Vestdijk en de mimesis

Slide1

‘Ik begreep opeens wat het betekende schrijver te zijn: Men leeft
 voortdurend naast zichzelf; neen, het is erger, men leeft – hoe moet ik
 mij uitdrukken – men leeft als het ware dwars door zichzelf heen, zoals 
dat standbeeld hier in de tuin met één been over zijn gewonde vriend 
heenstapt en zich niet meer van hem kan losmaken.’

Aldus schreef Vestdijk in een passage die gaat over het schrijverschap. Wim Hazeu citeert deze woorden in zijn Vestdijk-biografie. Hoe verhouden zich Vestdijks romans zich tot de werkelijkheid? Wat is de relatie tussen fictie en autobiografische bron? De romans van Vestdijk hebben bij menigeen de vraag opgeroepen hoe die verhouding precies in elkaar zit. Wie was Ina Damman? Vestdijk had zijn bron graag geheim willen houden, temeer omdat de persoon om wie het ging nog leefde. Het mocht niet zo zijn. Nol Gregoor, die in tal van vraaggesprekken bleef vissen naar de autobiografische bron, onthulde uiteindelijk ook wie Ina Damman was. Loes Koning was de naam. Ze kwam uit Franeker.

Hoe belangrijk is het om dit te weten? Vestdijk zelf vond dat het er uiteindelijk niet toe deed. De verschillen die hij in zijn fictieve wereld had aangebracht waren immers vaak groter dan de overeenkomsten met de werkelijkheid. Bovendien is laat een roman per definitie een andere realiteit zien. De nabootsing van de werkelijkheid is nooit één op één. Zelfs als er sprake is van een ik-figuur kan die nooit met de schrijver vereenzelvigd worden, hoe vaak er ook tegen deze basisregel van de literaire fictie gezondigd wordt.

In de Vestdijk-biografie van Hans Visser, die in 1987 verscheen, worden personages uit de romans van Vestdijk vaak zonder enige reserve gelijkgesteld aan personen die in Vestdijks leven een rol hebben gespeeld. Wim Hazeu is in dat op zicht een stuk voorzichtiger. Maar ook zijn Vestdijk-biografie is niet vlekkeloos. Zoals Hans Visser zich niets aantrok van ‘de onmogelijke weduwe’ Mieke Vestdijk, zo heeft Hazeu zich – uit opportunistische redenen (?) – waarschijnlijk iets teveel van haar directieven aangetrokken.  Soms vervalt hij zelfs in geroddel als hij een ander (zonder directe bronvermelding) daarvan beticht. Over Nol Gregoor bijvoorbeeld schrijft Hazeu:

‘Nol Gregoor was een uitstekend nieuwsgierig interviewer, maar ook een gedreven ‘roddelaar.’ Aan Brakmans biograaf Gerrit Jan Kleinrensink vertelde hij dat Vestdijk en Ans Koster aan partnerruil deden met een huisartsenechtpaar en aan Hans Visser dat Henriette van Eyk (dan 55 jaar) zich moest laten aborteren van een kind van Vestdijk. Deze roddels vertelde hij lang na de dood van Vestdijk.’

Waarom moeten wij dit allemaal weten? Temeer, omdat we niet eens zeker weten of het wel waar is wat hier over Nol Gregoor wordt beweerd. Ook Nop Maas had in zijn Reve-biografie af en toe duidelijk de behoefte om een rekening te vereffenen (met Guus van Bladel bijvoorbeeld).

Maar laten we ons beperken tot de verhouding tussen de fictieve wereld van een roman en de werkelijkheid van het schrijversleven. Voorop staat dat de werkelijkheid in een roman per definitie nooit natuurgetrouw wordt weergegeven. Als er sprake is van een weergave van de werkelijkheid, gebeurt dat altijd met literaire middelen, en noodgedwongen met woorden. De taal op zich is onmachtig om wat er in het leven omgaat te representeren. De woorden zijn daarvoor te grofmazig. Wij kunnen de waarheid van het leven niet vangen in woorden. Of – zoals William James het ooit verwoordde: ‘Language works against our perception of the truth.’

Anders gezegd – en gebruikmakend van een begrip uit de optica. Wie de werkelijkheid van het leven in taal wil weergeven stuit telkens weer op de parallax. Wat je ziet door de zoeker van de camera (dat wil zeggen: een mechanische camera zonder spiegelreflex) is niet exact hetzelfde beeld als dat wat door de lens naar binnenkomt. Er is sprake van een verschuiving van focus. Het brandpunt van het oog is niet hetzelfde als dat van de lens.

Zoiets gebeurt ook bij het schrijver. Je zou het ‘de literaire parallax’ kunnen noemen. Hoe dicht een schrijver ook bij de werkelijkheid van het leven wil blijven, er is altijd sprake van een verschuiving. De mimesis, zoals de weerspiegeling van de werkelijkheid wordt genoemd, zal nooit een objectieve en tijdloze vorm kunnen vinden. De literaire mimesis is altijd tijdsgebonden. De wijze waarop wij de werkelijkheid weergeven in de literatuur verandert voortdurend.

