Vestdijk als psychiatrisch patiënt

marienhof

Foto: Vereniging Oud-Ederveen

‘Van een heel ander kaliber is Huize Mariënhof, een achter groen verstopt jachthuis dat omringd wordt door weilanden met boerderijen en schuren. Het hoorde vroeger bij het wat mysterieuze landgoed De Bruinhorst. Die naam komt al in 1651 voor als een adellijk huis, in de 19de eeuw is het afgebroken en in 1879 weer opgebouwd als buitenverblijf. In de Tweede Wereldoorlog krijgt het de naam en de bestemming Kamp Bruinhorst – eerst voor de ‘werkverruiming’ om baanloze mannen weer aan de arbeid te zetten, daarna als ‘buffer’ voor Joden die in afwachting zijn van hun transport naar Kamp Westerbork. Na de oorlog worden er repatrianten uit voormalig Indië opgevangen. Vervolgens wonen Molukse gezinnen er twaalf jaar lang in barakken achter het kasteel. In de jaren zestig verdient menig inwoner van Ederveen z’n boterham als koetsier, dienstmeisje of dagloner op De Bruinhorst.’

Aldus schreef Haro Hielkema een paar jaar geleden in het dagblad Trouw. Wat onvermeld bleef hier is dat Huize Mariënhof ook onderdak geboden heeft aan een psychiatrische kliniek. In 1948 werd dit jachthuis in vervallen staat aangekocht door de Utrechtse jurist en zenuwarts 
George Willem Arendsen Hein, bijgenaamd de depressiedokter, zo weet Wim Hazeu te melden in zijn Vestdijk- biografie: ‘In mei 
1949 opende hij zijn particulier sanatorium onder de naam Centrum 
voor klinische psychologie ‘Stichting Veluweland’, een sociotherapeutische gemeenschap voor de behandeling van neurotische ontwikkelingsstoornissen.’ Tegenwoordig is hier Stichting Veluweland gevestigd, een psychotherapeutisch centrum. Het adres is Klomperweg 175.

Na zijn terugkeer in 1965 uit de Verenigde Staten was Jan Foudraine gedurende twee en een half jaar als psychiater werkzaam als ‘chef de clinique’ van dit psychotherapeutisch centrum in Ederveen. Er was iets grondig mis in de maatschappij en het leek of de psychiatrische patiënt daar bij uitstek het symptoom van was. Hij werd het slachtofer, degene die als ‘gek’ werd bestempeld omdat systeem zelf de waanzin nabij was. In The politics of experience and the birth of paradise (1967) schreef Laing:

‘Something is wrong somewhere, but it can no longer be seen exclusively or even primarily ‘in’ the diagnosed patient. Nor is it a matter of laying the blame at anyone’s door’.

In die tijd schreef Foudraine in Nederveen een deel van zijn boek Wie is van hout? In de inleiding schrijft hij: ‘Ik gooide het daarna in de kelder maar haalde het er na twee jaar weer uit, omdat ik dacht: “Waarom eigenlijk niet?”‘ Welnu, dat hebben we geweten. Het boek, dat in 1971 verscheen, werd een revolutie in de psychiatrie. Het waren de hoogtijdagen van de anti-psychiatrie. Van Wie is van hout? werden in die tijd meer dan dan 200.000 exemplaren verkocht, waarna het succes Foudraine zelf ook naar het hoofd steeg. Hij sloot zich aan bij bij Bhagwan Sri Rajneesh in Poona, van wie hij de naam Amrito ontving. Maar toen was Vestdijk gelukkig al dood.

Slide1

Vanwege een hevige depressie werd Vestdijk op 15 november 1953 opgenomen in Huize Mariënhof in Ederveen, en hij verbleef er tot 19 januari 1954. Daarmee was de ellende voor Vestdijk nog niet voorbij. In zijn Vestdijk-biografie uit 1987 schrijft Hans Visser:

