Vestdijk en Sierksma (1)

mens

‘Mens word je niet door geboorte,’ heeft de schilder Kokoschka ooit eens beweerd. Mens worden is een pijnlijk proces. De drijfveer van religie is het heimwee naar een verloren staat van het bewustzijn, het embryo, het paradijs, het vaderland, het beloofde land. Leven in de tijd is leven in gescheidenheid. Het onbewuste daarentegen is tijdloos. Het is de duistere achterkant van het bestaan die voortdurend vraagt om een verzoening, een herstel, een terugkeer, een samenkomst van het aanwezige en het afwezige die alleen in het absolute mogelijk is.

Fokke Sierksma zag de religie vanuit een antropologisch gezichtspunt, het perspectief van de mens. Cultuur is de omweg waarmee de mens een verhouding aangaat met de natuur die hij om zich heen en in zichzelf aantreft. Die verhouding is noodgedwongen een gespleten verhouding. Er is sprake van een dubbele breuk: een breuk tussen de mens en de wereld en de mens en zichzelf. Een mens heeft bewustzijn en is zich daarvan bewust. Dat is de condition humaine, waarin de mens moet zien te leven. Om te leven creëert de mens zijn cultuur en in laatste – of misschien zelfs eerste instantie – zijn religie.

Religie is de sluitsteen in het culturele proces. Religie is het dak, maar ook het fundament dat het huis van de cultuur in stand houdt. In feite is het hele oeuvre van Sierksma op te vatten als een aanhoudende poging om een geseculariseerde vorm van theologie te creëren. De kern van de religie diende te worden veiliggesteld in een tijd waarin het afscheid van de projecterende religies, zoals christendom en islam, onvermijdelijk was.

‘Simon Vestdijk was de Augustinus van de twintigste eeuw’. Dat placht Fokke Sierksma wel eens te zeggen, als hij college gaf in Leiden. Ik hoorde dat ooit van Jan Gulmans die nog college bij Sierksma gevolgd heeft. Het lijkt me een bewering die enigszins overtrokken is. Vestdijk was geen Augustinus. Maar zeker is dat zijn boek De toekomt der religie kort na de oorlog op de jonge Sierksma een diepe indruk heeft gemaakt. Hij las het maar liefst vier keer achter elkaar, dus moet hij het haast uit het hoofd hebben gekend.

Ikzelf las De toekomt der religie in 2004, kort nadat ik hersteld was van een burn-out, waarvoor ik twee keer kort na elkaar in het ziekenhuis belandde. Ook op mij maakte dit boek van Vestdijk veel indruk. Ik schreef erover in De Moanne onder de titel Een pleidooi voor een waardig afscheid (jaargang 7, september 2004). Later heb ik die tekst nog enkele malen herschreven tot de definitieve versie in 2011 als hoofdstuk werd opgenomen in mijn bijdrage aan het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose.

*

toekomst-dre-religie-kaft   In het jaar dat ik geboren werd, in 1947, verschenen twee opmerkelijke boeken: De Avonden en De toekomst der religie. Het eerste is het meest gelezen boek van Gerard Reve, het tweede het meest controversiële boek van Simon Vestdijk. Toen ik de leeftijd had, dat iedereen om mij heen De Avonden las, verdiepte ik mij in andere boeken. Op de drempel van mijn volwassenheid was Reve niet mijn held. Alleen Op weg naar het einde heb ik gelezen toen ik zeventien jaar was. Reve en Vestdijk waren lange tijd twee tegenpolen. Zo kenmerkend voor zijn tijd als De avonden was, zo profetisch was De toekomst der religie. Met het schrijven van dit boek was Vestdijk al in de late oorlogsjaren begonnen, tijdens zijn verblijf in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. De tekst was gebaseerd op lezingen voor zijn lotgenoten, die de elite zouden gaan vormen in de tijd van de wederopbouw. Voor het maatschappelijke debat was religie tot lang na de oorlog eigenlijk geen onderwerp, voor de literatuur des te meer. Een door God vergalde jeugd zou voor een nieuwe generatie romanciers een goudmijn worden voor bekentenisliteratuur in dienst van de seksuele bevrijding.

In die zin was de bekeringsgeschiedenis van Gerard Reve – die zich in de eerste helft van de jaren zestig voltrok – de uitzondering die de regel eerder bevestigde dan ontkende. Ik zelf kocht De toekomst der religie eind jaren zestig, waarna het decennia lang ongelezen in mijn boekenkast stond, totdat ik het onlangs ter hand nam. Ik raakte geboeid door de droge zinnen van de auteur. Ondanks die merkwaardige stijl, die eerder hersencellen doet kraken dan verwondering weet te wekken, is deze beschouwing nog altijd een toonbeeld van helder denken over een allesbehalve helder onderwerp.

