Een oud verhaal in De Nieuwe

Slide111

Van de week viel het nieuwe nummer van het kunsttijdschrift De Nieuwe in de bus. Het is een themanummer over lust. Er staat ook een artikel van mij in: Kunst is de poëzie van de pijn. Trouwe lezers van mijn weblog zullen zich misschien afvragen: heb ik dat niet al eens eerder gelezen? Inderdaad, het verscheen vijf jaar geleden al eens op mijn weblog, maar als u het nu nog herkent, heeft u wel een heel goed geheugen. De redactie had weer eens gevraagd of ze een tekst mochten overnemen, en dan zeg ik altijd ja. Hoe meer lezers, hoe meer vreugd.

Een oud verhaal dus in De Nieuwe. So what? Als ik het artikel nu herlees, herken ik het nog altijd als een tekst van mezelf, maar ik moet zeggen, er is ook wel het een en ander veranderd. Ik zat in die tijd midden in mijn Reve-periode. Ik verdiepte mij nogal in mystieke literatuur, vooral de Spaanse mystici als Teresa van Avila en Johannes van het Kruis. Per dolorem ad veritatem – ‘door pijn tot waarheid’ – is een typerende uitdrukking in de Spaanse lijdensmystiek die ook Reve beïnvloed heeft.

Dat hele katholicisme is trouwens wat verder van me af komen te staan, al vrees ik dat ik er nooit helemaal los van zal komen. Hoe dan ook, het fenomeen religie blijft mij intrigeren. Vaak wordt beweerd dat de wetenschap de religie gaandeweg overbodig zal maken. Naarmate wij meer te weten komen over het universum, zal de behoefte afnemen aan een mythisch substraat om ons met het leven – en vooral ook de dood – in dit universum te verzoenen.

Ik denk dat het omgekeerde het geval is. De behoefte aan mythes en verhalen zal alleen maar toenemen. Sterker nog, ooit zal de wetenschap bij de religie te rade gaan, om de ultieme metaforen te vinden voor wat voor het verstand totaal onbegrijpelijk is geworden. In een interview in de Volkskrant van gisteren verklaarde de natuurkundige Anton Zeilinger, wiens naam rondzingt voor de Nobelprijs, dat we eigenlijk steeds minder begrijpen, niet alleen van de kleinste materiedeeltjes, maar ook van het heelal:

‘Tijd, ruimte, causaliteit. In feite begrijpen we daar nog helemaal niks van. En misschien zijn het welk de enige bouwstenen die er toe doen.’

De eerste vijf jaar na mijn pensionering in 2007 ben ik vooral bezig geweest met het verwerken van mijn katholieke jeugd. Reve was een aardige kapstok daarbij. Sinds kort heb ik mij op Vestdijk gestort. Niet omdat ik me geheel van de religie wil afkeren. Integendeel, ook Vestdijk was een  religieus mens, al uitte zich dat bij hem op een geheel ander manier dan bij Reve.

simon-vestdijk-de-nadagen-van-pilatus-ex.2-38045118

Ik zal niet zeggen dat Vestdijk meer een rationalist was, want hij heeft een sterke belangstelling voor mystiek gehad en ook voor het boeddhisme. Ook van het christendom wist hij veel, getuige alleen al de romans die hij schreef met een christelijk thema. De nadagen van Pilatus (1938) is misschien wel het beste voorbeeld daarvan. Maria Magdalena, die in deze roman een belangrijke rol speelt, was – in de optiek van Vestdijk – van mening, dat voor Jezus de zonde niet bestond. Vestdijk schrijft:

‘Volgens haar zeggen beschikte Jezus van Nazareth over een geheime leer naast de in omloop zijnde, die hierop neerkwam, dat de zonde niet bestond, althans bestond nergens anders, dan in het brein van degene die zich tegen de zonde verzette. Haar was geleerd dat zondigen hand in hand gaat, evenredig stijgt met de tegenstand die men de zonde biedt of meent te bieden. Dat de grootte zondaars ook de grootse zonde-haters zijn. . en dat daarom de reinheid des harten alleen te bereiken is voor diegene die de zonde , de Boze, de duivel liefheeft, – zonder de verborgen afkeer, die de zondaar juist onverbrekelijk aan de hartstocht kluistert. ‘

