespreken. Dit laatste bevreemdt niet, want hier vindt regelrecht aan­sluiting plaats op de biologisch-anthropologische onderbouw van deze studie.
    Dr. S.’ betoog is lezenswaard. Niet alleen is de schrijver zeer belezen en formuleert hij scherp, hij heeft een doel voor ogen — de psychologische doorlichting van het religieuze in biologische en diepte-psychologische context — en hij verkent energiek het wijde terrein van de godsdienstwetenschap. De crux van het boekje is dat het de vraag naar waarheid en werkelijkheid van wat in de religie, resp. in het Chr. geloof geïntendeerd wordt, niet stelt, maar wel, al suggererend, beantwoordt.
    Mijn bezwaren liggen niet in de richting van het biologisch en anthropologisch kader waarin dr. S. het kennen, ook de geloofskennis, plaatst. Dat werkt verruimend en ver­frissend. Evenmin mag men de psycholoog verwijten dat zijn boek eenzijdig psycho­logisch is en aan wijsgerige of theologische vraagstelling niet toekomt. Doch als de psychologische observatie en biologische encadrering in feite de plaats van wijsgerige en theologische bezinning gaat innemen en achter een wat grimmig en dwingerig pathos van zuivere wetenschappelijkheid, een nauwelijks verholen aandrift merkbaar wordt om, niet zozeer de religie als randverschijnsel van het bestaan, doch vooral het bijbels geloof weg te verklaren, gevoel ik behoefte aan discussie met open vizier.
    De „Libertatis ergo” serie is van Vrijzinnig Protestantsen huize en wil „midden in het Protestantisme” staan. Hoe men dat voor elkaar wil brengen met Dr. S.’ biologis-tisch religieuze kcnnisthcorie en zijn beslist en welsprekend pleidooi voor Boeddha’s unieke bijdrage, zal, nemen wij aan, voor de redactie groter zorg zijn dan voor de auteur.
    J. M. de Jong

  2. André van der Linden

    28 februari 2016 op 20:25

    Tja , die Van den Bergh heeft nogal wat teksten gemaakt. Door het perspectief van de tijd lijken ze bijna lachwekkend. Zo niet Vestdijk:

    S. VESTDIJK
    KRONIEK VAN DE POËZIE
    De sluiswachter van het Getij1)
    Een oningewijde in onze poëzie van de laatste veertig jaar — oninge­wijdheid, die in dit bijzondere geval met een degelijke kennis van open­bare poëtische zaken gepaard kan gaan — zou in de Inleiding tot de in 1954 verschenen Verzamelde Gedichten van Herman van den Bergh, waarin de dichter zijn langdurig stilzwijgen van commentaar voorziet en de her­vatting van zijn productie als mogelijkheid aanroert, een overmatig be­sefvan eigen importantie kunnen proeven, een vervuldheid met zichzelf, die naar zijn gevoelen niet door de feiten wordt gerechtvaardigd. Wan­neer ik daar als mijn persoonlijke meening tegenoverstel, dat Van den Bergh in dit fraaie en geserreerde proza de grootst mogelijke — let wel: mogelijke — bescheidenheid heeft betracht, dan is het duidelijk, dat deze differentie alleen vereffend kan worden door ons te verstaan over wat men hier als de „feiten” heeft te beschouwen. Wie deze feiten uit min of meer officiëele poëzieoverzichten haalt, waarin Van den Bergh met academische regelmaat achter Marsman en Slauerhoff schuilgaat, als een soort sluis­wachter van het Getij, dat deze beiden droeg en opstuwde en hoog op­stootte midden in de vaart van ons volk, komt uiteraard tot een andere slotsom dan wie hem zonder eenig voorbehoud tot de drie of vier groote oorspronkelijke krachten rekent, waaraan onze poëzie haar „feitelijk” bestaan heeft te danken.2)
    Beide opvattingen zijn te verdedigen. Ten gunste van de eerste zou men kunnen wijzen op het experimenteel en ordeloos karakter van sommige gedichten van zijn hand, het blijven steken in schetsen, de temperaments-
    x) Herman van den Bergh, Het Litteken van Odyseus, A. A. M. Stols, 1950. 2) In de 14e druk (1951) van Nederlandse schrijvers en schrijfsters van L. Leopold wordt Van den Bergh tussen ruim 30 dichters van Perk tot Aafjes niet eens genoemd.