Het is een boek dat zijn actualiteit herwint nu alom gedebatteerd wordt over de plaats van de religie in een op drift geraakte samenleving. Hoewel de tendens naar ontkerkelijking nog altijd doorzet, lijkt het religieuze bewustzijn terug te keren in een andere vorm. Religie blijkt nog altijd een maatschappelijke kracht te zijn die serieuze aandacht verdient. Zeker nu de islam zich steeds zelfbewuster manifesteert als de derde religie van Nederland. Vijftig jaar secularisering heeft geen antwoorden opgeleverd op enkele actuele vragen die kort na de oorlog ondenkbaar waren. Mogen islamitische vrouwen wel of niet hoofddoekjes dragen? Heeft islamitisch onderwijs bestaansrecht? Of: welke plaats moet het christelijk gedachtegoed krijgen in de nieuwe Europese grondwet?

Achteraf bezien maakt Vestdijks boek één ding duidelijk. In het Nederland van na de oorlog is het afscheid van de religie overhaast en geforceerd verlopen. En dat was nu juist het grote gevaar, waarvoor Vestdijk in dit boek waarschuwde. Zijn pleidooi voor een traag en waardig afscheid van het christendom bepleit impliciet een houding die de huidige dialoog met de islam wellicht op meer waardige wijze mogelijk maakt. In het nog volledig verzuilde klimaat van kort na de oorlog, waarin de religie dominant aanwezig was en een agnostisch intellectueel doorgaans als ‘heiden’ of ’paganist’ werd bestempeld, kwam het pleidooi van Vestdijk voor een waardig afscheid van het christendom veel te vroeg. In onze huidige tijd, die niet alleen gekenmerkt wordt door een verlangen naar een traditionalistische reconquista van alles wat met het verdwijnen van de religie verloren is gegaan, maar ook door een herontdekking van het belang van het nog bestaande confessionele erfgoed, is het boek van Vestdijk meer dan een archeologische opgraving naar de toekomst van gisteren.

Wat is er zo bijzonder aan dit boek? In de eerste plaats het respect waarmee Vestdijk schrijft over een religie die hij in feite ten grave draagt. Want anders dan de titel suggereert, gaat dit boek niet zozeer over de toekomst van de religie, als wel over het afscheid van het christendom. Na twintig eeuwen is deze unieke vorm van religie ten dode opgeschreven, ondanks de geniale vondst van de mens geworden zoon van God. Met die uitvinding werd het monotheïsme van het Jodendom van zijn ongenaakbare trekken ontdaan. Het christendom heeft de idee van ‘de volmaakte mens’, die eigen is aan vrijwel elke religie, als een God op aarde neergezet. Niet alleen als een radicaal voorbeeld tot navolging, maar ook als een wondermiddel tot verlossing. Zo werd een verzoening mogelijk met lijden en dood door een beloofde genoegdoening in het hiernamaals. Op deze wijze heeft het christendom de mens tweeduizend jaar kunnen vrijwaren van hoogmoed, enerzijds omdat de verleiding werd weggenomen om als mens zelf God te kunnen worden, anderzijds omdat de utopie werd ontmoedigd om de volmaakte mens al hier op aarde te realiseren.

Volgens Vestdijk is het christendom de laatste religie – het woord islam komt in zijn betoog niet voor – die nog de primaire trekken draagt van de metafysische projectie, dat wil zeggen de oerdrang om een God te projecteren in een buitenwereldse ruimte. Deze metafysische projectie leidt niet zelden tot verstarring en dogmatiek, omdat een diepe onzekerheid – waaruit de projectie juist voortkomt – radicaal wordt verdrongen. Vestdijk maakt de balans op van twintig eeuwen christelijke beschaving en concludeert dat de machtsdrift van de mens de metafysische projectie steeds aan anderen heeft willen opdringen, wat tot desastreuze gevolgen heeft geleid, dat wil zeggen: ‘moord en doodslag, egoïsme en berekening, onverdraagzaamheid en hypocrisie, begaan en getolereerd onder de auspicea van het Evangelie der liefde.’ Wanneer men dat alles overziet, zo concludeert hij …’dan kan men zich moeilijk aan de gedachte onttrekken, dat hier iets hapert en dat de preoccupatie met het bovenzinnelijke wellicht teveel religieuze energieën heeft opgeëist om het religieuze leven op aarde ten goede te kunnen komen.’

