Poëzie en verf in Friesland

CIMG3044

DICHTERSONTBIJT

De dag van poëzie was
zwaar beladen met gedichten.
Ikzelf was in de Harmonie.
Om me heen gezichten
van bekenden: Wilco Berga,
Laverman, Feddema, Mercuur.
Net als de mis op zondag vroeger,
maar nu op een wat vroeger uur.

Nooit eerder immers zag ik zo
vroeg zoveel dichters om me heen.
Als woorden in een ouderling,
zo ging de voorgedragen poëzie
naar binnen. Evenals het brood,
want poëzie is een religie
tegenwoordig. Ook goddeloze mensen
leven niet van brood alleen.

Ze willen aangesproken worden
door de stem van een bekende dichter
van achter een katheder op het podium.
Gewijde stilte zonder licht
daalt dan als bij de consecratie neer.
Buiten wordt het langzaam lichter.

Ik mis de bel die drie keer rinkelt:
“Dit is mijn lichaam. Dit is mijn gedicht”.

Dit gedicht schreef ik precies tien jaar geleden, op donderdag 26 januari 2006. Aanleiding was het dichtersontbijt dat ’s ochtends in alle vroegte had plaatsgevonden. ‘De foyer van stadsschouwburg De Harmonie in Leeuwarden is ter ere hiervan omgebouwd tot een sfeervolle ontbijtzaal,‘ stond de volgende dag te lezen in het Friesch Dagblad. Naast allerlei andere mensen, onder wie Thom Mercuur, was ik gevraagd een gedicht voor te dragen naar eigen keuze. Het moest gaan over de relatie kunst en poëzie. Ik koos voor een gedicht van een dichter die tegelijk ook kunstenaar was: Lucebert, met die  ene mooie strofe:

in deze tijd heeft wat men altijd noemde
schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
zij troost niet meer de mensen
zij troost de larven de reptielen de ratten
maar de mens verschrikt zij
en treft hem met het besef
een broodkruimel te zijn op de rok van het universum

Ik weet niet meer welk gedicht Thom Mercuur had gekozen. Dat is helaas in mijn geheugen weggezakt. Het zal wet iets van Kurt Schwitters zijn geweest. Wel weet ik dat wij bij beiden als enigen van de gelegenheid gebruik maakten om een mini-lezing te houden over de relatie tussen kunst en poëzie. Burgemeester Dales was ook van de partij en droeg een gedicht voor over Rembrandt dat hij had laten uitkiezen door Arjan Hut die toen stadsdichter van Leeuwarden was.

mercuurlaverman

Thom Mercuur. Hannie Kamstra en Bartle Laverman, Kortrijk 2007

Ik moest hier afgelopen zondag even aan denken toen ik in Tresoar aanwezig was bij de opening van de tentoonstelling van Bartle Laverman, evenals Lucebert een dubbeltalent. Zijn schilderijen, die mij opeens  aan Lucebert deden denken – maar dan met een vleugje Van Gogh, vooral vanwege het vele geel –  hingen in een klein kabinet tussen een aantal gedichten uit een bundel die binnenkort verschijnt.

Piter Boersma hield in een doorwrochte inleiding in het Fries, verwijzend naar Baudelaire, Delacroix, de Parijse salons en een recente documentaire over studenten aan de Rijksacademie in Amsterdam. Hij deed dat voor een gehoor van belangstellenden dat voor het merendeel de pensioengerechtigde leeftijd al enige jaren geleden had bereikt. Ik denk dat Anne Feddema zowat de jongste aanwezige was. Voor de rest dezelfde gezichten als altijd in Friesland. Ed Bausch was helemaal overgekomen uit Bergen.

Ed programmeert tegenwoordig muziek in kerken in en om Bergen, zelfs in de leegstaande kapel van de voormalige Sint Willibrordusstichting in Heiloo, de inrichting waar ik zelf ooit nog eens onder het spanlaken heb gelegen. Ed houdt daar kantoor in de ruimte van de voormalige keuken. Het moet niet gekker worden. Trouwens, Bergen is mooi, heel mooi. Ik hou van Bergen. Bergen binnen, Bergen aan Zee, praat me er niet van.

