Het Leeuwarden van Slauerhoff

1234311972015

Ik woon in een buurt van Leeuwarden die zo’n honderd jaar geleden is gebouwd, de Oranjewijk. ‘Tussen spoor en kanaal, wat gebeurt daar allemaal?’ zo heette tot voor kort het periodiek van de wijkvereniging. Maar het moet gezegd, zoveel gebeurt er nu ook weer niet in deze monumentale wijk. Ik fiets er graag doorheen, dat wel, de Emmakade langs, waar woonschepen en andere vaartuigen dromerig langs de waterkant liggen, soms een rookpluim uit de kajuit, maar meestal geheel verstild, alsof ze niet van plan zijn om ooit nog uit te varen.

De tijd lijkt hier stil te staan en menig keer denk ik als ik mij met rechte rug als een fietsende zwaan voortbeweeg langs al die statige gevels: Hoe zou het er hier een eeuw geleden hebben uitgezien? Zo dus, als op bovenstaande ansichtkaart die ik onlangs aantrof Facebook. De tijd neemt zijn tijd, maar hier niet. Een eeuw gleed voorbij, maar langs de Emmakade is het straks in 2018 gewoon nog 1918, zoals op deze foto. De Eerste Wereldoorlog was net voorbij en de Spaanse griep moest nog komen.

Misschien loopt mijn vader daar wel, midden op straat. Hij werd in 1897 in Friesland geboren, een jaar eerder dan Slauerhoff en Vestdijk, die hier toen op de HBS zaten aan het Zaailand. Toen deze foto van de Emmakade werd gemaakt, moet mijn vader 21 jaar zijn geweest. Kort daarop ging hij uit Friesland weg, omdat in die tijd in Friesland geen droog brood te verdienen viel. Wat dat betreft is er in al die jaren niet zo heel veel veranderd, want mijn beide kinderen wonen inmiddels ook niet meer in Friesland. Ze trokken hier weg, net als mijn vader zo’n honderd jaar geleden.

In 1918 liep de landbouwcrisis in deze contreien op zijn eind, maar de economie zat nog stevig in het slop. Nu klaagt iedereen in Friesland opnieuw over de krimp. Tijden veranderen, maar is dat ook zo? Het heimwee naar het verleden kruipt waar het niet gaan kan, zelfs nu Friesland zich opmaakt voor een sprong in de toekomst. Wie denkt straks in 2018 nog aan honderd jaar geleden?

Ik dus.

In weerwil van al haar pogingen om 
zich te profileren als een dynamisch, 
stedelijk knooppunt wordt 
Leeuwarden nog altijd het meest gekenmerkt door een intense 
aandacht voor het verleden, het historisch erfgoed. De stad heeft iets weg van 
een schuchtere dame die tegen wil 
en dank blijk geeft van adellijke 
komaf te zijn. Voortdurend moet zij 
moeite doen om bij de tijd te blijven, waar zij bij tijd en wijle ook 
wonderwel in slaagt. Hoe dan ook, 
als hedendaagse metropool mag de 
stad misschien iets missen, een rijke 
historie kan niemand haar 
ontzeggen.

Veel van het verleden is 
bewaard gebleven, niet alleen in het 
grillige stratenplan van de 
binnenstad, maar vooral ook in 
talloze monumenten. Van menig 
pand zijn de historische kleuren zelfs 
in ere hersteld, variërend van diep 
paars, zwaar oker en omber. De geschiedenis van 
de stad ligt verscholen op plekken waar het hedendaagse leven 
doorgaans aan voorbijgaat. Oude 
huizen zijn talloze malen van 
eigenaar veranderd. Maar de 
herinnering blijft voor wie er oog 
voor heeft. Een gedenksteen is 
het minste om zo’n plek te markeren. Maar 
hiertoe kunnen ook andere middelen 
worden aangewend.

Zo werd het geboortehuis van Slauerhoff in 
1987 verrijkt met een wat schamele plaquette, waarop niet alleen een portret van de dichter als 
scheepsarts met pet op, maar ook de 
bekende regels uit het gedicht ‘Woningloze’ 
staan afgedrukt. De dichtregels vallen hier 
op wonderlijke wijze eindelijk op hun 
plaats te vallen. “Alleen in mijn gedichten 
kan ik wonen/ Zoolang ik weet dat ik in 
wildernis,/ In steppen, stad en woud dat 
onderkomen/ Kan vinden, deert mij geen 
bekommernis.” Gijs Winkelman en
 Leendert van Pelt tekenden voor het 
ontwerp, de een voor de belettering de 
ander voor de grafisch vormgeving.

Slide1asaaaaaaa

Over zijn geboortestad Leeuwarden was het oordeel van Slauerhoff overigens niet onverdeeld gunstig, om het zacht uit te drukken. ‘Leeuwarden heeft voor mij geen attracties, evenmin als vroeger,’ schreef hij aan ooit aan zijn oude vriendin uit Jorwerd, Helleeen Ris Lambers. Over Friesland was dat oordeel  niet anders. ‘Dit schitterend mooie grijze land,’ zoals hij Friesland wel noemde, had ook zijn keerzijde.