Frans-Kellendonk-Het-complete-werk-27126855  En hoewel Vestdijk rekening houdt met de mogelijkheid dat er zonder christendom nog veel meer moord en doodslag was geweest, ziet hij na twintig eeuwen deze unieke vorm van religie gedoemd te verdwijnen. Het christendom gaat ten gronde doordat de transcendentie verdwijnt en mens de ruimte ontnomen wordt voor een metafysische projectie. Dat gebeurt in een sluipend proces dat gepaard gaat met een toenemende verstarring en objectivering van de geloofsinhouden. Maar het christendom verdwijnt vooral door een innerlijke tegenstrijdigheid, die het bankroet van de metafysische religiositeit als zodanig met zich mee zal slepen. ‘Die innerlijke tegenstrijdigheid,’ zo stelt hij, ‘ berust op het ene grondeuvel van een te grote afstand tussen het menselijk individu en de vormen, waarin het ideaal der natuurlijk-volmaakte mensheid is gesteld. Door een te strenge dogmatische afwerking, een al te tastbare objectivering in het bovenzinnelijke gaat de waarde van dit ideaal, van deze “idee” verloren, – de idee verstart tot begrip, verliest haar betekenis van richtingaanwijzer, die zich aan alle richtingen aanpast, verliest haar dynamiek, wordt minder levend en spontaan. Dat betekent: zij verliest haar religieus opvoedende, haar psychagogische betekenis.‘

Het hele betoog van Vestdijk draait om dit fenomeen ‘projectie’, dat wil zeggen: de projectie van God door het menstype dat daar nog toe in staat was. Of zoals Vestdijk het zelf formuleert: ‘De ongelooflijke primordiale kracht van de projectie gedoogt niet de minste twijfel aan de waarde dezer projectie als bron van kennis van het bovenzinnelijke. God bestaat niet, hij is een illusie, dat is de crux van de projectie. Juist het ‘niet bestaan van God’ maakt de projectie metafysisch. God is een illusie die door de menselijke psyche wordt gecreëerd. Het is een drogbeeld dat de mens ‘naar buiten werpt’ (het Latijnse werkwoord proicio betekent letterlijk ‘vooruitwerpen’ of ‘uitwerpen’). Ook Kant beweerd heeft dat de menselijke geest ook ‘ruimte’ en ‘tijd’ ‘naar buiten werpt’. maar die kantiaanse projectie van ruimte en tijd kan de geest niet terugnemen. De projectie van God kennelijk wel. Volgens Vestdijk komt de tragiek van het christendom voort uit een doofheid voor zijn eigen mystiek. Alleen de mysticus immers slaagt er in om het absolute karakter van de geprojecteerde symbolen ‘terug te nemen’.

Grote woorden kun je wel afschaffen, maar niet het verlangen waar ze altijd van hebben geleefd, heeft Frans Kellendonk ooit eens beweerd. In de jaren negentig keerde religie terug op de agenda van het maatschappelijk debat, niet alleen door de opkomst van de multiculturele samenleving, die de seculariteit van het publieke domein opnieuw ter discussie stelde, maar ook door een opkomend gevoel van onbehagen over een almaar voortschrijdende verzakelijking en ontzieling van de wereld. Je kunt niet afscheid nemen van domineesland, zonder te weten waar je naar toe gaat. Terugkijkend na meer dan een halve eeuw secularisering lijken die woorden misschien wel de onuitgesproken bottomline in Vestdijks ‘toekomst der religie’.

Voor die toekomst schetst Vestdijk meerdere scenario’s, waarbij hij uitgaat van een lange termijnperspectief voor de westerse cultuur als een ‘proces van toenemende desintegratie van gevoel en verstand’. Een proces waaraan het christendom zelf – samen met de latere ontwikkeling van de wetenschap – veel heeft bijgedragen. ‘Integratie’ en ‘desintegratie’ vormen dan ook de sleutelwoorden in Vestdijks betoog. Bij de uitwerking van de verschillende toekomstscenario’s maakt hij dankbaar gebruik van de ideaaltypen uit de vooroorlogs karakterpsychologie. Zo verwacht hij dat het ‘gedesintegreerde, metafysische menstype’ in de toekomst verdrongen gaat worden door het meer ‘geïntegreerde, sociale type’. Daarbij heeft hij een socialistisch idealisme voor ogen, dat voor de gedachte aan de volmaakte mens geen opperwezen nodig heeft, maar dit in wezen religieuze idee als een, op aarde te realiseren of na te streven ideaal beschouwt. Je kunt je afvragen of dit sociale streven wel een vorm van religie is, maar Vestdijk ziet het socialisme primair als een vorm van christendom, waarbij hij aanhaakt op gedachten over de christelijke kern van fascisme en communisme in Van oude en nieuw christenen (1937) van Menno Ter Braak (1902-1940).

