Vestdijk: een gnostisch modernist

Slide1

‘En ten slotte: als er éen schrijver in Nederland is, bij wie niet het afzonderlijke boek geldt, 
maar ieder boek in het kader van het totale 
oeuvre gezien en geplaatst moet worden (het 
sneeuwbal-principe dat Vestdijk zelf heeft opgespoord in het werk van Albert Verwey), dán 
is het Vestdijk. In dat kader nemen ook zijn ‘negatieve’ boeken (en negatief, in letterlijke zin, 
is dit boek tegenover alles wat voor ons-stervelingen, helaas, enig houvast en enige lichtbron kan zijn, onze aardse ‘condition’) positieve gestalte aan. Het zijn een soort fotografische negatieven die, niet in positivo afgedrukt, een 
eigen artistieke gestalte, een eigen wezen hebben in de continuïteit van het geheel.’

Aldus schrijft Anne Wadman in mei 1964 naar aanleiding van het boek Bericht uit het hiernamaals van Simon Vestdijk, dat kort daarvoor verschenen was. Deze recensie van Wadman is opgenomen in zijn bundel Handdruk en Handgemeen, Leesavonturen met Vestdijk. Het jaar daarop verscheen een heel andere bundel over Vestdijk: De chaos en de volheid van R.A. Cornets de Groot. Een groter verschil in benaderingen van Vestdijk is niet denkbaar. Wadman schrijft behoedzaam, vol respect maar soms ook als een collega-literator, met vooral oog voor de literair-technische en psychologische aspecten van Vestdijks romans. Cornets de Groot daarentegen gooit alle remmen los en geeft zich over aan de meest vergezochte esoterische interpretaties, waarbij allerlei bronnen uit de astrologie, de alchemie het neoplatonisme en het gnosticisme overhoop worden gehaald.

Je zou deze twee bundels typerend kunnen noemen voor de spagaat van the sixties die zich rond 1965 manifesteerde. Enerzijds ontstond de tendens om vooral niet te willen interpreteren, de zogeheten new criticism, die in Nederland werd vertegenwoordigd door de close reading van het tijdschrift Merlyn van Fens, Oversteegen en Jessurun d’Oliveira. En anderzijds de opkomst van wat Theodor Roszak noemde The rise of a counterculture met nieuwe aandacht voor esoterie, alchemie occultisme en mystiek.

Het wonderlijke is dat het werk van Vestdijk – die lid was geweest van het vooroorlogse Forum van Ter Braak en Du Perron, maar ook een hang had naar onorthodoxe en oosterse vormen van religie en mystiek – voor beide benaderingen in het centrum van de belangstelling kwam te staan. Een groter contrast lijkt niet denkbaar en toch werden die twee zielen in Vestdijk verenigd. Je zou kunnen zeggen dat in het werk van Vestdijk de dualistische erfenis van het interbellum bewaard was gebleven: esoterie tegenover formalisme, bijgeloof versus scepticisme, antimodernisme tegenover modernisme. Vestdijk was in wezen een gnostisch modernist. Theun de Vries vatte deze paradox in 1967 als volgt samen:

‘Zo bezien blijkt je scepticisme voort te komen uit een soort zienersgave, en in je humor schuilt iets van de glimlach der auguren.’

Astrologie leerde Vestdijk in de laatste jaren twintig van mevrouw H. S. E. Burgers. Zij was psychologe uit de school van Jung, en auteur van het boek Leonardo da Vinci’s psychologie der twaalf typen (1963). Van dat boek heeft Cornets de Groot dankbaar gebruik gemaakt bij zijn interpretaties. Daarnaast verwijst hij naar de volgende twee studies: Ludwig Staudenmaiers Die Magie als experimentelle Naturwissenschaft (1912), en Herbert Silberers Probleme der Mystik und ihrer Symbolik (1914). Beide boeken worden door Vestdijk genoemd in De toekomst der religie (1947), waaruit Cornets de Groot te hooi en te gras citeert.