Toch bleef bij Slauerhoff, ondanks al zijn kosmopolitisme, niet zelden  ‘iets van de vochtige weemoed van Friesland in zijn verzen zweven’, zoals Hendrik de Vries dat zo fraai verwoordde? ‘Alleen voor Friesland heb ik nog een zwak’ schreef de ‘Rimbaud fan Ljouwert’, maar Anne Wadman heeft in zijn gelijknamige artikel al in 1946 al beweerd, dat die uitspraak ook een inconsequentie bevat, voor zover Slauerhoff zich schaamde voor dat ‘zwak voor Friesland’.

Friesland bleef Slauerhoff achtervolgen als een gelukkig beeld uit zijn jeugd, een beeld dat tegelijk beladen was met melancholie, mist, regen en de vochtige droefheid van opwaaiende herfstbladeren. Of zoals Wadman het treffend samenvatte: ‘Hy wie net ien fan uzen. En dochs ek wol wer. Wij hawe allinnich net it rjocht om him foar de Fryske litteratuer op to easkjen. Mar Fryslân is méar as syn litteratuer allinnich.’

Hoe zat het eigenlijk tussen Slauerhoff en de Friese taal? Ook daarover had de ‘Rimbaud fan Ljouwert’ zo zijn eigen gedachten. Je hoeft niet in het Fries te schrijven, om te laten zien dat je een Fries bent, zo meende hij. Simpel en eenvoudig, al denkt menig Frysk skriuwer daar tegenwoordig anders over. Zo schreef Slauerhoff in de De Nieuwe Arnhemse Courant van 23 juli 1932 het volgende:

‘Men pleegt wel den in Friesland geboren schrijvers (ikzelf ervoer het ook) te verwijten dat zij niet de gewestelijke taal schrijven, hun afkomst verloochenen. Men kan daarentegen aanvoeren dat zij veel verdienstelijk werk doen èn voor de natie èn voor de provincie als ze den Friesche eigenaard in hun werk behouden, als in het geschreven Nederlandsch een grondtoon van ’t Fries aanwezig is. ‘

Wim Hazeu, die deze woorden aanhaalt in zijn Slauerhoff-biografie, vraagt zich af hoe Fries Slauerhoff eigenlijk was en wat daarvan in zijn werk herkenbaar is. Hazeu wilde zich kennelijk niet bezondigen aan het leggen van troebele verbanden met de Friese volksaard. De Franse letterkundige Louis Fessard had daar minder moeite mee. In zijn proefschrift Jan Slauerhoff (1998-1936), l’homme et l’oeuvre plaatst hij de dichter in het kader van het Friese volk en zelfs van 
het Friese landschap. Fessard  had bovendien een hoge pet op van de Friezen: ‘Van alle volken, die door de Romeinen overmeesterd werden zijn de Friezen de enigen geweest die koppig vasthielden 
aan eigen instellingen en, tot op heden toe, aan hun eigen taal.’

De Slauerhoff-studie van Fessard is opmerkelijk, omdat hij het oeuvre van deze noorderling bekijkt met de ogen van een Fransman. Zo schrijft hij lyrisch over de verlatenheid van het Friese landschap, ‘waar de koeien overal hun rouwkleed met zich meeslepen’, ….’partout,  les vaches frisonnes traînes avec elles leur robe de deuil.’ In het Frans klinkt dat opeens als een chanson van Jacques Brel. Maar de werkelijkheid was minder romantisch. Ook voor Slauerhoff.

‘Wie weet hoeveel tederheden/Je in jezelf hebt verstikt –/De Friesche aard is benepen/En uit zich niet groot, weegt en wikt.’ Zo dacht Slauerhoff ook over Friesland. Zijn gevoelens voor het heitelân waren op zijn minst ‘een beetje dubbel’, zoals dat tegenwoordig zo fraai heet. Niet in zijn eigen Friese land of Friese taal, nee, alleen in zijn gedichten kon deze dichter wonen.