braa002vano01_01_tpg   Met het socialistisch idealisme, dat Vestdijk voor ogen heeft, lijkt op het eerste gezicht de mensheid van een betere toekomst verzekerd, maar dat is volgens hem allerminst het geval. Het socialistisch gelijkheidsstreven past immers bij een menstype dat zijn idealen niet zelden te hoog stelt. Zijn drang tot metafysische projectie, die nu eenmaal eigen is aan de mens, moet hij nu op ‘het collectief van mensen’ kwijt zien te raken, met alle gevaren van dien, zoals intolerantie voor andersdenkenden en veronachtzaming van het innerlijk leven. Dit sociale streven heeft doorgaans ook weinig oog voor de tragische realiteit van het menselijk bestaan. Met deze gedachte sluit Vestdijk aan op de kritiek op het marxisme die al voor de oorlog vanuit rooms katholieke zijde is verwoord: het marxisme zou een tragische poging zijn om de ‘condition humaine’ (de erfzonde) te ontkennen. Het marxisme heeft ook geen ruimte voor – laat staan een antwoord op – basale levensvragen over de oorsprong van het kwaad of de aanvaarding van lijden en dood. Marx lees je nu eenmaal niet op je sterfbed. Bovendien vraagt Vestdijk zich af of een sociale orde zonder metafysisch projectie eigenlijk wel mogelijk is. Anders gezegd: is er een duurzame maatschappijvorm denkbaar zonder algemeen beginsel dat metafysisch van aard is en normatief en bindend is vastgelegd?

Maar hoe zit het dan met de toekomst van de religie? Als het christendom op langer termijn geen overlevingskansen heeft, en ook het socialisme zo zijn gebreken kent, wat is er dan nog wel voor de religie weggelegd? Vestdijk aarzelt en vervolgt al vragend zijn weg. Hoeveel metafysische projectie laat zich binnensmokkelen in een sociale oplossing? Tot hoeveel sociale werkzaamheid is een geïnstitutionaliseerde religie in staat? Zoals gezegd pleit Vestdijk voor een traag en waardig afscheid van het christendom, omdat de integrerende werking daarvan op zijn minst een waarborg vormt tegen al te radicale ontwikkelingen. Het meest wenselijke scenario is de uiteindelijke overleving van de religie in een van haar alleroudste vormen. De verre toekomst reserveert hij dan ook voor het ‘mystiek introspectieve menstype’. Daarbij hoort een religie zonder metafysische projectie, waarbij de mens de wereld verbetert door vooral zich zelf te verbeteren middels geestelijke oefeningen en het streven naar zelfopoffering, mildheid en medelijden.

Bij het verdwijnen van het christendom dacht Vestdijk niet in jaren of decennia, maar in eeuwen. Hij richt een telescoop op de toekomst, vanuit een weerbarstig geestelijk landschap dat nog maar nauwelijks bekomen is van de schok van de Tweede Wereldoorlog. Meer dan een verkenning van de toekomst is dit boek een afscheid van het verleden. Of beter gezegd: een pleidooi voor een waardig afscheid van de christelijke religie, die ondanks al zijn onmiskenbare gebreken, zoals onverdraagzaamheid, individualisme en morele dubbelzinnigheid, ons heeft opgevoed tot wat we zijn. Met het verdwijnen van het christendom, zo beweert Vestdijk, zou iets onvervangbaars voor de mensheid verloren gaan. De stemming die daarbij past is het gevoel dat je bekruipt bij het uitsterven van een imposante diersoort, zoiets als een mammoet, die iedereen nog wel eens in levende lijve zou willen zien als hij eenmaal uit zicht verdwenen is.

Met die tweeslachtige houding heeft Vestdijk zich destijds in een merkwaardige positie gemanoeuvreerd. Zijn boek werd met een wisselende waardering ontvangen. ‘Vestdijk heeft zich uitgesproken over religie’, schreef Vrij Nederland, ‘er zijn er die verrukt schijnen, en anderen die schelden; de mensen zitten ermee verlegen’. Die extreme uitersten in de receptie van het boek leken ook hun oorzaak te hebben in de tweeslachtigheid die in het betoog zelf besloten lag. Vestdijk leek op de drempel van een bekering te staan, een overgave aan een godsgeloof waar hij zich met rationele middelen tot elke prijs tegen leek te verzetten. Die indruk werd decennia jaren later door Gerard Reve nog eens bevestigd. In zijn boek Moeder En Zoon (1980) schrijft hij omstandig over het bekeringsproces van een beroemd schrijver (die hij aanduidt met de fictieve naam Onno Z.), dat zich midden jaren vijftig heeft afgespeeld. Onno Z. had zijn dankwoord voor de Nobelprijs al jaren gereed liggen en wilde zich bekeren tot het katholieke geloof. Hij had ‘een dik boek over de godsdienst geschreven, vol geleerde feiten en knappe conclusies, maar waaruit duidelijk bleek, dat hij van het wezen van de religie niets wist en niets begreep.’

