De terugkeer van het wonder

Slide1

Met het ontstaan van het monotheïsme werd de stoffelijke wereld verlost van zijn primitieve bezieling. Bosgeesten, demonen, trollen en kobolden verlieten stilaan het toneel. De collectieve projecties van de menselijke ziel werden teruggenomen in de individuele psyche en voortaan gefocust op één centraal punt: God. Dat was de eerste stap naar de secularisering, een proces dat uiteindelijk vele eeuwen zou duren en in feite van begin af aan zat ingebakken in het DNA van het christendom: de drieledige bekroning van het monotheïsme. De menselijke ziel kreeg in het christendom een individuele, onsterfelijke status – een retourticket voor de eeuwigheid –  maar naarmate de wereld daarna steeds meer ontzield raakte, werd de psyche van de mens steeds complexer.

Astrologie werd astronomie. Alchemie werd chemie. Religie werd psychologie en zielzorg werd therapie. Na de kenniskritiek van Kant kwam in de loop van de negentiende eeuw het onbewuste in beeld. Actie is immers reactie, ook als het gaat om de binnenwereld van de mens. Zo ontstond de moderne esthetica als een hyper-individuele Ersatzreligion. En naarmate de ziel steeds verder uit beeld verdween, werd de psyche van de mens almaar groter en groter…. als een opwellende zeepbel in een leeg en goddeloos universum.

In die ontwikkeling zette wij gevangen sinds het denken ten prooi viel aan de mechanisering van het wereldbeeld. De kloof tussen de affectieve kennis en de rationele kennis werd steeds dieper en breder. Toch was er tijdens de Renaissance kortstondig sprake van een gelukkig huwelijk tussen ratio en gevoel, maar ook tussen de platonische liefde en de christelijke agapè. Zo ontstond de alles verenigende kennis door liefde, die eeuwig uitstroomt en rusteloos beweegt, maar altijd gedreven wordt door het verlangen om ooit weer terug te keren in de rust van de eeuwige schoonheid.

In de Renaissance werd niet alleen de klassieke beschaving herontdekt, maar ook de erfenis van de Joodse, Arabische en Egyptische culturen. Verwonderd vroeg zich men zich wederom af wat de ware relatie was tussen God, de kosmos en de mens. Kan een mens dan nooit meer zijn dan een sterfelijke God? Of houdt de herinnering aan het goddelijke ook een belofte in van onsterfelijkheid? Dat zou een belofte moeten zijn die gevoed wordt door een liefdevolle heimwee, zoals die wonderlijke vonk in de ziel, waarin Gods liefde in de mens zelf gevangen zit.

Er ontstond een geheel nieuw wereldbeeld, waarin ruimte ontstond voor nieuwe wetenschappen zoals de hermetica, de astrologie, de alchemie en de kabbala. Men verlangde naar een verzoening tussen de verloren rijkdom van heidendom en de verlossing die het christendom te bieden had. De gedachte kwam op aan een nieuwe verbinding tussen Rede en Openbaring, dat er een geheime brug kon bestaan die in de filosofie van de liefde gevonden kon worden, de liefde die zelfs de dood overbrugt. Kortom, men begon weer in wonderen te geloven, maar dan op een andere manier, meer symbolisch en literair. Het  wonder werd de grenzeloze verbeelding van de mens.

Randfenomenen als alchemie, occultisme, spiritisme en parapsychologie hebben nog alnge tijd, zelfs tot in de eerst devennia van de twintigste eeuw de aandacht gehad van vooraanstaande wetenschappers. Er zijn tijden geweest dat bijgeloof en wetenschap helemaal niet zo vijandig tegenover elkaar stonden als men nu zou geloven Uit historisch oogpunt is de belangstelling voor alchemie en occultisme niet meewarig af te doen als een primitieve reactie op de natuurwetenschap. Deze esoterische terreinen van kennis vormden ook een inspiratiebron voor deze natuurwetenschappers zelf, die hun nieuwe revolutionaire ontdekkingen vaak moeilijk konden plaatsen binnen hun eigen wetenschappelijk wereldbeeld.