3 Reacties »

  1. Eddy Drost

    22 februari 2016 op 01:12

    Beste Huub,

    Waarschijnlijk kan jij wel iets herkennen in de gevoelens van Slauerhoff voor Friesland en is dit misschien wel het centrale thema van jouw nieuwe boek.
    Ogenschijnlijk heb je gelijk en staat Friesland in 2018 op een punt waar er gekozen moet worden tussen blijven hangen in het verleden of een nieuwe sprong in de toekomst. De hang naar het verleden, die zich altijd maar weer uit om de Status Aparte van Friesland na te streven, kan inderdaad funest zijn voor de toekomst van Friesland.
    Je hoeft geen criminoloog of psycholoog te zijn om te begrijpen dat ‘anders’ zijn hoogst ongezond is en dat geldt zeker voor Friesland. En toch schijnen de politici hier dat maar niet te begrijpen. Een bekrompenheid die ons tot in lengte der dagen, niet alleen zal achtervolgen, maar waar wij ook blindelings achteraan blijven hobbelen als we de goede kant niet op worden gewezen.
    Dat de naam van Friesland zo nodig moest worden veranderd in Fryslân is daar het ultieme voorbeeld van. Er is sprake van een trots die misschien wel begrijpelijk is, maar allerminst verstandig.
    In Nederland zitten er elf provincies gezamenlijk in de kroeg gezellig te drinken en Friesland zit alleen in een andere kroeg wat naar het skûtsjesilen, fierljeppen en kaatsen te kijken. Want ja, daar zijn wij wereldkampioen in. Maar wat schieten wij daarmee op? Helemaal niets.
    Zolang de politiek niet het voortouw neemt om afscheid van het verleden te nemen, en het slechts als herinnering te koesteren, is er geen gerede kans op een gezonde toekomst en zullen wij achteraan blijven staan als de kansen worden uitgedeeld.
    In 2018 moeten er nieuwe wegen worden ingeslagen. Niet meer onze hand ophouden, maar de mouwen opstropen en over de grens kijken.

  2. Cees Andriesse

    22 februari 2016 op 12:06

    Beste Huub,

    ze hebben het één en ander in me losgemaakt, die gedachten van jou bij het Leeuwarden van vroeger. Ik pak een boekje uit de kast dat ik dertig jaar geleden geschreven heb en “Boudoir” genoemd heb. En ja, op blz 29 begint de passage waar ik aan moest denken:

    Met mijn zoontje Jelle ben ik naar de stad gereden. Ik parkeer de auto op de klinkertjes der Oosterkade, die roze wordt verlicht door pas ontstoken ontladingen in buizen met natriumdamp. Hij stopt zijn handje in mijn vuist als we langs de gevels gaan wandelen. Ik wijs en hij kijkt.

    Link af is het Droevendal. Zonder woorden ontdekken we het universum van de beloften, plavuizen van travertin, witte huizen met aluminium lijsten, gele rozen in guirlandes, paarse lampen achter gordijnen met kant, lachende en wenkende vrouwen met losse haren.

    Hier raak ik hem een moment kwijt. Hij wacht me op bij de uitgang van de Galilieër Kerkstraat. Nee, hij is niet moe. Nee, hij heeft het niet koud. In deze straat is het Natuurhistorisch Museum, nog net als vroeger. De opgestopte vleermuizen zijn afgestoft, in gele flessen zweven kikkers, salamanders en embryo’s. In bruine kabinetten rusten honderd vlinders aan stalen spelden en het jongetje beroert de schedel van een kat.

    Het is ver naar huis. Wij lopen tussen mooie gevels die allemaal in pasteltinten zijn opgeschilderd, de lindebomen lijken van karton en zijde, de Waag van gekleurd marsepein. Dit is een sprookje, dat op een toneel met gefilterd licht wordt opgeroepen. Het licht komt uit hoge masten bij het bolwerk van de Vrouwenpoort, dat vernieuwd zoals ze Bourtange vernieuwd hebben, maar mooier nog, met enorme ravelijnen, vers opgemetselde torens en muren, gave eiken balken en blauwgele vlaggen.

    Jelle is moe. Op mijn schouders draag ik hem het westelijke bolwerk af. […] Om thuis te komen moet ik door de schemerige straat van de soldaat en het prikkeldraad. Kom maar weer aan mijn hand lopne, Jelle, nu zijn we er bijna. […] Waar het huis staat is het donker. Ik heb geen sleutel. Mijn ouders zijn hier lang geleden vertrokken. Ook ik ben moe. Hier ben ik geboren. Hier is mijn kamertje. Vreemde mensen slapen daar.

  3. Pieter de Vries

    24 februari 2016 op 11:31

    Mooi stuk Huub, moest denken aan het gedicht Albumblad van C.O. Jellema:

    ALBUMBLAD

    ’s Zomers fietste mijn moeder naar Leeuwarden.
    Als in Sint Anna achter ’t serreglas
    zichzelf bedriegend vliegen drongen las
    mijn vader uit de Schrift, maar zij, benarde,

    die met meeslependheid ’t bestaan verwarde,
    meende dat enkel reizen haar genas,
    naar wad of stad, als het maar ruimte was,
    met Stanster beien was het niet te harden.

    ’t Was in de tijd dat Slauerhoff er woonde,
    de jaren twintig – stel, op een der grachten,
    een groet, herkenning: verte, en hij troonde

    haar mee – toen kwam zij thuis met rode konen
    alsof zij mij, een wereldreis verwachtte.
    Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.

    C. O. Jellema

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)