Terug in de Saffierstraat

Schermafbeelding 2016-02-09 om 09.47.28

Saffierstraat in de jaren twintig ( foto Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Gisteren was ik weer eens boek kwijt. Dat is een vervelende ervaring, want ik weet dat ik het in huis heb. Ik weet alleen niet waar het staat. Jarenlang heb ik geprobeerd om mijn eigen boekenkast op orde te brengen, maar nooit heb ik een sluitend systeem kunnen vinden. Er zijn altijd weer boeken die niet op een bepaalde plank passen. En als je dan met een nieuwe plank begint, dan blijkt dat er ook weer boeken zijn die eigenlijk op twee of op drie planken tegelijk thuishoren. Een sluitend systeem van ordenen bestaat niet. Titels van boeken hebben altijd een complexe relatie met tal van andere boeken en elke poging om daar een zodanig systeem in aan te brengen, dat een eenduidige ordening in de ruimte mogelijk wordt, is een hopeloze onderneming.

Wat is trouwens een ordening? En wat moet je ordenen? Er is van alles om je heen, waarvan je bij voorbaat denkt dat het van geen belang is. Waarom ligt de kat op de stoel ‘s ochtends en niet op de bank? Waarom is die halve fles wijn op het aanrecht blijven staan? Waarom is de krant half in de brievenbus blijven steken en niet op de grond gevallen? De werkelijkheid zit veel complexer in elkaar dan je geneigd te bent te veronderstellen. Als je alle details om je heen nu eerst eens heel precies in kaart zou brengen, zonder meteen naar een verband te zoeken, dan zou de wereld misschien een stuk duidelijker worden. Beschrijven, beschrijven en nog eens beschrijven. Niet interpreteren, vooral niet interpreteren. Niets is waar, en zelfs dat niet.

Ik moet eens ophouden met al dat problematiseren. Ik moet de dingen gewoon nemen zoals ze zijn. De wereld bestaat uit een zee van tegenstrijdigheden. Als ik niet eens mijn eigen boekenkast op orde kan brengen, hoe zou het dan ooit lukken om een sluitend systeem voor de wereld te bedenken? Waarom zou ik niet gewoon gaan zitten luieren? Denken is het bijeengaren van een onafzienbare hoop minutieuze en nauwkeurige constateringen waar geen mens op zit te wachten. Kortom, de wereld heeft geen zin en het is onzin om nog langer naar een zin te zoeken. Ik denk wel eens, waar ben ik in godsnaam mee bezig. De kattenbak moet verschoond en de krant ligt nog ongelezen op tafel.

Laat ik maar weer eens teruggaan naar een straat in Amsterdam, want dat schept enige orde in mijn gedachten die telkens weer afdwalen in onzinnige redeneringen. Saffierstraat nummer 109 éénhoog, dat was mijn laatste woonadres in Amsterdam. Ik woonde in deze straat van augustus 1976 tot augustus 1977. Op de bovenstaande ansichtkaart is rechts op de eerste verdieping het raam te zien waar ik naar buiten keek. Je had uitzicht op de Jozef Israëlskade, want het is bijna een hoekhuis. In een vergelijkbaar hoekhuis woonde Gerard Reve, toen hij De avonden schreef. Dat huis van Reve staat zo’n 50 meter verderop, op de hoek van de Jozef Israëlskade en de Diamanstraat. Daar is ook de regenpijp te zien, waar Frits van Egters op het einde van De avonden pissend het nieuwe jaar 1947 inluidde, het jaar waarin ik geboren ben:

“Eerst pissen,” mompelde hij, liep naar de muur en waterde tegen een gootpijp. Steeds meer sirenes en fluiten mengden zich in het geraas. Terwijl hij zijn gulp sloot, keek hij omhoog. Midden aan de hemel was in de bewolking een open plek, waar de sterren helder schitterden.”

Hier heeft Reve dus naar de sterren gekeken en ‘het is niet onopgemerkt gebleven’. Misschien keek hij ook wel naar de architectuur, hoewel dat vaak het laatste is wat je ontdekt, als het je eigen buurt is. Het laatste wat een vis ontdekt is het water waarin hij zwemt.

Hoe dan ook, architectonisch gezien is het een hele mooie buurt, de Diamantbuurt. Misschien wel de mooiste buurt van Nederland. Alleen om te wonen was het zo’n jaar of wat geleden een stuk minder geworden. In 2004 moest een jong echtpaar, dat op het Smaragdplein woonde, halsoverkop hun huis verlaten, nadat ze waren weggepest door Marokkaanse jongeren die ’s avonds voor het badhuis op het plein rondhingen.

Als klap op de vuurpijl kwam daar een paar jaar later de affaire met het kinderdagverblijf Het Hofnarretje daar nog over heen. Het Hofnarretje, dat tegenwoordig De Vlinderhof heet, bevindt zich op de rand van de Diamantbuurt, aan de Van Woustraat, maar er is ook een dependance op het Smaragdplein. Op dat plein rust dus geen zegen.