Door zijn opeenstapeling van esoterische kennis is het boek De chaos en de volheid van Cornets de Groot haast niet te lezen. Het irriteert en alleen daarom al is het wonderlijk dat Vestdijk zelf over dit boek  heel tevreden was. Vooral vanwege de eigenzinnige aanpak vond hij het een goed boek, zo liet hij weten aan Bert Bakker. Hazeu vermeldt dat in zijn Vestdijk-biografie. Dit compliment van Vestdijk is des te wonderlijker omdat hij al in 1961 aan Cornets de Groot had laten weten, dat hij eigenlijk al lang niet meer geloofde in astrologie, omdat ‘deze bijzonderheden vrijwel nergens essentiële betekenis hebben’. Vestdijk gebruikte de astrologie alleen nog om literair-technische redenen. Maar dat weerhield Cornets de Groot niet om als een ware alchemist het werk van Vestdijk al interpreterend als een soort magisch radarwerk uit elkaar te schroeven.

6335913._UY400_SS400_

En dat laatste werd juist in die tijd – het midden van de jaren zestig – door menigeen opeens als een taboe ervaren. In het essay Against interpretation, dat Susan Sontag in 1964 had geschreven, werd interpretatie gezien als een agressieve intellectuele aanval op een kunstwerk of een tekst, een aanval die tekort deed aan de directe ervaring. Interpretatie is geen absolute waarde, zo stelde Sontag. Dat wil zeggen, interpretatie is geen tijdloos vermogen van de geest. Interpretatie moet altijd worden opgevat in een historisch kader van menselijk bewustzijn. Soms kan interpretatie een bevrijdende daad zijn als middel om te ontsnappen aan een verleden dat dood is. Maar meestal is interpretatie vooral een reactionair en verstarrend instrument.

Door een stoet van epigonen van Freud tot Marx zou onze wereld genoegzaam zijn uitgemolken door eindeloos proces van interpretatie. Weg met alle onechte, talige verdubbelingen van de wereld, zo beweerde Sontag. Weg ermee, totdat we opnieuw onmiddellijk kunnen ervaren wat we hebben. Niet interpreteren, dat werd het adagium dat aan de basis lag voor een nieuwe, zakelijke, formele manier van schrijven en creëren, de kunst ook van het eindeloos beschrijven en documenteren van wat in de werkelijkheid gaande was.

Kortom, door de interpretatie wordt het kunstwerk of de tekst in mootjes gehakt  waarna er vervolgens een betekenis aan wordt gehecht, met het gevolg dat het onmiddellijke effect ontkracht wordt. Maar Cornets de Groot had daar geen boodschap aan. Vestdijk zou door de componist Willem Pijper ertoe zijn gebracht om de astrologie toe te passen in zijn scheppend werk van na 1938. Dit had Vestdijk laten weten in zijn Inleiding tot de opera Merlijn .

Toch is volgens Cornets de Groot ook vóór 1938 ten minste één roman aan te wijzen, waarin hij ook alchemie toepast, namelijk Het vijfde zegel. Dat boek behandelt hij echter niet. Hij gaat uitgebreid in op Vestijks Mnemosyne in de bergen, en verder behandelt hij De vijf roeiers en De kelner en de levenden. Door de componist Pijper zou Vestdijk ook op het idee gekomen zijn om een verband te leggen twee wereldbeschouwingen – Vestdijks eigen boeddhisme, en Pijpers vrijmetselarij. Cornets de Groot stelt dat hij op deze benadering van Vestdijks werk gekomen is omdat hij zich is gaan interesseren…

’ ….hoe een modern mens voort kan gaan het heelal met engelen en duivels te vullen, ofschoon hij weet, dat het heelal leeg is: een grote machine sinds Newton, of een grote gedachte (a great thought) volgens Sir James Jeans, en alleen in die zin een volheid. Moet men niet veeleer geloven, dat Gods werking zich beperkt tot het menselijk hart? Vestdijk zou het laatste kunnen geloven, en met het eerste door kunnen gaan. Zijn heelal is de ruimte, waarin zijn zonneheld de wereld leert kennen, bestrijden, herscheppen en beheersen: een worsteling die langs verschillende trappen van ontwikkeling tot de overwinning op de verstoktheid van het ik voert. Het kritieke punt in heel deze strijd is, naar men zou menen, de overwinning van het kwaad…’