Hij zou zelfs een jezuïet op bezoek hebben gehad die hem in de geheimen van de roomse geloofsleer in wilde wijden. Dat het uiteindelijk niet doorging was volgens Reve te wijten aan het opportunisme van de succesauteur. De beroemde schrijver deinsde terug voor het gevaar dat hij zich van zijn lezerspubliek zou vervreemden.   In de eerste decennia na de oorlog was religie een mijnenveld waar je als schrijver ver uit de buurt moest blijven. De kritiek bij het verschijnen van De toekomst der religie in 1947 kwam niet alleen uit de hoek van de culturele vertegenwoordigers van het naoorlogse domineesland, die het opvatten als een eigentijds symptoom van doorgeschoten scepticisme, maar ook van kritische intellectuelen in de traditie van Ter Braak, die zich met veel moeite aan een geloof hadden ontworsteld. Voor hen ging Vestdijk met zijn welwillende kritiek op het christendom lang niet ver genoeg. Achteraf is deze receptie van Vestdijks pleidooi voor een waardig afscheid kenmerkend te noemen voor het krampachtige klimaat dat in het naoorlogse Nederland zou ontstaan rondom het denken over religie.

vestdijk2   In zijn dissertatie Authority in question, The controversy on Simon Vestdijk’s De toekomst der religie 1948-1998 (2005) heeft Hans van Breevaart de decennialang voortdurende polemiek over dit boek uitputtend geanalyseerd. Theologen en intellectuelen van diverse pluimage namen telkens weer stelling voornamelijk tegen het betoog van Vestdijk, niet zelden om hun eigen positie binnen het netwerk van verzuilde instituties veilig te stellen. De ontwikkeling van deze polemiek laat zich lezen als een naoorlogse geschiedenis van de secularisering, waarbij de term ‘secularisering’ telkens weer een drievoudige betekenis heeft. Hij verwijst niet alleen naar een verval van de religie, maar naar een  proces van verwereldlijking dat ook in de religie zelf werkzaam was. Tenslotte heeft secularisering betrekking op de toenemende afkalving van dat deel van het publieke domein, dat door religieuze instituties beheerst wordt. Lange tijd heeft men gedacht dat secularisering gelijk opgaat met modernisering. Al aan het begin van de twintigste eeuw schreef Max Weber over de ‘onttovering van de wereld’ een proces dat al in de vroegmoderne tijd zou zijn ingezet. Vanuit deze optiek bezien zou de moderne westerse samenleving onomkeerbaar op weg zijn naar een seculiere maatschappij, waarin voor religie alleen nog een marginale plaats is weggelegd. De religie zou zich niet alleen verplaatsen naar de rand van het menselijk bewustzijn, maar ook een optie worden naast andere levensbeschouwingen. Het verdwijnen van de religie was dus eigen aan de vooruitgang.

Overigens komt het woord ‘secularisering’ in het boek De toekomst der religie nog niet voor. Vestdijk maakte gebruik van andere termen die in wezen een vergelijkbaar proces aanduiden, maar waarbij andere accenten worden gelegd, karakteriseringen die verband houden met de stand van de menswetenschap aan het eind van de jaren veertig. Ook kon Vestdijk niet voorzien dat zich in de naoorlogse theologie, zowel van protestantse als katholieke signatuur, een progressieve ontwikkeling zou voltrekken, waarin het begrip secularisering steeds meer centraal kwam te staan. Ook binnen de menswetenschappen kwam de snelle verandering van de religie in beeld, niet alleen als een nieuw terrein van onderzoek, maar ook als onderwerp voor een voortdurend debat. Vooral binnen de katholieke zuil zou zich nadien een stille revolutie voltrekken in het denken over godsgeloof en geestelijke gezondheidszorg. Het was juist dit proces van geestelijke bevrijding dat voor een groot deel de weg heeft geplaveid voor de radicale omwenteling, die zich in de jaren zestig op tal van terreinen zou aandienen. Zonder deze ‘katholieke reformatie’, die al kort na de oorlog op gang kwam bij een kleine elite van katholieke ‘geestelijke bevrijders’, had Nederland er in de jaren zestig anders uitgezien. Zoals ook het huidige Nederland wellicht minder seculier zou zijn geweest, als de radicale vernieuwing in de jaren zestig binnen in het Nederlandse katholicisme niet vanuit het Vaticaan op totalitaire wijze een halt was toegeroepen.