    xi) uitbarsting, die zich zelfs niet tot kunst zou laten temmen bij nog meer talent dan waarover deze „expressionistische” baanbreker kennelijk in overvloed beschikte. Wie de eisch stelt, dat een gedicht in zichzelf afge­rond moet zijn, natuurlijk stroomend in al zijn geledingen, verkiest Mars­man boven Van den Bergh; want de korte gedichten uit Marsman’s be­ginperiode waren, met temperament en al, volstrekt organisch gegroeid en volgroeid; zij waren er; met één pennestreek werden hier kleine werel­den geschapen. Wie daarentegen de verhelderende en indringende beeld­spraak tot maatstaf neemt, het tot leven wekken van het schijnbaar gereed­liggend plastisch symbool dat zooveel mogelijk werkelijkheid ontsluit, die moet wel de voorrang toekennen aan de jonge Slauerhoff. Deze over­wegingen blijven van kracht, ook voor wie ze zou willen relativeeren; en in historisch perspectief heeft Van den Bergh er eigenlijk alleen tegen­over te stellen, dat hij in de Getij- en Vrije Bladen-ontwikkeling dan toch maar aantoonbaar de eerste is geweest, en dat zijn taalgebruik op Mars­man en vooral op Slauerhoff een indruk moet hebben gemaakt, waarvan omvang en intensiteit alleen nog kunnen worden nagevoeld door wie deze jaren, desnoods op een afstand, mecbeleefde. In de genoemde Inleiding betwijfelt Van den Bergh zijn „nieuwheid,” maar dan alleen ten opzichte van buitenlandsche voorloopers; hij weet heel goed, dat hij voor ons land, in de toenmalige situatie, zoo nieuw was als niet eens Gorter in de Tach­tiger Beweging. Daarbij komt, dat de tijdsafstand, die hem van de in aan­merking komende internationale stroomingen scheidde, geringer was dan in de andere gevallen die hij ter illustratie noemt (de afhankelijkheid van de Tachtigers van Keats en Shclley b.v.). Dit als correctie op een al te groote bescheidenheid.
    xii)
    Nieuwheid vergaat, en wordt van lieverlede stokoud, en de blijvende waarde van poëzie is, ondankbaar genoeg, nog nimmer aan gangmaker­schap afgemeten. Nu de jaren verstreken, jaren, voor ons des te doorzichti­ger gemaakt door Van den Bcrgh’s vrijwillige abdicatie, zoodat onze blik niet door een maar voortgang hebbende productie wordt afgeleid en wie weet vertroebeld, nu keuren wij deze poëzie, als poëzie, heel anders dan toen zij nog als tijdsverschijnsel afgedaan of bejubeld kon worden. Nu verdwijnt de neiging tot vergelijken, met Marsman, met Slauerhoff, nu wenschen wij ons toegang te verschaffen tot Van den Bcrgh’s eigenste domein. Wat zijn deze gedichten waard? Hun waarde is aanzienlijk, komt mij voor; maar ik ben geen vriend van globale aanprijzingen; en dat zij zeer verschillend van waarde zijn, is mij vandaag niet voor het eerst op­gevallen. Er is een sterke Van den Bergh, en er is een minder sterke, die men verouderd zou kunnen noemen; en deze schifting behoeft niet onstel­selmatig te geschieden, want zij valt ongeveer samen met de indeeling in twee genres, ruwweg van elkaar te onderscheiden naar hun graad van „expressionisme”, dat zelf niet meer is dan een ruwe karakteristiek. Het eerste, datgene waarmee men de gehcele figuur Van den Bergh te vaak heeft willen vereenzelvigen, is dat der z.g. heidensche evocaties, der exuberante woordenfresco’s, der „priapische” liederen, waarvan de over­dadige uitstortingen de vorm soms overspoelen: een poëziesoort, die reeds krachtens haar onderwerp in zooveel jaren wel verblecken moest, onge­acht het vele dat te bewonderen overbleef. Overgangsgevallen naar het tweede genre komen tot stand, hetzij doordat de ongebreidelde drift, van buiten afgezien min of meer toevallig, op de geserreerde vorm stuitte, die haar met list of moeite overmeesteren kon, hetzij doordat rustiger sferen zich reeds aankondigden, ofschoon verwoording en vormgeving nog onder­hevig bleven aan de woeste golfslag naar het oneindige. Deze overgangen liepen over de vorm of over de inhoud; en het is, nu nog, van ongcmeene bekoring, met de dichter de verschillende paden te bewandelen, die van het eene extreem naar het andere leiden, van het „expressionistisch” vers in zijn meest enthousiaste, maar wel eens door uitholling bedreigde ge­daante, naar een groep verzen, die ik veel hooger schat en die zich laten tooien met de term elegisch intimisme. Hier vooral, onder vastere greep van bezinning en concentratie, wordt met de taal getooverd: dit feilloos naast elkaar en in elkaar zetten van het schijnbaar onvereenigbare, een verrukkelijk soort kantigheid en hardheid, die de Ncderlandschc poëzie niet eerder had gekend, een verbale fantasie die zich niets liet ontgaan en alles waagde en die uit zeldzame contrasten nieuwe tastbare dingen smeedde: „arduinen licht, tredgang der verheerlijking,” of indrukwek­kende tritsen van adjectieven als „schuivclcnd, redeloos, paarsgewijs,” en dan ineens weer die glijdende curve van onnavolgbaar Mozartiaansche gratie: „Van wat aan uw wanden, vroege vrouw, sluimer legt en handen tot een vouw.” En bij dit alles ook menschelijke inhoud, te over. Maar bij het weerzien is de magie van het woord voor mijn gevoel altijd nog over-hcerschcnd.