Erich Auerbach schreef daar ooit een dik boek over: Mimesis, de weergave van de werkelijkheid in de westerse literatuur (1946). De literaire weergave verschuift met het wereldbeeld en dat is in de tijd sinds Homerus of Tacitus, Rabelais of Cervantes, Balzac of Virginia Woolf ook aantoonbaar het geval. Door de eeuwen heen is er sprake van een telkens wisselende code, waarvan de schrijver zelf zich niet eens bewust hoeft te zijn.

De werkelijkheid krijgt in iedere tijd zijn eigen literaire format, zijn eigen stilistische kadrering. Dat gebeurt door subtiele veranderingen in woordkeus, zinsbouw, gebruik van metaforen, veranderingen in het standpunt van de verteller etc. Vaak ook wordt bewust of onbewust gespeeld met de stilistische kadrering van andere schrijvers, zoals Vestdijk soms gebruik maakte van het literaire format van Proust of Joyce. Het gaat dan ook niet om de mate waarin de feiten exact zijn weergegeven, maar eerder hoe gevoelsaspecten van de levenswerkelijkheid telkens weer een andere vertaling krijgen in taal.

Het leven is zelf is niet in taal te vangen, dat was ook een belangrijk uitgangspunt van de zogeheten levensfilosofie. De filosoof Georg Simmel verwoordde het ooit als volgt:

‘Weil das Leben das ‘Gegenspiel der Form ist, ersichtlich aber nur das irgendwie Geformte mit Begriffen beschreiblich ist, so ist der Ausdruck Leben in dem hier gemeinten, ganz fundamentalen Sinne von einer gewissen Unschärfe, logischen Undeutlichkeit nicht zu befreien. Denn das Wesen des vor oder jenseits aller Form gelegenen Lebens, wäre verleugnet, wollte und könnte man eine begriffliche Definition davon bilden.’

Maar nu komt er iets eigenaardigs. Dit structurele onvermogen om de de levenswerkelijkheid exact weer te geven in de taal beperkt zich niet tot literaire middelen. Ook in de fotografie is sprake van een dergelijk onvermogen. Ik heb me altijd afgevraagd hoe het toch komt, dat je op een goeie vakantie ook goeie foto’s maakt en een vakantie, die wat minder was, vaak ook mindere foto’s oplevert. Het lijkt of het gevoel dat je hebt in en bepaalde situatie heel goed is af te lezen in het plaatje dat je schiet. Alsof een foto meer is dan een technische uitsnede van de werkelijkheid die in een split-second is gemaakt.

De persoonlijke keuze van het moment en de kadrering van het beeld verlopen kennelijk volgens processen, waarin onbewust een gevoel naar binnen sluipt. Dat gevoel lijkt achteraf door het afgebeelde gegenereerd te worden, maar in feite bestond het al tussen de oren van de fotograaf op het moment waarop hij op het knopje drukte. Deze geheimzinnige wijze van gevoelsoverdracht in de fotografische weergave van de werkelijkheid onttrekt zich ogenschijnlijk aan de wetten van het verstand. Het is iets waar je met je pet niet bij kan. Het gebeurt zonder dat je er weet van hebt.

Het werkelijk mimetische deel van de mimesis ligt dus niet in het feitelijke, het verstandelijke, precieze en gedefinieerde, maar in het vage, onbestemde, non-descripte of zelfs efemere karakter van het gevoel. Bij de mimesis gaat het niet om de natuurgetrouwheid, waarmee de werkelijkheid in een kunstwerk is weergegeven, maar om het gevoel dat door de kunstenaar in de weergave onbewust is gelegd.

Zo geredeneerd kom je uiteindelijk tot de conclusie dat er in feite helemaal niet zoiets als ‘mimesis’ bestaat. Tenminste, als je mimesis opvat als natuurgetrouwe nabootsing. Elke vorm van nabootsing, hoe natuurgetrouw ook, verraadt immers tegelijk ook de innerlijke gevoelswereld van degene die nabootst. De mimesis is uiteindelijk niet meer dan een nabootsing van een beeld dat correspondeert met een innerlijk beeld bij de kunstenaar, en niet zozeer met een uiterlijk beeld dat in de werkelijkheid voorhanden is.

Het maakt niet uit hoe je iets opschrijft, als je het maar eerlijk en oprecht doet, op het juiste moment en precies zoals het was. Dat wil zeggen, als een foto van een gelukkig moment. Het gevoel komt achteraf vanzelf wel. Ik denk dat Vestdijk zich ook niet met zijn eigen gevoelens bewust was, toen hij Terug tot Ina Damman schreef. Hij zette precies op papier  wat hij voor ogen zag, maar dat was niet de werkelijkheid. Kortom, Ina Damman, zoals Vestdijk die beschreef, heeft nooit bestaan.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)