Achteraf worden deze breuklijnen niet alleen zichtbaar op het terrein van de religie, maar ook in de kunst, in de literatuur, zelfs op het gehele terrein van de cultuur. In zijn klassieke studie over de secularisering The sacred canopy (1967) beweert de Peter Berger dat wanneer we over ‘cultuur en symbolen’ spreken, secularisatie meer is dan een sociaal cultureel proces: ‘Het grijpt de totaliteit aan van een cultuurleven en ideeënvorming, en men kan het waarnemen in het afnemen van religieuze inhouden in de kunst, in de filosofie, in de literatuur en het belangrijkste van alles, in de opkomst van de wetenschap als een autonoom, door en door seculier perspectief op de wereld.’  In de jaren zestig ging het niet zozeer om een plotselinge blindheid voor het symbool, als wel om het faillissement daarvan. Met de dood van het symbool werd ook het symbool van de dood een probleem. Secularisering was in feite een tweeledig proces met zowel positieve als negatieve kanten. Enerzijds bevatte het de ontworsteling aan een benauwend godsgeloof en de emancipatie naar eigen morele verantwoordelijkheid, maar anderzijds ook een gevaar dat de wereld zich kon sluiten in een cirkel zonder geheim en mysterie, in de totale afronding van het materialisme, waarin elke vorm van een vragend niet-weten verdwenen zou zijn. De weg naar een wereld zonder geheim werd in de decennia na de oorlog door velen als een bevrijding ervaren, maar door een enkeling als een toenemende beklemming. Agressieve secularisering kan immers ook leiden tot vervreemding, ontworteling en verlies van identiteit. Maar zo kort na de oorlog was daar nog weinig van te merken. De echte doorbraak zou zich pas aandienen in het midden van de jaren zestig, met de bekering van Gerard Reve als een merkwaardig kruispunt in dit tweeslachtig proces van secularisering.

8 Reacties »

  1. Keu

    27 februari 2016 op 01:37

    Ik heb meer boeken van Vestdijk gelezen dan me lief is. De laatste die ik gelezen heb ging over een enorme saaie dirigent, of was het nou juist een componist en was z’n broer dirigent. Deel een van een trilogie geloof ik.

    Ah. Punt is, ik vond het tot nu toe altijd wel prettig om op z’n tijd eens een Vestdijkje te lezen, gewoon als tijdverdrijf. Het zal niet je bedoeling zijn, maar bij mij heb je wel bewerkstelligt dat ik Vestdijk voorlopig niet meer ga lezen. En bedankt!

  2. Aldus H.

    27 februari 2016 op 03:24

    Religie. Man oh man wat een tragiek.

    Een tijdmachine met maar één versnelling: de achteruit.
    Die van de Gristenen gaan allemaal terug naar het jaar nul, die van de Moslims gaan terug naar het jaar 632.

    Het maakt in beide gevallen niet uit welk model je aanschaft.
    Back to the Future maar dan 10.0. En ook niet terug kunnen naar het heden he?

    Op een gegeven kwamen er echter mensen die er achter kwamen dat het virtuele bezit van zo’n tijdmachine best een hoeveelheid macht, geld, stupiditeit, en vrijwillige slavernij tot stand bracht.

    Maar om ergens halverwege de 20ste eeuw nog een nieuwe God bedenken, was best lastig: dus verzonnen ze wat anders: de Aarde!

    Moeder Aarde werd de nieuwe God, voor iedereen zichtbaar en het milieu werd haar profeet. En deze Aarde moest en zou gered worden, hoe dan ook, tegen welke kosten dan ook. En wederom was de mensch weer een zondaar. Zie daar!

    En zo geschiedde.
    Een van de eerste profetien was ‘zure regen’.
    Hm. Helaas. Mislukt businessmodel profetie, want niemand trapte erin. Bomen wilden maar niet dood enzovoorts. Einde plan A.

    Oke. Plan B dan. ‘Gaten in de ozonlaag!’ Kijk, je kunt beter de mensch bedreigen dan een boom, en volgens de profetie zouden deze gaten zowel mensch als dier opfikken.
    Helaas: het gebeurde niet, niks geen bliksemschichten, niks geen spontane zelfontbrandingen, dus ook plan B. bij de vuilnisbak.

    Maar toen: driemaal is scheepsrecht. Plan C.
    Global Warming door man-made CO2! Yes! Dat was hem!
    Inmiddels was het computer tijdperk aan gebroken en dus kon je gebruik gaan maken van ‘computer modellen’.

    En inmiddels was den menschheid al zo afgestompt door de computer (ja, maar het staat in de computer en die liegt toch niet!?) dat je bij wijze van spreke van alles wijs kon maken. Net als bij de voorgaande religies trouwens. Als religies al iets hadden bewezen dan was het wel dat den mensch eigenlijk niet meer was dan een vachtloos schaap die je alle kanten op kon sturen en manipuleren, mits je een goed verhaal had wat iedereen ‘geloofde’.