Als je van vanuit het Smaragdplein doorloopt in de Saffierstraat, kom je uiteindelijk bij de Lutmastraat. Daar bevond zich de Grafische School waar Reve in de oorlogsjaren een opleiding volgde, nadat hij was blijven zitten in de vierde klas van het Vossiusgymnasium. In het gebouw van Grafische School zijn tegenwoordig ateliers voor kunstenaars gevestigd. In 2004 ben ik daar nog eens geweest, op atelierbezoek bij Angèle Etoundi Essamba.

Overigens had Reve het op die Grafische School in de Lutmastraat niet zo naar zijn zin. In een driftbui gooide hij een medeleerling een metalen tekenhaak naar het hoofd. Daarna liep hij van school weg en deed zelfs een wat knullige zelfmoordpoging door van de brug af te springen in het Noorder-Amstelkanaal. Hoe kun je zo zelfmoord plegen, als je zelf kunt zwemmen? Het moet eerder een noodsignaal zijn geweest.

Hoe dan ook, die brug staat niet op de foto’s boven. Je komt er, als je naar rechts loopt en dan vijftig meter naar links gaat. Dan ben je ook bij de Amstel, ‘de rivier’, zoals hij in De avonden heet. Ik ben er talloze malen langsgelopen zonder te weten wat zich hier allemaal heeft afgespeeld. In de jaren zeventig had ik niets met Reve. Zelfs De avonden had ik nog niet gelezen, toen ik in de Saffierstaat woonde. Dat boek las ik pas in 2004.

De indeling van ons huis in de Saffierstraat was grotendeels gelijk aan het huis van de familie Van het Reve. Alleen hadden wij geen tweede verdieping destijds voor de slaapkamers. Bij Reve thuis hadden ze dat wel. Hun huis was dus twee keer zo groot. Op de bovenste verdieping was bij ons een zolder die vroeger – net als in De avonden – voor de opslag van kolen had gediend. Maar daar mochten we niet komen, omdat de buurvrouw daaronder een solarium aan het plafond had bevestigd.

Ze was bang dat dit naar beneden kwam, als wij op zolder liepen. We hebben maar een jaar in de Saffierstraat gewoond. De buurt zou weldra gerenoveerd worden, dus we hadden er toch uit gemoeten. Het was een kleine maar gezellige woning, zonder douche helaas. Daarvoor moest je naar het badhuis op het Smaragdplein, dat destijds nog in de oorspronkelijke staat in functie was.

unnamed1

Vensterbank aan de achterkant van Saffiersrtraat 109, 1976

De kamers van het huis waren wat donker. Dat kwam vooral door de hoge vensterbanken. Er wordt wel eens beweerd dat deze destijds bewust zo hoog gemaakt waren, om de arbeiders te beletten om de hele dag bij het raam naar buiten te hangen. De architect van deze woningen was Jop van Epen. Zijn huizen hadden markante bakstenen gevels en de kozijnen waren in typerende kleuren donkergroen en donkergeel geschilderd. Deze zogeheten ‘Amsterdamse School- woningen’ uit de jaren twintig waren destijds gebouwd als ‘paleizen voor de arbeiders’, maar in 1977 waren ze nodig aan een opknapbeurt toe.

We gingen destijds naar de Openbare Bibliotheek (voorheen Openbare Leeszaal) aan het Coöperatiehof, waar ook Reve zijn boeken moeten hebben geleend. Niet ver daarvandaan is het Therèse Schwartzeplein. Dat is een van de mooiste pleinen van Amsterdam.

In 1991 heb ik al die Amsterdamse-School-buurten nog eens bezocht, toen ik bezig was met een boekje over jonge bouwkunst in Friesland voor de Stichting Monument van de Maand. Ook de prachtige gebouwen van Michel de Klerk in de Spaarndammerbuurt, die zo mogelijk nog spectaculairder zijn dan wat in de Diamantbuurt en P. L. Takbuurt aan Amsterdamse-School-architectuur is te zien.

Onze bovenbuurman in de Saffiertraat, mijnheer Evenhuis, woonde er al sinds het eind van de jaren twintig. Evenals de familie Van het Reve had hij eerder in Betondorp gewoond, waar onze de Algemene Woningbouwvereniging ook veel woningen had, evenals De Dageraad en Eigen Haard. Mijnheer Evenhuis was weduwnaar. Zijn vrouw was al jaren daarvoor met de fiets verongelukt in de Van Woustraat. Zelf had hij het Nederlands elftal nog zien voetballen bij de Olympische Spelen in 1928, waar hij ook de legendarische speler van Uruguay, José Andrade, nog met eigen ogen had gezien. De familie Van het Reve, die in 1939 om de hoek kwam wonen, moet mijnheer Evenhuis ook zeker gekend hebben, maar ik heb hem er nooit naar gevraagd.

Toen we weggingen uit de Saffierstraat, in augustus 1977,  heerste er een hittegolf in Amsterdam. De rieten mat op de vloer hebben we laten liggen met als gevolg dat er een vlooienplaag uitbrak in het door ons verlaten huis. Meneer Evenhuis heeft toen de hele woning laten ontsmetten door de woningbouwvereniging, waardoor wij de borgsom voor onze huur op onze buik konden schrijven. Dat was het laatste wat ik me nog herinner van de Saffierstraat. Adieu Amsterdam… non je ne regrette rien.

Reageren is niet mogelijk.