    Van den Bergh’s voortreffelijkste proeven, waarschijnlijk ook die welke zijn tijdgenoten het diepst hebben beroerd, vindt men in zijn tweede bun­del, De Spiegel, waar de woelende krachten van De Boog geleidelijk uitmon­den in stilte en resignatie. Achter de Stilte, misschien het mooiste gedicht van de vier die ik bedoel, en zeker het gaafste, is hier bijna een program. In De Boog kon deze besloten eenvoud nog maar tot zijn recht komen in een decoratieve genrekunst, meer fijnzinnig spel dan vervulling, en meer tegenstem dan hoofdthema. Hier, in deze navrante momentopname van de hond en de herder, is de stilte nóg eens tot stilte geworden door de zware, droefgeestige klank van het afscheid: afscheid van de dag, maar ook van een jeugd, en ook, zooals te spoedig blijken zou, van een dichter­schap, dat voorbestemd was, een Poolnacht lang, de donkere helft van zijn bestaan te doorschrijden. Er loopen draden naar de andere drie ge­dichten, die men gedeeltelijk in eikaars termen zou kunnen omschrijven. Want ook in De Blinde Kamer, deze variant vol diepzinnige fantasie op de epische legendetoon, is „de dag blind”, en ook in Lied, met zijn prachtig spontane cyclische gestalte, waarin de inzinking in het midden bijna een organische functie vervult, zingt het „geboren hart, klein, erbarmend.” Als vierde dan dat fascineerende, naar de gewaagde verwoording nog het meest „expressionistische” Faustus, een rijk en grillig portret, slordig toctastend en met een Fransch citaat ergens, een magisch hortend be­naderen van de magiër, waarin de assonances de korzelige weigering schij­nen te symboliseeren om te zijn wie men is en te worden wie men moet zijn, en waar metamorphoscn zonder tal hun rust eerst vinden in de catastrofe. „Alles, alles is geoogst.” En dan die laatste drie strofen, die ik niet kan nalaten over te schrijven, want zij vormen een der hoogtepunten van onze gcheele poëzie: deze ongehoorde superioriteit in bezongen figuur en woord­keus beide, wanneer na de vergetelheid in de slaap de overwonnene nog kracht vindt zijn zelfvernietiging te logenstraffen met de bleekste, de ziekste, de gclatenste glimlach die ooit vijanden beschaamd heeft doen staan.
    Hoort hoe zij haten dit verminkt gevaar
    voor ’t waanbeeld van hun klein, toekomstig wezen.
    Met dunnen vinger, met gevierden degen
    wijzen de bloeienden dit bloeisel na.
    Hij stuikt, hij valt. Zooals het warme kind de zee vastgrijpt waarin het wordt gedompeld krampt hij zich in den dalgrond weg en dronken. Binnen ’t bevriende donker slaapt hij in.