De schaduw van het kwaad moet men niet ontvluchten, maar men moet ‘door het kwaad heen gaan, wil het ik tot het zelf muteren.’ Dat is de conclusie die Cornets de Groot uit het werk van Vestdijk trekt. Het gaat dus om een soort zoektocht naar een persoonlijke verlossing, een verlossingsleer van eigen fabricaat, een eigen God, met een eigen hemel en inferno. Maar wat gebeurt er als je die verlossing als mens zelf niet kun bewerkstelligen? Dan volgt een Vestdijkiaans Laatste Oordeel niet in de christelijke zin des woord, maar als een soort magisch realistische verbeelding, die uit het onbewuste tevoorschijn komt en in de fantasmagorie van een roman een plaats kan krijgen. Cornets de Groot schrijft:

‘Wie aan de haal gaat voor het kwaad, dat altijd het eigen kwaad is, zal nooit iets overwinnen. Alleen het onopgevoede geweten, dat men instinkt heeft genoemd, kan ons voor het kwaad doen terugschrikken. Het ware geweten daarentegen overtuigt ons ervan dat wij het eigen kwaad pas als onze schim kunnen aanvaarden, wanneer onze vrees voor die schim verdwenen is. Vreesloos zag Jezus in Judas zijn schim: Hij wist het: zij waren in wezen één.’

Telkens weer zou er bij Vestdijk sprake zijn van een kosmisch evenwicht dat in geen geval mag worden verstoord. Wat in dit soort theorieën doorklinkt is het magisch-kosmisch mechanisme dat door Jung de enantiodromie is genoemd. Dit karakteristieke verschijnsel treedt bijna altijd op, wanneer het bewuste leven wordt beheerst door een extreem eenzijdige richting, zodat zich in de loop der tijd een even sterke, onbewuste tegen-houding vormt, die vooralsnog tot uiting komt in het afremmen van het bewuste optreden, en later zelfs in het doorkruisen van de bewuste richting.

Dat is precies wat midden jaren zestig aan de hand was: extreme formalisering vond zijn tegen-houding in een plotselinge hang naar occultisme en mystiek. Het was de enantiodromie van het modernisme dat tijdens het leven van Vestdijk uiteindelijk zijn apotheose vond in de culturele revolutie van the sixties.

Slide1

Als de collectieve archetypen worden verwaarloosd, zo beweerde Jung, is een algehele cultuurverwoesting het gevolg, waarin vernietigende krachten worden ontketend. Utopische dromen leiden niet zelden tot de totalitaire nachtmerries die het paradijs op aarde claimen te zijn. Of anders gezegd, God werd aan de kant gezet, waardoor juist een nieuwe, persoonlijke God gecreëerd kon worden. In het breukvlak van de secularisering schoot opeens gnostisch onkruid omhoog.

Maar die God die in het collectief onbewuste werd herontdekt was nog altijd dezelfde, alleen in aan andere gedaante. Die wisselwerking tussen rationalisme en gnosticisme is het perpetuum mobile, dat niet alleen het godsgeloof afbreekt en tegelijk in stand houdt, maar ook de wereld draaiende houdt. De natuur houdt zichzelf in evenwicht door het extreme te laten herrijzen uit hetzelfde vuur waarmee het bestreden wordt. Een god wordt gecreëerd door een afgod af te breken.

‘Komt er een ster aan de hemel te staan, dan stort er ook een monster in de chaos.’ Zo beschrijft Cornets de Groot dit metafysisch systeem bij Vestdijk. Hij spreekt zelfs van een zekere ‘systeemdwang’ die zich in het hele oeuvre manifesteert: ‘Hij kan met goed fatsoen geen dode laten vallen, zonder er een tweede achterheen te jagen.’