Menno Ter Braak schreef destijds naar aanleiding van deze roman, dat Maria Magdalena in de conceptie van Vestdijk ‘een soort gnostische prostituee’ was geworden…

‘Maria Magdalena is voor Vestdijk dus de eerste christelijke oppositie-figuur, die regelrecht ingaat tegen de officiële uitleg van de christelijke leer; haar mystieke prostitutie is een zuiver-persoonlijk geheim, dat Pilatus met impotentie slaat, omdat hij achter deze vrouw de imaginaire gestalte van de Gekruisigde ziet opdoemen. Pilatus moet haar ‘doorgeven’ aan de opperzondaar, de volleerde comediant, de duivelse histrio: Caligula; hijzelf zakt nu af naar het tweede plan, hij wordt een bijrol, evenals de onooglijke Nazareeërs, die Vestdijk hier schildert als een bedroevend zoodje heilsbegerige stumpers.’

Zo zie je maar weer dat het christendom nog altijd boeiende literatuur kan opleveren. Je hoeft De Da Vinci Code er maar op na te slaan. Zonder kennis van twintig eeuwen christendom kom je in de kunstgeschiedenis ook niet zo ver. Je moet de verhalen kennen, de legendes, de folteringen van de martelaren, maar ook de gruwelijkheden van de Inquisitie. De christelijke iconografie is een opsomming  van horrorverhalen: kruisingen, brandstapels, onthoofdingen… Maar ook in de Griekse mythologie zijn er heel wat martelingen op een pakkende wijze beschreven. Wat dat betreft bouwden de christenen gewoon door aan de toren van verhalen die al in de Oudheid was opgetrokken. Deze vaak gruwelijke vertellingen vroegen als het ware om geschilderd te worden. Over zo’n oud verhaal gaat ook mijn artikel in De Nieuwe.

***

Kunst is de poëzie van de pijn

image001

Het villen van Marsyas is een van de meest indringende schilderijen van Titiaan. Ik zag het met eigen ogen in 1990 op de grote Titiaan-tentoonstelling in het Palazzo Ducale in Venetië. Eigenlijk is het nauwelijks een schilderij te noemen. Het is eerder een boetseerwerk dat door de schilder uit verf is gekneed. De voorstelling is gruwelijk. De god Apollo vilt de satyr Marsyas omdat deze zo dom is geweest om de god uit te dagen in een muziekduel. Marsyas speelde de fluit die Athene ooit op aarde had laten vallen. Apollo speelde de lier. De winnaar van de wedstrijd mocht met de verliezer doen wat hij wilde. Villen dus, besloot Apollo, want goden vinden het niet leuk om uitgedaagd te worden door een een gewone sterveling, ook al is het een satyr.

Het lichaam van Marsyas is een bonte mengeling van vlekken en kleuren. Kunsthistorici spreken wel eens over de ‘huid’ van een schilderij. Welnu, dit is wat je noemt een geschilderde huid, satyrhuid wel te verstaan, die van het vlees wordt afgestroopt. Het creatieve proces van het schilderen is hier niet zozeer een scheppingsdaad, maar een verlossing. Zoals een beeldhouwer een menselijke gestalte bevrijdt uit het marmer, zo bevrijdt Titiaan hier Marsyas uit de verf. Zijn marteldood valt samen met de creatieve daad van de kunstenaar, die de godlasterende uitdaging van het slachtoffer zelf nog eens dunnetjes overdoet. Ook Titiaan daagt de goden uit door het onmogelijke te schilderen. Hij daagt God uit, die Adam ooit uit zijn  handen kneedde. Titiaan kneedt Marsays letterlijk uit verf. De verf valt samen met het vlees en wordt zo de prima materia voor een negatieve scheppingsdaad.