De alchemie heeft lange tijd de metaforen geleverd om de moderne wetenschap begrijpelijk te maken voor het brede publiek. In de sciencefiction werd de alchemie ingezet om de gevolgen van atoomfysica en kwantummechanica te verkennen. In de eerste decennia na 1900 bestond er een levendig debat tussen natuurwetenschappers enerzijds en een bont gezelschap van alchemisten, occultisten, spiritisten en theosofen anderzijds. Zij ontmoetten elkaar in vooraanstaande verenigingen en genootschappen en niet zelden waren het de wetenschappers zelf die betrokken waren bij spiritistische en alchemistische experimenten.

9780195306965

Deze halfvergeten geschiedenis in het grensgebied van de moderne natuurwetenschap wordt prachtig beschreven in een boek van de Engelse wetenschapshistoricus Mark S. Morrison: Modern Alchemy, Ocultism and the Emergence of Atomic Theory (2007). Morrison bedrijft een nieuwe vorm van wetenschapsgeschiedenis, die in Engeland ook wel ‘boundary-work’ wordt genoemd. Dat wil zeggen: onderzoek in het grensgebied van wetenschappelijke disciplines, maar vooral ook op de grens waar de wetenschap in strijd raakt met zijn eigen paradigma.  De demarcatielijnen van Popper, die wetenschap streng afgrensde van andere vormen van kennis, worden hierbij uit methodisch oogpunt juist genegeerd.

Niet alleen populaire cultuur en ‘modern bijgeloof’ komen bij deze benadering uitdrukkelijk in beeld, maar ook onverwachte grensgebieden zoals de populaire beeldvorming van de nieuwe atoomtheorie, die de alchimistische gedachte over de maakbaarheid van goud opnieuw tot leven wekte. Dat schrikbeeld had zelfs invloed op de theorieën over de moderne economie, die in het begin van de twintigste eeuw worstelde met de consequenties van het goud als internationale standaard voor de valuta. De moderne atoomtheorie bracht allerlei collectieve angsten voort, maar zat ook dringend verlegen om nieuwe metaforen om het intrinsieke verband tussen geest en materie – die in de kwantummechanica aan het licht kwam – in epistemologisch opzicht een plaats te geven. V

Veel natuurwetenschappers waren van mening dat de laat middeleeuwse alchemisten weliswaar fout zaten in hun wetenschappelijke methodiek, maar wel een diepere intuïtie hadden over de aard van de werkelijkheid. Historisch gezien blijkt de alchemie telkens weer de metafoor bij uitstek te hebben geboden voor het doorbreken van denkbarrières.In dit verband kan zelfs sprake zijn van een kruisbestuiving tussen esoterische kennis en harde wetenschap. De wetenschappelijke ontdekkingen van rond 1900 – zoals de radioactieve straling, het verval van atomen en de mogelijke transformatie van het ene element in het andere – had grote gevolgen voor het spirituele denken, zoals dat in die tijd bij theosofen, Rozenkruisers, alchemisten en spiritisten in zwang was.

Ook in deze kringen ging men zich opeens objectiever en wetenschappelijker met het eigen spirituele gedachtegoed bezighouden. Geheime genootschappen werden openbaar en streefden naar herhaalbare experimenten die voldeden aan de eisen van de moderne wetenschap. Er werden hybride takken van wetenschap uitgevonden zoals een ‘occulte chemie’ en een ‘fysica van de helderziendheid’. Omgekeerd hadden natuurwetenschappers het idee dat ze iets misten in hun wereldbeeld.

De beoefenaars van de natuurwetenschap zouden iets fundamenteels uit het oog hebben verloren, waardoor zij op de grenzen van hun eigen kennis waren gestuit. De fundamentele verwevenheid tussen wetenschappelijke experiment en spirituele zelfverheffing, die voor de middeleeuwse alchemist van cruciaal belang was geweest, werd in de moderne wetenschap losgelaten. Die alchemistische transformatie van het innerlijk was in de moderne tijd als oogmerk van de onderzoeker verdwenen. Maar de literatuur bleef de schatbewaarder van de alchemie. Rimbaud sprak over de alchemie van het woord. En ook moderne schrijvers hebben occulte en esoterische bronnen geput als inspiratie voor hun verbeelding.

