Wederopstanding in Utopia

12-26-2008_101

Waterlooplein, januari 1964 (eigen foto)

Weer een vreemde droom vannacht. Ik bevond me in een grote ruimte die veel weg had van een voormalig kerkgebouw. De muren waren van een zacht soort grijze zandsteen. Het was niet helemaal duidelijk wat de huidige functie van de ruimte nu eigenlijk was. Het leek er op dat er kunsttentoonstellingen werden georganiseerd. Maar er waren ook restanten te zien die nog altijd duidden op liturgische activiteiten. Bij de ingang stond een gigantische kaars die brandde en op de preekstoel lag een opengeslagen Bijbel. In de hoge glas-in-loodramen aan weerszijden van de ruimte waren taferelen te zien van hedendaagse beroepen: een computerprogrammeur, een hypnotherapeut, een veranderingsmanager en een communicatiedeskundige. In een donkere hoek aan het eind was een stel jongens bezig met een computergame. Het ging er heftig aan toe. Er werd gescholden. Dit is vloeken in de kerk, zo dacht ik nog bij mijzelf.

Op de plek waar ooit het altaar was stond een groot ‘Heilig Hart beeld’, eveneens uitgevoerd in een zacht soort grijze zandsteen. Het bleek tegelijk een tabernakel te zijn, want er zat een deurtje in dat open kon. Een uitgestoken hand fungeerde als deurknop. Toen ik die hand vastpakte brak hij af. Ik probeerde het deurtje alsnog te openen, met als gevolg dat het hele beeld onder mijn ogen verpulverde en in elkaar stortte. Tegelijk stak er een vreemde bries op in de ruimte. Ik zag dat er een windvlaag naar binnen kwam, dwars door de glas-in-loodramen die kleine gaten bleken te hebben. De wind voelde zwoel aan. Langzaam ging het harder waaien zodat de ramen begonnen te trillen. Op dat moment was ik naakt en kreeg ik een erectie. Ik stortte mij op de dichtstbijzijnde muur en priemde mijn lans van vlees in de zachte, grijze zandsteen. Ik huiverde. De ruimte om me heen smolt weg in een vloeibaar universum.

Opeens stond ik op de preekstoel. De kerk was vol met gelovigen. Mijn preek ging over een beroemde rechtszaak, waarover ik had gelezen in een Heilig Boek. In feite bestond mijn lezing uit een samenvatting van het Heilige Boek aangevuld met mijn eigen commentaar. Er was een moord gepleegd. Ik zette uiteen wat daarover benend was vanuit de getuigenverklaringen. Zo ontstond er een beeld van wat er in de laatste uren voor de moord was gebeurd, niet alleen met de dader maar ook met het slachtoffer.

Mijn verhaal was zeer detaillistisch en ik moest mij tot het uiterste inspannen om me alles exact te herinneren zoals het in het Heilige Boek stond vermeld. Iedere keer leek ik in mijn geheugen te graven op zoek naar nadere details. Soms wist ik het niet precies meer en praatte ik er een beetje omheen. Soms schoten mij in het vuur van mijn betoog nieuwe details te binnen. De gelovigen in de kerk luisterden ademloos toe. Het leek of ik de zaak nu eindelijk ging oplossen, maar in feite deed ik niets anders dan navertellen wat in het Heilige Boek te lezen stond, namelijk…. ‘dat in het kennisproces het actieve aandeel van de geest een belangrijker element is dan de gegevenheden van de bewustzijnsinhouden.’

Toen ik wakker werd, had ik een zwaar gevoel in mijn hoofd. Het leek alsof ik doodmoe was. Opeens realiseerde ik mij wat voor een rare droom dit geweest was. Hoe kun je nu in je droom graven in je geheugen? In je droom heb je toch geen toegang tot je geheugen? Een droom overkomt je als een openbaring of anders gezegd: alsof je in een bioscoopzaal zit en naar een verhaal kijkt dat zich afspeelt op het witte doek.

Maar dit was anders. Ik kon door moeite te doen mij nieuwe beelden voor de geest halen, waardoor mijn verhaal levendiger werd. Het verloop van mijn droom had ik dus min of meer zelf in de hand. Toch was het geen lucide droom. Dat is een droom, waarin je de illusie hebt dat je wakker bent en de beschikking hebt over je vrije wil. Vroeger, toen ik zo’n jaar of twintig was, heb ik wel eens zo’n lucide droom gehad. Nu had ik niet echt de beschikking over mijn vrije wil. Ik kon alleen een beroep doen op mijn geheugen, tenminste ik had de indruk dat ik dat kon.

Nadenkend over de betekenis van deze droom, herinnerde ik mij dat ik dit weekend een gesprek heb gevoerd over de problemen die zich aandienen bij het fenomeen virtual reality. (voortaan VR genoemd) Vrijdagavond had ik iemand op bezoek die van plan was een virtueel museum te laten bouwen op een bijzonder locatie in Friesland. Ik vroeg hem waarom je zoiets zou doen. Een echt museum is toch veel mooier.