Bergen is de plaats bij uitstek waar zowel schilders als dichters van oudsher graag vertoeven. De Mei van Gorter werd hier geschreven. Maar ook Adriaan Roland Holst, wiens huisje ooit bijna in de hens vloog omdat Slauerhoff de elektrische waterkoker aan had laten staan, schreef prachtige verzen na zijn wandelingen langs de vloedlijn. Namen als Adriaan van Dis, Saskia Noort en Joost Zwagerman zijn  verbonden met dit poëtische, maar ook schilderachtige dorp in de duinen, waar schilders zelfs een School wisten te stichten.

Ook Lucebert woonde en werkte lange tijd in Bergen. ‘Alles van waarde is weerloos’, zijn de bekendste woorden van deze schilderende dichter, of dichtende schilder, hoe je het ook maar noemen wilt. Bert Looper had Bartle Laverman voor deze tentoonstelling uitgenodigd, omdat hij vond dat de kunst van het woord en de kunst van het beeld in Friesland weer wat dichter bij elkaar moeten komen. Poëzie én verf, dat is Bartle, zeg nou zelf. Hij is de Monet van Offringawier, maar hij ook kan dichten als Baudelaire.

Eind jaren zestig zijn het woord en het beeld in Friesland uit elkaar gedreven na het opheffen van it Boun fan Fryske Keunstners. Het overkoepelend cultuurideaal, dat alle kunsten in Friesland bijeen hield, spatte in die woelige jaren uiteen. Ook dat is vaak beweerd en dus ook zondag weer opnieuw. Eigenlijk was die breuk niets nieuws. Dat de roman en een gedicht een eigen taalruimte veroverden, werd al duidelijk in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen ook de schilderkunst autonoom werd en het eigen vlak ging verkennen in de vorm, de kleur, de proportie, de compositie… Ja ja, ik heb er voor doorgeleerd.

Maar in Friesland gebeurt alles telkens weer opnieuw, daarom kom je hier ook nooit vandaan. Al die mooie woorden en beschouwingen namen ook niet weg dat het gewoon een druilerige zondagmiddag was, een ideaal tijdstip voor een opening, zoals Bert Looper optimistisch bleef herhalen. Om de druilerigheid te ontlopen, doken we na afloop voor een afterparty nog even weg in Café Fire aan de stille kant van de Nieuwestad. Het was er donker en druk. De grote tafel was nog vrij.

Zo was de  ‘roddelclub’ van weleer voor even weer compleet met Peter, Gryt, Bartle en Hannie, Ed, Marijke en ik. Tiden hawwe tiden. Jacob Haagsma schoof voorbij, maar verdween weer in de schemering. Donna Summer was dood, zo hoorden wij, en haar stem klonk steeds luider tussen het gerinkel van de glazen. De verhalen over Thom Mercuur, die vandaag begraven wordt, gingen over en weer, terwijl ik mij voor de gelegenheid Belgisch bier liet serveren.

CIMG3045

Het was zowat acht uur, toen we op weer op straat stonden. Het natte plaveisel van de Nieuwestad weerspiegelde de avondlucht. Teruglopend naar huis schoot me nog te binnen, dat ik ooit een schilderij van Bartle heb gekocht met de intrigerende titel ”HET ONGELIJK VAN MOUS’. Maar ‘MOUS’ was door hem later doorgestreept, zodat het schilderij nu heet: ‘HET ONGELIJK VAN MERCUUR’. Het hangt op de logeerkamer bij ons thuis. Het verhaal, dat daar achter zit, zal ik maar niet herhalen. Ik heb het al te vaak verteld.

Ik mis de bel die drie keer rinkelt:
“Dit is mijn lichaam. Dit is mijn gedicht”.

Reageren is niet mogelijk.