‘Vestdijk hield het niet meer uit op ‘Veluweland Ederveen’ en was 
op 19 januari weggelopen. Veertien dagen was hij thuis geweest 
voordat hij op I februari werd opgenomen in het Christelijk Sanatorium te Zeist. Hij had in ‘Veluweland’ bijna twintig lichte elektroshocks gehad en kreeg in Zeist nog eens tien of twaalf sterke 
shocks. Het ‘shocken’ gebeurde in zijn mond. Tijdens de behandeling 
kon hij de schokken verdragen, maar na afloop voelde hij zich 
verschrikkelijk misselijk. Na twaalf behandelingen – met een 
tussenpoos van een week- werd Vestdijk op 29 maart ‘genezen’ 
naar huis gestuurd. Drie weken lang was hij zijn geheugen kwijt; 
hij wist in zijp eigen huis de w.c. niet meer te vinden. Met zijn geheugen kwamen ook zijn depressies terug. De angstdromen, die hem bijbleven, en de angstgedachten dat hij niet 
meer beter zou worden waren volgens de arts naweeën van de 
shocktherapie. Dagelijks kreeg hij daartegen injecties en tablet
ten. Dat zou tenminste drie of vier maanden moeten duren; bij 
Vestdijk misschien langer vanwege een grote mate van overgevoeligheid.’

En even verder:

‘Het toedienen van elektroshocks, wanneer andere therapieën faalden, was rond 1955 de meest toegepaste behandeling. Volgens 
prof. dr. W.K. van Dijk, een Groningse psychiater met wie Vestdijk in een latere fase van zijn leven dikwijls over zijn depressies gepraat heeft, is het falen van de electroshockmethode bij Vestdijk 
wellicht te wijten aan een onjuiste toediening, en een onjuiste 
therapie; ook na twaalf schokken bleef positief resultaat uit.

Aan het eind van deze ziekteperiode van twee jaar kwam Vestdijk in aanraking met het antidepressivum Tofranil. Het is een 
van de krachtigste middelen, de werking is afhankelijk van de 
dosering. Het vinden van de juiste dosering vereist voortdurend 
overleg tussen arts en patiënt. Uit het feit dat Vestdijk positief op dit middel reageerde, valt op te maken dat hij leed aan een zogenoemde ‘vitale depressie’. Dat is een depressie die alleen bestaat 
uit depressieve fasen; vitaal betekent dat vitale functies, zoals 
spijsvertering en ademhaling er de neerslag van ondervinden. Depressies van dit soort verlopen grillig en ze vinden vaak plaats in 
het voor- of het najaar; de oorzaak van deze periodieke terugkeer 
is onbekend. Typerend voor deze depressie is ook dat de patiënt 
de depressie voelt aankomen en precies kan aangeven wanneer ze 
voorbij is.’

De introductie van de psychofarmaca, zoals largactil en chloorpromazine, die begin jaren vijftig op de markt kwamen, veranderde het dagelijks patroon in de psychiatrische inrichting ingrijpend. De patiënten werden van nu af aan veel rustiger en zo kwam er ook meer ruimte voor actieve vormen van therapie.

Al met al weet Visser in zijn biografie meer specifieke, medische informatie naar boven te halen dan Hazeu dat 18 jaar later deed in zijn biografie. Ik vraag me af of er geen medische dossiers bewaard zijn gebleven van Vestdijks opnames, niet alleen in Ederveen en Zeist, maar ook later in het ziekenhuis in Utrecht. Medische dossiers worden doorgaans na 15 jaar vernietigd, maar dat gebeurt lang niet altijd.

Zelf vond ik mijn eigen medische dossier na 43 jaar gewoon terug in het psychiatrisch ziekenhuis in Heiloo, nadat ik daar in 2009 navraag naar had gedaan. Ik weet of niet of het überhaupt is toegestaan om informatie uit medische dossiers te gebruiken in een biografie. Bestaat er eigenlijk wel een moreel handvest voor biografen? Hoe dan ook, prof. dr. W.K. van Dijk, die Vestdijk psychiatrisch behandelde, had geen morele bezwaren om informatie over zijn patiënt aan biograaf Henk Visser door te spelen.

Kuno_van_Dijk_(1972)

Prof. dr. W.K. van Dijk (1924-2005)

In Ederveen werd Vestdijk behandeld door de oude professor Ronge, een collega van Rümke, zo weet Hazeu te melden. Over de aard van Vestdijks depressies schrijft Hazeu:

‘Vestdijks recidiverende depressie kondigde zich al enkele weken aan: 
hij was snel geprikkeld, sliep slecht, at nauwelijks. Zijn neurotische onzekerheid, zijn angst voor wat misschien kon gebeuren, was in alle afgelopen jaren nog niet zo groot geweest en bracht een afschuwelijk lijden teweeg. De psychische belasting is veel zwaarder dan de lichamelijke vermoeidheid na de galoperatie. In het begin krijgt hij kalmerende 
en slaapbevorderende medicijnen tegen de angst en de ernstige slaap
stoornissen. Vervolgens wordt hij onderworpen aan de zogenaamde 
slaapkuur van Kläsi. Via injecties brengt de dokter ‘waarheidsserum’ bij hem in en tussendoor wordt hij door zuster Corrie gevoed. De eerste 
weken mag hij geen bezoek ontvangen, en daarna wanneer de slaap- in 
een rustkuur is overgegaan, wil hij dat niet. Ans schrijft hem veel, met de boodschap.’