Maar hij dacht dat je bij zo’n virtueel museum overal ter wereld kon inloggen en dan met behulp van een VR-bril een bezoek kon brengen aan het museum. Je zou dan echt het gevoel hebben dat je trappen op kon lopen en door de zalen kon dwalen. Aan de muur hingen niet alleen schilderijen, maar er waren ook video-installaties te zien. Op dat moment begon het mij te duizelen. Hoe kun je nu in een virtuele werkelijkheid een video-installatie zien? Of nog anders: kun je binnen een virtuele werkelijkheid toegang krijgen tot een andere virtuele werkelijkheid, een soort VR in het kwadraat?

En terwijl we zo zaten te praten, realiseerde ik mij dat ik geen helder beeld had van wat het woord ‘virtuele werkelijkheid’ (VR) nu eigenlijk precies betekent. Is het een werkelijkheid die je met technische middelen kun simuleren, zodanig dat je via de zintuigen geen verschil ervaart tussen echt en onecht? En als dat zo is, betekent het dan ook dat je het gevoel van zwaartekracht kan simuleren, de spanning in je spieren als je een trap of een berg beklimt? Of gaat het alleen maar om zintuiglijke indrukken van het zien en het horen? Er zijn wellicht verschillende soorten van virtuele werkelijkheid, afhankelijk van het aantal zintuigen dat bij de simulatie daarvan betrokken is?

De dag daarop vernam ik van mijn zoon Jurriaan dat er inderdaad twee soorten VR zijn, waarbij het gemakshalve samenvatte als het verschil tussen de VR van The Matrix, waarbij sprake is van een directe simulatie via de hersenen, en de VR van Star Trek, waarbij de simulatie via de zintuigen plaatsvindt. De huidige technologie beperkt zich tot simulatie via de zintuigen, voornamelijk via het oog en het oor. Er zijn ook al apparaten ontwikkeld waarbij je met een VR-bril op een soort loopbrug staat, zodat je de illusie hebt dat je zelf ook daadwerkelijk kunt lopen in de virtuele ruimte. Ook is het al mogelijk om de tastzin virtueel te simuleren. Maar het is nog niet mogelijk om op deze wijze virtueel een trap op te lopen, laat staan een berg te beklimmen.

Virtueel seks hebben is natuurlijk helemaal nog een brug te ver. Daarvoor zou je The Matrix-VR nodig hebben en dat is voorlopig nog toekomstmuziek. Ik vroeg me af of dingen, zoals in films als The Matrix en Robocop worden getoond, zich in de toekomst ook daadwerkelijk mogelijk worden. Of beter gezegd: of ze überhaupt mogelijk kúnnen worden? Laten de wetten van de natuurkunde dit toe? Is dat eigenlijk een filosofische vraag of een vraag die je binnen de natuurkunde kunt beantwoorden? Ik herinnerde mij dat ik ooit eens een boek had gelezen van de filosoof Paul Virilio. Hij beweert dat het moeilijk is om je een maatschappij voor te stellen, die het lichaam zal ontkennen, zoals eerder de ziel is ontkend. En toch is dat volgens hem de maatschappij, waarnaar we nu op weg zijn:

We are entering a world where there won’t be one but two realities: the actual and the virtual. There is no simulation, but substitution.’

Het meest verontrustend is de bewering van Virilio, dat sinds de terreuraanslagen van 9/11 er mondiaal ontwikkelingen gaande zijn die wijzen op een allesomvattend proces, waarin de techniek de werkelijkheid op gewelddadige wijze wil laten verdwijnen. Alles lijkt gericht op één en het zelfde moorddadig project: het opheffen van onze eindigheid in de steeds meer versnellende maalstroom van media en technologie. De kunst is volgens Virilio geen tegenspeler in dit fatale proces, maar zou van oudsher een medeplichtige zijn. Kunst en techniek hebben verschillende snelheden, maar zitten in dezelfde maalstroom gevangen. De onvolmaakte en onbeheersbare werkelijkheid – de werkelijkheid die gered moet worden – is dus zelfs aan de kunst niet besteed.

Maar er is nog iets wat dieper grijpt en dat is de ultieme mogelijkheid tot simulatie die gloort aan de horizon van de technologie: het kunstmatig bewustzijn. Bewustzijn komt voort uit complexiteit, kunstmatig bewustzijn idem dito. Het onderscheid tussen natuurlijk en kunstmatig bewustzijn zal ooit gaan wegvallen, aangezien de complexiteit van het zenuwstelsel meer en meer verbonden raakt met complexiteit van nano-technologieën. Het is een convergerend proces, waarvan de uitkomst vaststaat. Ooit valt de grens weg tussen een mens en een robot, waarna de robots de mens zullen gaan overheersen.