    Daarom heet geloof ook geloof en niet zekerheid.

    Kijk, als geloof zekerheid zou heten dan zou je heel vreemde discussies krijgen: ‘Jezus zei toen dit en dat. Weet je dat zeker? Want je was er niet bij. Nou ja, ik weet zeker dat ik dat geloof’.

    Kijk, dat schiet niet op, dan gaat het brein toch malen, en dat moet je niet hebben. ‘Je kunt beter zeker weten dat je geloofd dan dat je geloofd dat je het zeker weet’, want bij dat laatste blijft toch een stukje onzekerheid en twijfel hangen he?

    Maar dus. De aarde als de nieuwe God, en CO2 als haar profeet en Agenda 21 als de nieuwe bijbel.

    Deze nieuwe religie staat in feite haaks op alle voorgaande religies: niet alleen zit er geen achteruitversnelling meer op die direct naar het jaar 0 schakelen, maar alleen maar vier versnellingen vooruit!

    Of dat een verschil is zeg! Deze religie kan dus vooruit in de tijd reizen, of op zijn minst meegaan, en voorspellingen doen in de toekomst!

    Kijk, now we are talking!
    And guess what? Alle warmista’s en boomknuffelaars wisten NIET hoe snel ze zich bij deze nieuwe religie moesten aansluiten!
    Zelfs intellectuelen, politici, media en grootkapitaal: ze gebruikten Popla: allemaal!

    Deze nieuwe God was voor hun geen geloof meer maar een zekerheid. De computermodellen waren tevens de hulp-profeten.
    Angels of whisdom.
    Zoiets als wat zwarte, gele, rode, lichtgetinte, blanke, multicolor Piet is van Sinterklaas.

    Het enige wat echter zeker was, dat Global Warming helemaal niet zo zeker bleek, want de aarde wilde maar niet opwarmen, en men de nieuwe religie toen maar Climate Change ging noemen.

    Dus vanaf dat moment kon het weer alle kanten op, en godsamme, wéér werd er een achteruit op dat aloude vehikel ‘religie’ ingebouwd. Wéér werd van ‘zekerheid’ teruggeschakeld naar ‘geloof’.

    Maar wie zijn en waren deze hogepriesters dan?

    Kijk. Dat zijn bijvoorbeeld deze mannetjes en vrouwtjes.
    Agenda 21 voor Dummies.

    http://www.youtube.com/watch?v=TzEEgtOFFlM

    Voor wie de patronen herkent:
    – U bent schuldig.
    – U moet boeten.
    – U moet ONS geloven.
    – We doen het voor ‘Moeder’ Aarde.
    – We doen het voor de toekomst van onze kinderen.
    – Het vrijwillige pong zakje is afgeschaft, we doen dat nu via belastingen. Om het u ‘gemakkelijker te maken’. Om nog iets van ‘zekerheid’ te garanderen: u betaalt, hoe dan ook.
    – Lijden zult u kreng! Dat doet de aarde ook onder uw gewicht!

    En zo was een nieuw religie geboren. U zag dat het goed was, maar uw heer en meesters nog een miljoenmiljard keer meer.
    Keiharde pegels, dat dan weer wel. Van u, voor hun.

    Vaticaan is de grootse vastgoedbezitter van de wereld, maar de nieuwe priesters zijn hard bezig om de grootste grootgrond bezitter te worden.

    http://www.ninefornews.nl/hoe-edmond-de-rothschild-183-landen-liet-betalen-zodat-hij-30-procent-van-de-aarde-in-handen-kreeg/

    En zo werd voor de zoveelste keer een fake religie ingezet om als een omgekeerde Robin Hood te stelen van de armen om het de rijken te geven.

    En u? De meesten van u hebben werkelijk geen idee. Geen enkel idee hoeveel (hoe weinig dus) CO2 in lucht zit. Die zien wat witte rook (herkenbaar?) uit een schoorsteen, en zien gelijk verdrinkende ijsberen, zielige panda’s, zeehondjes zonder papa of mama en verwarren vervuiling met al-dan-niet-opwarming/temperatuur schommelingen.

    De aarde is de nieuwe God. De olichargen zijn hun nieuwe profeten. CO2 is de nieuwe Duivel. De media, groenen, fopwetenschappers , omgekochten, en polletiek zijn de nieuwe juichaapjes predikers/dominees.

    Zij allen zagen dat het goed was. Cultureel Marxisme werkt!
    En u?
    U bent er voor de zoveelste keer weer eens keihard ingetrapt.

    U gaat dit pas beseffen als er van uw geld peperdure windmolens in uw achtertuin staan die ook nog eens nauwelijks wat opleveren behalve waarde daling van uw huis, geluidsoverlast en slagschaduw en het u draait voor de ogen.