De ‘slaapkuur van Kläsie’ – zo leerde ik na enig googelen – werd in 1922 ontwikkeld door de Zwitserse psychiater Kläsie, die erin slaagde om psychiatrische patiënten in een kunstmatige, langdurige narcose te brengen. Deze kuur werd tot in de jaren zestig veelvuldig toegepast bij depressies en psychoses. Zelf ben ik 1966 nog behandeld met een dergelijke kuur, aanvankelijk door het toedienen van largactil dat later vervangen werd door trilafon. De slaapkuur wordt tegenwoordig als achterhaald en onwerkzaam beschouwd.

In totaal heeft Vestdijk 12 keer een elektroshock gehad. Alleen al op basis daarvan kun je hem met recht – meer zelfs nog dan Reve met zijn ‘psychopathologische onderbouw ‘ – een psychiatrisch patiënt noemen. Wat zou er van hem geworden zijn als hij niet zo’n groot talent had gehad om te schrijven? Met Reve was het slecht afgelopen, dat weet ik wel zeker. Maar met Vestdijk?

Vestdijk was zelf ook nog eens arts, dus hij moet precies geweten hebben wat er met hem aan de hand was. Hij wist ook wat de doctoren met hem deden. Sterker nog, hij ergerde zich eraan dat hij zelf niet geraadpleegd werd over de beslissing om hem elektroshocks toe te dienen. ‘Vooral als medicus had men mij toch voor de keus meten stellen,’ schreef hij op 24 oktober 1954 Henriëtte van Eyk.

Dat laatste is nog naar de vraag. Een psychiatrisch patiënt heeft doorgaans geen enkele zeggenschap over zijn eigen behandeling. Dat heb ik zelf ondervonden tijdens mijn opname in 1966. Bij het besluit om je op te sluiten in een isoleercel heb je als psychiatrisch patiënt geen inspraak. Ook niet, als ze je drie keer per dag platspuiten met chemische middelen.

Vreemd dat je daar nog altijd zo weinig over leest. Over dementie in relatie tot euthanasie is tegenwoordig van alles te doen, maar de ethiek van de psychiatrische inrichting is nog altijd een black box die voorbehouden is aan de medische stand. Als leek heb je daar niets over te zeggen en helemaal niet als je er zelf mee te maken krijgt.

De geestelijke autonomie het het individu staat in onze vrije, westerse cultuur hoog in het vaandel. Maar die vrijheid wordt in ethisch opzicht problematisch als de geestelijke autonomie deel uit gaat maken van het ziektebeeld van de patiënt. Het moge duidelijk zijn, dat als een patiënt een gevaar wordt voor een ander, het begrip geestelijke autonomie zijn grenzen kent. Maar wat als er van een gevaar voor anderen geen sprake is?

In hoeverre heeft een mens nog recht op zijn eigen psychische aandoening ook al leidt die wellicht tot suïcide? En wanneer is hij al of niet wilsbekwaam om daar zelf een uitspraak over te mogen doen? Ik heb de indruk dat artsen en psychiaters al gauw geneigd zijn om – buiten medeweten van de patiënt – te handelen in diens ‘eigen belang’. Dat ‘eigen belang’ wordt dan wel door een ander bepaald en niet door de patiënt zelf. Daar ligt het ethische grensgebied dat door de psychiatrie maar al te graag wordt geannexeerd.

Vestdijk zelf was overigens allerminst te spreken over zijn behandeling door psychiaters. Na zijn maandenlange opname in het ziekenhuis van Utrecht, waar een slaapkuur van drie weken onderging, schreef hij:

Op den duur is het verblijf [53 gulden per dag] voor mij niet meer betaalbaar. (…) Ik ben door jullie verblijf niets opgeschoten. Bedankt!

Reageren is niet mogelijk.