    Eens zal de dauw hem wekken. Wees dan kalm als hij gesloten blijkt voor woord en zin: weest kalm wanneer straks zijn verwelkte blik de punt van uw degen tegenlacht. —
    Wanneer alles geoogst is, gaat men rusten. Men begeeft zich in de nacht van Faustus, en laat anderen het bloeien over. Het is hier niet de plaats de oorzaken te bepalen die tot zulk een langdurig interim hebben geleid. Van den Bergh zegt er dingen over, die behartigenswaard lijken; en een zekere trots op dit kunnen zwijgen, wanneer men weet of vreest niet meer het hoogste te kunnen geven, is wel gerechtvaardigd. Gerechtvaardigd vooral na zulk een begin, dat veel meer was dan een belofte, die, zooals de literatuurgeschiedenissen dat willen, door degelijke werkstukken nog moest worden ingelost. Deze burgerlijke voorstelling van zaken heeft in poëziebeschouwingen al heel wat verwarring en waardevervalsching na zich gesleept. En het is toch zoo goed bedoeld! In de wereld maakt iemand promotie, waarom de dichter dan niet in zijn eigen wereld? Mag de jongeling, als poëet zoo gemakkelijk te ridiculiseeren, dan niet zijn ver­vulling vinden in mannelijke rijpheid? Dit mag; en het zou heel mooi en logisch zijn, wanneer het ook gebeurde; maar, de uitzonderingen daar­gelaten, ziet men het nooit gebeuren. De wet, waaraan bloeiprocessen ge­hoorzamen, is onverbiddelijk; en de ervaring — een steeds genegeerde ervaring — wijst uit, dat de typische dichtercurve niet is de eerzaam om-hoogstrevende rechte lijn, doch de curve van Herman van den Bergh’s Lied, met de inzinking in het midden, — ergens in het midden, want zij kan even goed na het 30-e optreden als voor het 20-e; en ook aangaande haar duur zijn geen vaste regels te geven, en evenmin aangaande het tijdstip van de tweede bloei, zoo die komen wil. Haast heeft het de schijn, alsof een dichter aan de aanvang der wereld moet staan, of haar achter zich moet hebben gelaten.
    Van den Bergh’s nieuwe poëzie brengt zijn bewonderaars dus in de po­sitie van de zoöloog, die de voorste en de achterste wervel van een hem onbekende diersoort gevonden heeft. Gelukkig is in dit geval de diersoort tamelijk bekend, en geeft in de wereld van de geest een dergelijke vondst geen aanleiding tot klachten over verbrokkeling. Van speculaties hoe het geweest zou zijn, indien de dichter zijn decennia al dichtende had gesleten, of dit tot een soortgelijk resultaat had kunnen leiden als dit geschenk van een alleen innerlijk voorbereid herbeginnen, kan men zich beter ont­houden; maar in verband met het verrassend hooge peil van het latere werk is wel dit van belang: de vrijwel volledige technische onafhanke­lijkheid van het vroegere, ondanks de menschelijkerwijs aanwezig te achten verleiding om zich los te schrijven in aansluiting daaraan. Het litteken van Odysseus is autonome poëzie. Dit is veelzeggend, en bewijst de echtheid van de man, die het auto-epigonisme als hulptechniek voor bejaarde aanvangers meende te moeten versmaden.
    Wil men toch nog naar aanknoopingspunten zoeken dan lijkt, globaal, deze bundel eerder een verre consequentie van Van den Bergh’s „expres­sionisme”, dat hier, tot onherkenbaar wordens toe gekalmeerd en in even­wicht gebracht, enkele oude doelstellingen met nieuwe middelen ver­wezenlijkt, dan van de „intimistische” gedichten, waarin hij zich het zuiverst had uitgesproken. Dit is te begrijpen, in verband juist met de waardeverschillen. In het onuitgegiste brouwsel lagen de meeste kiemen, de vruchtbaarste mogelijkheden. Men kan ook aan de wet van de rem­mende voorsprong en de begunstigende achterstand denken. Het intimis-me was als het ware Van den Bergh’s „vorm”, het expressionisme zijn „inhoud”, — met de eigen passende vormen uiteraard, — en dat de in­houd, de levensimpulsen, de schatten der ervaring, al datgene wat vlot­tend en halverwege tusschen ding en beeld de ziel vervult, langer na-werkt dan poëtische réussites, waarvan de innerlijke harmonie geen verdere ontwikkeling gedoogt, is zeker aannemelijk bij een dichter, die het dichter­schap zoo weinig van het mensch-zijn ziet onderscheiden als Herman van den Bergh.
    Intusschen zal bij deze late wedergeboorte wel niemand aan een repri­se van het twintiger expressionisme willen denken. De krachten mogen dezelfde zijn gebleven en misschien zelfs het doel, — wereldverovering als zelfbevestiging, — de middelen, zelfs de taalmiddelen in engere zin, ondergingen een vrij ingrijpende wijziging. Dit is een idioom, dit late, dat de prachtlievcndc metafoor nog maar schijnt toe te laten na toetsing op haar doelmatigheid. Dit gaat zoo ver, dat waar een enkele maal her­inneringen opduiken aan de vroegere exuberantie, waarbij schilderachtige onnauwkeurigheden niet altijd te vermijden waren, bijna steeds een tech­nische oorzaak aansprakelijk is te stellen zoo in Rhodische Metamorfose de regel „onder heil en doemen door”, waar „doemen”, normaal in het vroegere stijlgemiddelde, waarschijnlijk niet aan ’s dichters pen ontsnapt zou zijn, indien de metriek niet een meervoud had bevolen, dat, en niet alleen door de overeenkomst met het werkwoord, zijn taalgcvoeligheid moet hebben gegriefd. Maar in dit gedicht staat ook de zoo simpele regel: „Hij draagt zijn leven als een houtduif op zijn hand,” als een blijk van verstilling der aangeblazen fantasie tot apollinische klaarheid, en een welsprekende getuigenis voor een onmerkbaar verloopen evolutie van het uitwerpen van beelden naar het schouwen ervan.