Wat je leest bij Vestdijk zou een gnostische variant zijn van het christendom in zijn laatste fase, theologie in spiegelbeeld, zoals Lolle Nauta het genoemd zou hebben. Het is een manicheïsch dualisme dat – vanuit het christendom bezien – een ketterse oorsprong heeft. Goed en kwaad zijn elkaars spiegelbeelden, een thema dat in de naoorlogse literatuur ook bij W.F. Hermans, Gerard Reve en zelfs bij Harry Mulisch zou opduiken. De Tweede Wereldoorlog had zijn verwoestende werk gedaan, ook in de psyche van de mens. Het was een godswonder geweest dat het goede had overwonnen. Het had net zo goed andersom kunnen zijn.

Zo ontstond een nieuwe dualistische en ook relativistische visie op het kwaad die haaks stond op de geloofsleer van het christendom. Het was een visie die al ontwikkeld was in de godsdienstpsychologie van het interbellum. Ook de houding van Jung tegenover het kwaad was in wezen gnostisch en manicheïsch. Anders gezegd, het was een tweestrijd van tegenstellingen (duisternis, instinct, aarde, vrouw, versus verlichting, verstand, hemel, man), een tegenstelling die vraagt om integratie in de psyche. Bij niet-integratie ontstaat dan ‘de schaduw van het niet-geïntegreerde’ dat wil zeggen: het duistere, instinctieve et cetera.

Het gaat erom de schaduw in jezelf te integreren met het licht. Of zoals Jung had beweerd: ‘Misschien is al het verschrikkelijke, in zijn diepste wezen, ‘iets’ hulpeloos, dat om onze hulp vraagt.’ Dat was de bottomline van een nieuwe visie die ook Vestdijk had opgepikt in zijn boek De toekomst der religie. De religie kruipt voort als bloed waar het niet gaan kan, zelfs bij het scheiden van de markt. Ook na de dood van God gaat het bij de mens telkens weer om twee elementaire zaken: zijn angst voor de dood (c.q. zijn verlangen naar een eeuwig leven) en daarnaast zijn gevecht met het kwaad dat diep in de wereld en ook de mens zelf verankerd ligt. Maar wat is dan nog de toekomst van de religie?

Slide1

In zijn boek De toekomst der religie schetste Vestdijk meerdere scenario’s, waarbij hij uitging van een langetermijnperspectief voor de westerse cultuur als een ‘proces van toenemende desintegratie van gevoel en verstand’. Een proces waaraan het christendom zelf – samen met de latere ontwikkeling van de wetenschap – veel heeft bijgedragen. ‘Integratie’ en ‘desintegratie’ vormen de sleutelwoorden in Vestdijks betoog.

Bij de uitwerking van de verschillende toekomstscenario’s maakte hij dankbaar gebruik van de ideaaltypen uit de vooroorlogs karakterpsychologie die voornamelijk gebaseerd was op ideeën van Jung en Jaentsch. Zo verwachtte Vestdijk dat het ‘gedesintegreerde, metafysische menstype’ in de toekomst verdrongen zou worden door het meer ‘geïntegreerde, sociale type’. Daarbij had hij een socialistisch idealisme voor ogen dat voor de gedachte aan ‘de volmaakte mens’ geen opperwezen nodig heeft, maar dit in wezen religieuze idee als een op aarde te realiseren of na te streven ideaal beschouwt, maar een mens blijft een mens en een god blijft een god.

Als het christendom op langere termijn geen overlevingskansen heeft en ook het socialisme zo zijn gebreken kent, wat is er dan nog wel voor de religie weggelegd? Hoeveel metafysische projectie laat zich binnensmokkelen in een sociale oplossing? Tot hoeveel sociale werkzaamheid is een geïnstitutionaliseerde religie in staat? De integrerende werking van het christendom vormde volgens Vestdijk vooralsnog een waarborg voor het uitblijven van al te radicale en totalitaire ontwikkelingen. Maar de dagen voor de monotheïstische god-projectie waren geteld.