    Als u mocht kiezen ‘met de kennis van nu’ voor welke schaap/steel/anaal uitwoon/koppensnel model religie zou u dan gaan?

    1. Christendom.
    2. Islam.
    3. Eco-isme
    4. Europa-isme (Eurofilisme)
    5. Atheisme.
    6. Huubisme, niet te verwarren met Kubisme.
    7. Ik betaal graag voor mijn eigen ondergang ongeacht religie,
    8. Weet niet/Geen mening/ anders namelijk…..

  3. André van der Linden

    27 februari 2016 op 13:59

    In dezelfde periode dat ik Vestdijk, Camus, Vian, Sartre, Tucholsky en Kafka las, worstelde ik me ook door een flink stapeltje filosofen.
    Wat me na het lezen van jouw interessante betoog door het hoofd speelt, is de metafoor van Bertrand Russel:

    Als ik zou stellen dat er tussen de Aarde en Mars een porseleinen theepot in een ellipsvormige baan rond de zon draait, dan zou niemand het tegendeel kunnen bewijzen als ik er bij zou zeggen dat de theepot te klein is om gezien te worden, zelfs als onze sterkste telescopen gebruikt zouden worden. Als ik dan zou zeggen dat, aangezien het tegendeel van mijn stelling niet bewezen kan worden, het een ontolereerbare miskenning van het menselijk verstand zou zijn om aan mijn stelling te twijfelen, dan zou iedereen me voor gek verklaren. Maar als het bestaan van deze theepot erkend zou worden in antieke boeken, wanneer het elke zondag als de heilige waarheid wordt aangeleerd en de hersenen van kinderen ermee op school geïndoctrineerd zouden worden, dan zou afzien van geloof in zijn bestaan een teken van excentriciteit worden en zou iemand die twijfelt in een verlicht tijdperk naar een psychiater worden gestuurd, of in een eerdere tijd aan de Inquisitie uitgeleverd worden.

    Waarmee ik niet wil zeggen dat mijn verwondering of zelfs angst minder groot is.
    Russell was een voorloper in de verdediging van de menselijke waarden.

  4. Huub Mous

    27 februari 2016 op 15:43

    @André

    Mooie metafoor van Russell. Ik kende hem niet. Het gaat over zekerheid en geloof. Wat dat betreft deed Wittgenstein ook een duit in het zakje.
    De laatste woorden die Wittgenstein schreef – twee weken voor zijn dood – duiden op een vorm van ontologische twijfel. Het citaat komt uit zijn laatste boek:

    ‘Maar al kan ik me dan niet vergissen in zulke gevallen – is het niet mogelijk dat ik onder narcose ben? Als ik het ben en als de narcose me van het bewustzijn berooft: spreek ik en denk ik nu niet werkelijk? Ik kan niet in ernst aannemen dat ik droom. Wie in zijn droom zegt ‘Ik droom’ ook al spreekt hij daarbij verstaanbaar heeft net zo min gelijk als wanneer hij in zijn droom zegt ‘Het regent’ terwijl het inderdaad regent. Ook wanneer zijn droom werkelijk verband houdt met het geluid van de regen.

    ‘Wittgenstein, Over zekerheid, 1977, pagina 148.

  5. André van der Linden

    27 februari 2016 op 17:02

    Werkelijk heel boeiend!
    Ik zag zojuist dat dit boekje moeilijk te krijgen is, maar ik zal het binnenkort lezen.

  6. Wilbert van Walstijn

    28 februari 2016 op 09:22

    Een mooi en steekhoudend betoog! Dat Vestdijk op het punt heeft gestaan katholiek te worden, zoals Reve beweerde berust hoogst waarschijnlijk op rancune en niet op waarheid. Ik zal daar nog eens over berichten in de Vestdijkkroniek.

    Wilbert van Walstijn

  7. J.W.Robert Kruzdlo

    28 februari 2016 op 15:45

    Huub,

    Er staat: Als -ik- het ben en als de narcose me van het bewustzijn berooft: spreek -ik- en denk -ik- nu niet werkelijk?

    Wittgenstein heeft het over een IK. De rest kan je vergeten als je niet weet wie die IK is.

  8. J.W.Robert Kruzdlo

    28 februari 2016 op 16:05

    Russel:Nature is only a part of what we can imagine; everything, real or imagined, can be appraised by us, and there is no outside standard to show that our valuation is wrong. We are ourselves the ultimate and irrefutable arbiters of value, and in the world of value Nature is only a part. Thus in this world we are greater than Nature. In the world of values, Nature in itself is neutral, neither good nor bad, deserving of neither admiration nor censure. It is we who create value and our desires which confer value… It is for us to determine the good life, not for Nature — not even for Nature personified as God.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)