‘Er bestaan nog wonderen. Het is mogelijk om in een wereld, waarin 
techniek en brein de heerschappij voeren en bij iedere stap voorwaarts steeds duidelijker maken dat God dood is, de kosmische 
dimensie terug te vinden en het heelal opnieuw te bevolken met
 engelen en monsters, mits men beseft dat het het eigen heelal is dat men vult: met de eigen engelen het eigen liefs, met de eigen duivels het eigen kwaads, en dat uit de strijd tussen beide het ik verlost kan 
worden: getransmuteerd tot een eigen God.‘

Aldus besluit R.A. Cornets de Groot zijn bundel essays over het oeuvre van Vestdijk. Het verscheen in 1966 onder de titel De chaos en de volheid. Ik las het eind jaren zestig toen ik zelf belangstelling kreeg voor allerlei occulte zaken, waaronder ook alchemie en astrologie. Niet dat ik er echt in geloofde, maar ik vond het wel interessant. Ik studeerde Nederlands in die tijd en in mijn vrije uurtjes zat ik wel eens te neuzen in het Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens en het Handboek Astrologie van Max Heindel. Dat laatste boek verscheen in 1924 in een Nederlandse vertaling. De  belangstelling voor het occultisme heeft in de twintigste eeuw een golfbeweging gekend met toppen en dalen. De periode rond 1900, de jaren twintig en de jaren zestig gelden als hoogtijdagen van deze trend.

Eind jaren zestig had ik ook een abonnement op het blad Bres-Planète, een wat obscuur tijdschrift dat door Harry Mulisch ooit ‘De Telegraaf voor het onbewuste’ werd genoemd. In die tijd las ik boeken als De dageraad der magiërs (1960) van het duo Pauwels en Bergier. Ik heb zelfs nog een beduimeld exemplaar van de esoterische bijbel van Ouspensky, Op zoek naar het wonderbaarlijke (1949), waarin hij verslag doet van zijn ontmoetingen met de Russische magiër Gurdjieff. Boeken van Gurdjieff en Ouspensky worden tegenwoordig niet of nauwelijks meer gelezen, om over Bres-Planète maar te zwijgen.

Sinds Rudy Kousbroek in 1970 met zijn Avondrood der Magiërs de hang naar het wonderbaarlijke afdeed als een vorm van ‘modern bijgeloof’ dat voor menigeen een laatste vluchtheuvel biedt voor een verdwijnende religie, is het niet meer correct om je nog serieus met dit soort duistere zaken bezig te houden. Ook kort na de oorlog was er een korte opleving in de belangstelling voor het wonderbaarlijke. In zijn boek Het seksuele bolwerk (1973) bekent Harry Mulisch, dat hij in 1947 de twee dikke delen van Ouspensky’s Een nieuw model van het heelal in één etmaal achter elkaar heeft uitgelezen. Na een recente opleving in het ‘new age-denken’ lijkt de belangstelling voor het wonderbaarlijke weer tot een dieptepunt gekelderd.

Ook Vestdijk heeft zijn occulte periode gehad. Dat was in de jaren twintig toen hij in contact kwam met Helena Burgers.( zie foto boven)  Zij was een nicht van Henriëtte Roland Holst en woonde in Amersfoort aan de Bargman Wuytierslaan. Ik ben daar eind oktober nog doorheen gefietst op weg naar de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden, waar ik was uitgenodigd om een lezing te houden. Ook Vestdijk hield in 1924 een lezing op dit instituut en wel over de horoscoop van de componist Mahler. Helena Burgers was een groot kenner van de astrologie en had Vestdijk van het belang hiervan weten te overtuigen. Zelf was ze in de leer geweest bij Carl Gustav Jung in Zürich, waar ze psychologie en psychopathologie had gestudeerd. Al deze informatie ontleen ik aan de Vestdijk-biografie van Wim Hazeu.