Vestdijk was een religieus mens maar hij zocht naar een manier om tot een religieus bewustzijn te komen buiten de kerk of dogma’s om. De nieuwe God moest in de mens zelf geboren worden, vanuit de goddelijk vonk in de menselijke ziel. Maar was dat nog wel een God? Het meest wenselijke scenario was de uiteindelijke overleving van de religie in een van haar alleroudste vormen: de mystiek. Op lange termijn zag hij nog slechts één mogelijke toekomst van de religie voor zich, een religie waarin – zoals Fokke Sierksma later schreef – ‘alle mensen Meister Eckart’s zullen zijn.

images

Het was ook Fokke Sierksma geweest die in Vestdijk in 1950 verdedigd had tegen de verguizing die hem  ten deel was gevallen na het verschijnen van het boek De toekomst der religie. In zijn pamflet Tussen twee vuren nam Sierksma Vestdijk zelfs tegen zijn eigen leermeester Van der Leeuw in bescherming, die – net als alle theologische criticasters van ‘de Doornse kameleon’ – blijkbaar geen enkele roman van hem gelezen had:

‘Een enkele staat wel spoedig 
klaar om hem een groot schrijver te noemen, maar dergelijke 
algemeenheden verraden hoogstens, dat de theologen hun dagbladen lezen zoals iedere andere staatsburger. Hun critieken 
bewijzen daarentegen, dat zij dit oeuvre niet kennen. De lectuur van “Else Böhler”, “Het vijfde zegel”, “De vuuraanbidders”, “De redding van Fré Bolderhey”, “De kellner en de 
levenden”, verschillende novellen en een gedichtenbundel als 
de “Gestelse liederen” zouden een kunstgevoelig geleerde als 
Van der Leeuw ongetwijfeld van apodictische beweringen 
weerhouden hebben. Integendeel, hij zou er een aanleiding in 
gevonden hebben om zich af te vragen, in hoeverre Vestdijk 
zelf nog door de metaphysische projectie wordt beheerst, dat het het nodig acht God aan te klagen vanwege het feit, dat 
deze niet zelf aan het kruis gehangen heeft (zie “Ballade van 
het vierde kruis” in Gestelse liederen, blz.’ 162v.). Pas dergelijke feiten, of liever: pas de gevoeligheid voor dergelijke feiten maakt een vruchtbare discussie mogelijk, en niet de nietszeggende aantijgingen van burgerlijkheid in een land, waar kunstenaars en theologen gelijkelijk burgerlijk zijn.’

Wat de religie betreft was Vestdijk een visionair. Dat had Sierksma zo kort na de oorlog al in hem herkend. De verre toekomst werd door Vestdijk gereserveerd het ‘mystiek introspectieve menstype’, zoals ook Jung in die eerste naoorlogse jaren heeft pleit voor een hogere staat van bewustzijn en een herleving van de mystiek. Bij dat nieuwe menstype hoorde volgens Vestdijk een religie zonder metafysische projectie, waarbij de mens de wereld verbetert door vooral zichzelf te verbeteren middels geestelijke oefeningen en het streven naar zelfopoffering, mildheid en medelijden. Dat was de erfenis van het christendom dat zelf ten dode was opgeschreven. Het was de lijkwade van een dode God die als een eierschaal bleef vastkleven aan de vacht van het nieuw geborene.