    Toch is Herman van den Bcrgh in één opzicht „expressionist” gebleven, zoodat een afgesleten rubriceering nog zorg kan dragen voor cenigc historische continuïcteit. De expressionist trekt erop uit om de wereld, zijn wereld, te veroveren, daar waar de impressionist thuis blijft zitten, ook in het buitenland. Deze tegenstelling tusschen rust en beweging lijkt mij een iets betrouwbaarder criterium bij het onderscheiden van twee veelbespro­ken kunstsoorten dan die tusschen „uitdrukking” en „indruk”, waaraan men reeds psychologisch zoo weinig houvast heeft en die, b.v. tegenover de „sensitieve” gedichten van Gorter, de theoreticus in de grootst moge­lijke verlegenheid kan brengen. Welnu, Herman van den Bcrgh is er altijd wel op uit blijven trekken, blijkt nu. De eerste helft van zijn bundel, Mediterranea, en een en ander uit de tweede, Audire silentium, vertegenwoor­digen met elkaar zelfs zooiets als een beknopt reisjournaal, waarin be­zonken wijsheid zich meet met imprcssionabilitcit, en het beeldend dichter­schap met een gebondenheid aan de antieke cultuur in enkele niet zeer conventionele aspecten, zooals die zich aan de kenner openbaren. En door dit alles heen vaart hij op het kompas van een menschclijkheid, die zich bij tijden volledig weet te verliezen in het andere en de anderen: gestalten, die nog slechts onder voorbehoud, en soms in het geheel niet meer, als gelijkenis op te vatten zijn van het bedreigde, zich verschansen­de of zich in uiterste zuiverheid hernemende innerlijk van de dichter, zooals Faustus en de blinde karner dat nog waren. In De Klacht der Kapper-pluksters van Filiducï, voor mij het indrukwekkendste gedicht uit deze twee reeksen, is de weg afgelegd van wat in Lied voor de „vroege vrouw” werd gezongen in een nieuwe, tóen nieuwe schoonheid, naar de genegen aan­dacht voor het harde vrouwenbestaan, dat schoonheid nog maar verdraagt in de woorden, niet in werkelijkheid. De eerlijkheid, waardoor dit gedicht aangrijpend is, zou ook zelfverloochening kunnen heeten. Ik citeer de laatste vijf strofen.
    Wij kapperpluksters houden ijdle wacht over een niets dat restte uit de vulkaan die sinds de voortijd zweeg. Een harde maan maakt ons tot mannen zelf: ver in de nacht
    schommelt als laatste wieg der eenzaamheid de vissersboot, lantaren in de plecht, moeder en meisjes op de riemen recht staande, borst aan het hout, de benen wijd,
    met vader spiedend onder ’t watervlak naar vangst voor ’t onvermijdelijke maal •— zeeschorpioen, poliep en lamporaal —; wij eten zwijgend, maar de leest staat strak.
    Wie waant dat deze wanhoop wordt gewraakt van vrouw te zijn in het vergeten bed, van trouw te zijn aan maagdom en gebed, wie stilt het nieuw geslacht dat in ons waakt?
    Zje hoe met ieder woord, bij elke vraag ons vruchtbaar lijf op deze stenen dort; de zee likt als een hond — maar ginder stort de waterval van eeuw tot eeuw omlaag.
    Ja, dit is wel het hoogtepunt, deze wrange berusting van jonge vrouwen in het mannelijk lot, — mannelijk bezongen ook, in korte karige woorden, en met een zorg voor mannelijke rijmen, volgehouden het heele gedicht door. Maar er zijn andere, met meer zwier nog, meer dolende bespiege­ling, bloeiender beelden, spontaner lyriek: Rhodische Metamorfose, Dia­tonische Aubade, Reiziger, Voorspraak. Gezamenlijk maken zij deze bundel tot de evenzeer overtuigende als onnodige revanche van een dichter.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)