Het villen van Marsyas

In zijn boek Della pittura, de schilderkunst en andere media (2000) gaat Frank Reijnders uitvoerig in op dit schilderij. Hij spreekt van ‘chromatische alchemie’ die Titiaan hier bedrijft. Deze ongehoorde wijze van schilderen zou later ook grote schilders als Rubens, Rembrandt, Hals, Van Dijck en Velasquez hebben geïnspireerd. Het villen van Masyas is misschien wel een metafoor voor het schilderen zelf. Hoe vaak is niet beweerd dat de schilderkunst op sterven na dood is, en telkens weer herrijst ze uit haar eigen as. Aan het eind van de vorige eeuw was de schilderkunst het spektakel dat uit de weg geruimd moest worden, omdat het de weg versperde voor het openbreken van nieuwe disciplines. Maar de schilderkunst staat onverschillig tegenover onze eindeloze manipulaties en doodverklaringen. Waar verf, penselen en linnen verruild worden voor het spiegelgladde oppervlak van de cibachrome-print komt weer een nieuwe esthetiek tevoorschijn, een esthetiek van het scherm. En ook deze esthetiek lijkt Titiaan hier wonderlijk genoeg te verkennen. De geschilderde huid wordt op zichzelf een scherm, een verfscherm wel te verstaan.

Geschilderde voorstellingen zijn als verfscherm doorgaans onzichtbaar. Je kijkt immers door het verfscherm heen naar de voorstelling die is afgebeeld. Het verfscherm verdwijnt in de mimesis. Titiaan laat zien dat het verfscherm geen transparant venster is, maar de essentie van het schilderen zelf. In de spelonken van de verf onthult zich het mysterie. Bij alle veranderingen die de status van het beeld ondermijnen, handhaaft de schilderkunst een eigen domein, waarnaar ze steeds opnieuw kan terugbuigen. De schilderkunst is niet in staat een adequate voorstelling te geven van de reële wereld daarbuiten, en ook niet van een irreële binnenwereld. De abstracte schilderkunst was in feite een laatste poging om een transcendente werkelijkheid in de kunst zelf tevoorschijn te toveren. Abstractie werd de epifanie van een dode God. Maar zelfs als elke mogelijkheid tot het suggereren van transcendentie is weggevallen, betekent dat nog niet het einde van de schilderkunst.

Kruisingingscène als spektakelfilm

Titiaan verbindt het martelaarschap van het christendom met het een oude wijsheid van de Griekse mythologie. Kwelling en pijn zijn eigen aan het menselijk bestaan, en in de lijdende mens wordt het proces van de Verlossing telkens weer herhaald. Niet alleen Marsyas is de eeuwige martelaar. Ook Christus is dat. Martelaren zijn er altijd geweest en zullen altijd bestaan. Een naakte man hangend aan de het kruis is in onze tegenwoordige beeldcultuur onverbrekelijk verbonden met pornografie en SM-taferelen. Dat was vroeger natuurlijk ook zo, maar door deze martelingscène tot icoon van de Verlossing te promoveren, werd de perverse kern van dit gruwelijke en tegelijk genotvolle tafereel gesublimeerd in een alom geaccepteerd christelijk symbool. Dit transformatieproces beleefde in de Barok van Rubens zijn hoogtepunt, toen de kruisigingscène de trekken kreeg van een sensationele spektakelfilm. De mediamaatschappij is de voortzetting van het christendom, maar dan met andere middelen.

Door pijn tot waarheid

Als je goed kijkt dan zie je dat Marsyas zelf de marteling ondergaat in een vreemde extase. Zijn blik doet denken aan de extatische blik van de gemartelde Chinees op de foto die staat afgebeeld in De Tranen van Eros van Georges Bataille. Per dolorem ad veritatem, door pijn tot waarheid, dat is ook het wezen van de mystieke extase. Het is een verlangen ook naar de keerzijde, de verborgenheid van God, een wrede en lustvolle God die in deze pijn ligt vervat. Wreedheid, zo lijkt Titiaan met dit schilderij aan te tonen, is in de goden zelf aanwezig. Masochisme is niet alleen eigen aan de extreme overgave van het zelf, maar vormt misschien wel het wezenskenmerk van het christendom, dat in laatste instantie een capitulatie eist van het zelf voor een kosmische zin van het bestaan. Een capitulatie voor de ondergang voor de ogen van God zelf. Ook kunst is dat in laatste instantie: een capitulatie voor de ondergang, in de ogen van een God die het duel met de mens altijd wint, of die God nu dood is of niet. Kunst is de poëzie van de pijn.

1 Reactie »

  1. pijn h

    31 januari 2016 op 17:14

    = phijn

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)