Vanuit dat perspectief bezien lijkt het literaire oeuvre van Vestdijk gekenmerkt te worden door een schaduw-theologie zonder dogmatiek, een mythisch substraat van de werkelijkheid dat het waardige afscheid van het christendom moest vergemakkelijken. De moderne mens herdefinieert zijn verhouding tot de kosmos en de romancier doet daar verslag van. In zijn 52 romans laat Vestdijk de mens als proefkonijn tot leven komen in een door hemzelf zelfbedacht, goddeloos, maar nog altijd bezield universum. Cornets de Groot formuleert het tenslotte als volgt:

‘Er bestaan nog wonderen. Het is mogelijk om in een wereld, waarin techniek en brein de heerschappij voeren en bij iedere stap voorwaarts steeds duidelijker maken dat God dood is, de kosmische dimensie terug te vinden en het heelal opnieuw te bevolken met engelen en monsters, mits men beseft dat het het eigen heelal is dat men vult: met de eigen engelen het eigen liefs, met de eigen duivels het eigen kwaads, en dat uit de strijd tussen beide het ik verlost kan worden: getransmuteerd tot een eigen God.’

8 Reacties »

  1. Eddy Drost

    26 februari 2016 op 09:22

    Er is nog nooit een Fries in de toekomst gesprongen.

    Op het paspoort van Vestdijk zal vast Harlingen als geboorteplaats hebben gestaan. Overigens denk ik niet dat hij daar is geboren. Hij werd als vondeling gevonden en kan dus makkelijk ook elders het eerste levenslicht hebben gezien. Dit is hoogstwaarschijnlijk het geval want Harlingen profileert zich steeds meer als de stad van Friesland waar de domme mensen wonen. Vestdijk daarentegen kunnen wij echt niet als dom omschrijven. Het geouwehoer omtrent de afvaloven begint merkwaardige vormen aan te nemen. Het is duidelijk dat Stichting Afvaloven Nee niet tegen haar verlies kan en elke gelegenheid aangrijpt om de Omrin te dwarsbomen. Dat de Provincie en Gemeente Harlingen ook nog deze stakkers een platform geeft om haar beklag te blijven doen is tekenend voor het uiterst lage intelligentie peil van deze bestuurders. Wij hoeven van dergelijke bestuurders niets te verwachten en kunnen wij alle aspiraties die wij hebben voor 2018 wel op onze buik schrijven.

    Er is nog NOOIT een Fries in de toekomst gesprongen! Allemaal duiken ze elke dag in het verleden!

    De huidige discussie rond de afvaloven is ingezet door een mevrouw die terwijl zij ter hoogte van de afvaloven over de zeedijk liep plotseling ietwat onwel werd. Als je dan om je heen kijkt is de afvaloven natuurlijk al snel de schuldige. Volslagen lariekoek! Als ik bijvoorbeeld ’s ochtends iets verkeerds eet en ik loop later op de dag langs een slager, en voel mij plotseling niet goed kan ik het dan de slager op de schuld geven? Natuurlijk niet. Hij ziet mij aankomen!

    Men moet ophouden met het geouwehoer over de afvaloven. Een hypermodern gebouw, voldoet aan de strengste eisen, en biedt volop werkgelegenheid. Is het de Omrin haar schuld dat het wemelt van de lege winkelpanden in Harlingen. Echt niet! Al voor dat de afvaloven er stond was dat al het geval. De reden is duidelijk. In Harlingen wonen de domste mensen van Friesland en verre omstreken.

  2. Huub Mous

    26 februari 2016 op 10:02

    Vestdijk was inderdaad niet ‘de Fries die in de toekomst sprong’. De ware identiteit van de eerste Fries die in de toekomst sprong zal bij de presentatie van mijn boek op 17 maart a.s. worden onthuld door Bert Looper. Suggesties hiervoor kunnen vanaf nu worden ingediend bij mij.

    Vestdijk werd in Harlingen geboren (niet als vondeling, dat was zijn grootvader van vaders kant, die net als Vestdijks vader ook Simon heette). Geen van beide ouders van Vestdijk kwam uit Friesland. Ze spraken ook geen Fries en vonden dat ook niet nodig, omdat er in Harlingen nu eenmaal geen Fries wordt gesproken.

    Was Vestdijk dan eigenlijk wel een Fries? Ik denk dat hij zichzelf nooit zo heeft gezien. Pas na 39 jaar keerde hij naar Harlingen terug. Hij vond het mooi om er over te schrijven, maar niet om er te wonen of terug te keren.