Gaandeweg ontstaat een nieuw fenomeen dat door de media-goeroe Roy Ascott is aangeduid als Telenoia of Technoia, dat wil zeggen: een nieuw bewustzijn dat ontstaat door connectiviteit. Door onze huidige virtuele activiteiten, zoals het netwerken via internet en andere telecommunicatiesystemen, zijn wij feitelijk al bezig een meta-bewustzijn te creëren. In die zin komt – op aan andere wijze dan vermoed – de noösfeer opnieuw in beeld, die Teilhard de Chardin zag opdoemen in de biologie en de genetica.

De vraag die bij dit alles komt bovendrijven is niet ‘wat is geest?’, maar: ‘waar bevindt de geest zich?’ Komt het bewustzijn louter voort uit complexiteit, of is het een onherleidbaar aspect van ons universum? Gaan wij soms een nieuw leven tegemoet in de virtuele realiteit, een soort techno-noëtisch leven? De huidige experimenten met VR-brillen zouden slechts een voorspel kunnen zijn van een massale emigratie van het bewustzijn naar andere vormen van werkelijkheid. We zullen als mensheid wellicht emigreren naar een ander soort ruimte.

Trouwens wat is eigenlijk ruimte? De grenzen tussen de ruimte waarin wij ons menen te bewegen en ander ruimtes – noem ze voor mijn part ‘transcendente ruimtes’ –  is al  enige tijd aan het vervagen zonder dat we daar erg in hadden. Sinds de invoering van de niet-euclidische meetkunde kunnen we immers niet meer spreken over ‘de ruimte’. Anders gezegd, er bestaat helemaal geen ‘ruimte’. De ruimte, die wij veronderstellen, wordt voorgebracht door onze eigen geest. We dromen onze eigen werkelijkheid.

Zo bezien zouden wij definitief afscheid moeten nemen van de ‘belichaamde filosofie‘ zoals die vooral in de fenomenologie tot bloei is gekomen. De mens is niet langer een fysieke verschijning en zijn denken wordt niet langer gehinderd door de beperkingen van een in het lichaam verankerde geest, maar dreigt zich op den duur volledig in de virtualiteit te zullen gaan oplossen. Door dit nieuwe perspectief van elke maatstaf en elk houvast beroofd, schijnt voor de mens niets anders over te blijven dan een laatste, radicale poging om juist in deze virtuele realiteit het 
antwoord te zoeken op de vraag naar de aard van het ‘mens-zijn’. De filosofie zal opnieuw moeten worden uitgevonden.

Die zoektocht heeft alleen kans van slagen als een dialoog wordt aangegaan met de sciencefiction zoals die zich in de verbeelding van vooruitziende geesten heeft gemanifesteerd. Tenslotte dreigt de apocalyptische triomf van de volledig biologistische en nihilistische opvattingen van het menselijk leven zich op te lossen in een nieuw virtueel Utopia. Als een mens uiteindelijk een virtueel fenomeen wordt, zonder enige metafysische grond of fundering in de materiële werkelijkheid, dan gaat hij vroeg of laat teloor in de efemere stroom van de fictie.

In de eindigheid van het verschijnsel mens, dat zo in beeld komt, ligt een nieuwe grondvraag voor de filosofie verborgen. De opkomst van virtuele realiteit bevestigt andermaal de dood van God, maar nu door het verdwijnen van de mens zelf. Hoe kun je immers nog over God spreken, zonder te geloven dat de werkelijkheid van de mens ook als werkelijkheid bestaat?

De mens is een gelaagd wezen, dat zich vanuit het anorganische, via het organische uitstrekt tot in het psychische. Deze ‘gelaagde mens’ kon tot nog toe zijn wereld van binnenuit begrijpen door de organische samenhangen, die hij waarneemt en verinnerlijkt, te ordenen, te rubriceren, te toetsen aan de werkelijkheid en in grotere gehelen te plaatsen. De vraag, die zich nu aandient op de drempel van het virtuele Utopia, luidt als volgt: Hoe kun je uiteindelijk nog tot waarheden komen, als de grens tussen werkelijkheid en virtuele realiteit volledig is weggevallen. Zelfs de waarheid zal ooit vervluchtigen tot een fictie.

Toen ik wakker werd – en mijn droom wederom was weggevlogen – realiseerde ik mij dat de virtuele werkelijkheid allang bestaat. VR is de denkbeeldige wereld van mijn droom die werkelijkheid is geworden. Ooit zal de mens wederopstaan in een virtueel Utopia. Dat is precies het verhaal dat in alle Heilige Boeken te lezen staat. Een verhaal, waar steeds minder mensen in geloven, maar dat de techniek onder onze ogen tot werkelijkheid maakt.

Zie ook mijn blog: Goddeloosheid in Utopia

Reageren is niet mogelijk.