Helena Burgers moet een intrigerende vrouw zijn geweest. Vestdijk werd verliefd op haar en ging met haar naar bed. Hij droeg zelfs zijn roman De Koperen Tuin aan haar op. Helena Burgers had een boek geschreven over Leonardo da Vinci’s Laatste Avondmaal waarbij de 12 apostelen volgens haar exact de 12 basale menselijke karaktertypen vertegenwoordigen zoals die in de astrologie beschreven worden.Vestdijk schreef in die tijd ook enkele artikelen over astrologie in het tijdschrift Urania onder de schuilnaam S. Tacorli. Ook Burgers publiceerde artikelen in dat tijdschrift.

Hoewel Vestdijk’s geloof in de astrologie daarna verwaterde, bleef hij het als hulpmiddel gebruiken bij het bedenken van karakters in zijn romans. Hij sprak wel over een ‘zodiakale psychologie’, waarbij de astrologie werd gebruikt om karakters in typen te onderscheiden en zo in een systeem onder te brengen. Ook zal Vestdijk  zeker gebruik hebben gemaakt van het boek Psychologische typen van Jung dat in 1922 was verschenen en in de jaren twintig vaak gelezen werd.

Het was de tijd van de zogeheten ‘intuïtieve aanschouwing’. Men dacht de essentie van de verschijnselen door intuïtie te kunnen doorgronden, waarbij telkens weer bepaalde ideaaltypen naar boven kwamen. Dat soort denken kom je ook tegen in de geschiedenis van het Internationale School voor Wijsbegeerte. Jung zelf gaf ook wel lezingen op dit instituut dat in die tijd in heel Europa bekendheid genoot. Het was een wonderlijke tijd, vol van idealisme en broeierige wereldbeschouwingen, de tijd ook dat oosterse goeroes aanbeden werden. Zo kwam ook  Tagore kwam naar Amersfoort om lezingen te houden waarbij hij zijn gehoor in extase bracht met zijn pleidooien voor een nieuwe synthese tussen het  Oosterse en Westerse denken.

Norbert0001

Maar naast dat zweverige idealisme was er ook een andere stroming, waarbij men zijn heil zocht in meer objectivering en een zuivering van de taal. De geschiedenis van de Internationale School voor Wijsbegeerte is nauw verweven met de zogeheten siginifica, de signifische beweging, die de taal wilde zuiveren om zo een beter contact tussen de mensen en de volkeren mogelijk te maken en het teloorgegane geestelijk evenwicht van de mensheid te herstellen. Al met al was er in de jaren twintig  meer belangstelling voor het wonderbaarlijke dan nu. Men wilde een betere wereld na alle rampen die de Eerste Wereldoorlog had opgeleverd. Daarvoor werden alle middelen ingezet, ook de astrologie, de parapsychologie en het onderzoek naar occulte zaken.

Altijd als ik aan astrologie denk, komt mij een vergelijking voor je geest, die mijn oude natuurkundeleraar Dr. L. Sweerts placht te maken. Hij vergeleek de stand der sterren op het moment van je geboorte met de positie van de melkboer en de bakker die met hun karren dagelijks door de straat rijden. De één komt van links en de ander komt van rechts. Elke dag hebben ze een andere positie ten opzichte van elkaar en de schijnbaar toevallige constellatie die zij vormen op het moment dat je moeder jou als mens op de wereld zet, bepaalt je verdere leven. Absurd dus, maar wie ben ik om dat te beweren. Voor astrologie moet je open staan en mijn mogelijkheden tot intuïtieve aanschouwing laten kennelijk te wensen over.

Zelf ben ik een Boogschutter, een zoeker dus. Ik ben geboren op 1 december in 1947, ‘s morgens om 9.01 uur. Zon, maan en Ascendant, die respectievelijk geest, ziel en lichaam vertegenwoordigen, zijn in mijn horoscoop wellicht sterk met elkaar verbonden. De zon staat in het zesde huis – het arbeidshuis – en maakt mogelijk mooie aspecten met Neptunus, die staat voor inspiratie, en Saturnus die voor de vormgeving borg staat. Zo kan zelfs mijn nuchtere geest begrepen worden als de realisatie van kosmische krachten in deze dageraad van het tijdperk van Aquarius met al zijn wonderen van liefde en medemenselijkheid. Welaan, gooi het maar in mijn pet. Maar ik blijf het fascinerend vinden.

Reageren is niet mogelijk.