    Hans Visser citeert wat Vestdijk hier zelf over beweerd heeft:

    ‘Geen rechtgeaarde Fries rekent Harlingen tot Friesland, zo min als er in Harlingen echt Fries gesproken wordt. Het Harlings is een dialect, het wordt tot het ‘stadsfries’ gerekend. De echte Harlinger is, meent Vestdijk, overeenkomstig zijn geografische tussenpositie voorzichtig, afwachtend, uiterst sceptisch en minder geneigd met iets de spot te drijven dan zich ervoor warm te maken. Het verschil met de echte Friezen springt in het oog, want ondanks zijn kalmte, nuchtere buitenkant is de Fries een gevoelsmens met een sterk innerlijk leven. De Harlinger is meer naar buiten gekeerd zoals zijn haven naar de zee, maar zoals de haven de echte zee niet bereikt, zo de denkt Harlinger er niet over in het volle mensenleven in te grijpen, behalve wanneer het om het hout gaat.’

  3. Eddy Drost

    26 februari 2016 op 10:07

    Bedoelt u dat als er bij u geen suggesties binnenkomen Bert Looper geen toespraak kan houden op 17 maart?

  4. Huub Mous

    26 februari 2016 op 10:11

    Ik schat in dat Bert Looper hierover ook wel een eigen idee zal hebben. Maar het zou mooi zijn als ‘dat idee’ enig draagvlak heeft bij de Friese bevolking. Zie het als een publieksprijs.

  5. Eddy Drost

    26 februari 2016 op 10:25

    Ik schat de kans dat je een miljoen in de staat wint hoger in, dan dat je er in slaagt een Fries te noemen die in de toekomst sprong 🙂

  6. André van der Linden

    26 februari 2016 op 15:14

    Interessant in dit verband is de mening van Vestdijk over Kafka;
    http://www.dbnl.org/tekst/_ves001199301_01/_ves001199301_01_0018.php,
    Als ik over dat persoonlijke moralisme en het absurdistisch verval van de morele waarden na WOII nadenk, zie ik tussen de stapels boeken die ik in de jaren zestig van Vestdijk las ook de werken van Vian en Camus liggen. Vestdijk zal die ongetwijfeld gelezen hebben, zoals hij in een eerdere periode dus ook deed met Kafka en Tucholsky.

  7. Huub Mous

    26 februari 2016 op 15:46

    Volgens mij had Vestdijk niet zoveel met Camus. Wel met Sartre. In 1957 werd Vestdijk door Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor literatuur. Die kreeg hij niet. De prijs ging naar Camus. Kafka is een ander verhaal. Wat Anne Wadman schreef over het oeuvre van Vestdijk – dat ieder boek in het kader van het totale 
oeuvre gezien en geplaatst moet worden (‘het sneeuwbalprincipe’) – gaat eigenlijk meer op voor Kafka dan voor Vestdijk. Kafka’s werk kan ook gezien worden als een ‘schaduwtheologie’, zoals ook Lolle Nauta heeft beweerd. Vestdijks fascinatie voor Kafka – en vooral diens roman Het Proces – houdt wellicht verband met het feit dat Vestdijk zelf in de oorlog ‘zonder reden’ door de Duitsers als gijzelaar werd opgepakt en vastgehouden in Sint Michielsgestel. Ik maak me sterk dat hij toen vaak aan Kafka heeft moeten denken. Ook Sartre is trouwens krijgsgevangene van de Duitsers geweest. Hij werd in de oorlog een tijd vastgehouden in Trier. Dat hebben Vestdijk en Sartre dus met elkaar gemeen.

  8. J.W.Robert Kruzdlo

    28 februari 2016 op 16:28

    Een aanwijsbord van de ANWB gaat zelf ook niet opstap. Ik ken Amerikanen die nog nooit uit hun dorp zijn weg geweest, – Spanjaarden, Catalanen en ga zo maar door. Beste stuurlui staan aan wal, – klopt denk ik.

    Gr

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)