De glanzende kiemcel van Vestdijk

Slide1

De laatste dagen ben ik me een beetje aan het verdiepen in het literaire oeuvre van Simon Vestdijk. Van de 52 romans, die hij geschreven heeft, heb ik – dat moet ik tot mijn schande bekennen – er slechts een handvol gelezen. Dat moet anders. Ik heb me dan ook voorgenomen om alle romans van Vestdijk die ik nog niet ken alsnog te gaan lezen en daarna ook alles van hem te herlezen wat ik al ken. Ik geeft toe, dat duurt even, maar je moet wàt in het leven. Ik heb het vage vermoeden, dat alles wat over Vestdijk te zeggen valt, te herleiden is tot de Spaanse schilder El Greco.

Ik kan het natuurlijk mis hebben en dan wordt mijn project een grandioze mislukking. Ik kan ook gelijk hebben en dan zal ik wellicht kunnen constateren dat ik in dit opzicht iets met Vestdijk gemeen heb. Ook ik heb een fascinatie voor El Greco. Al heel lang. Die fascinatie dateert al uit mijn puberteit, maar daar zal ik u verder niet mee vermoeien. We gaan het over Vestdijk hebben. Eigenlijk – maar dat had u wellicht al begrepen –  gaan we het hebben over Vestdijk en het katholicisme.

Om me een beetje in te lezen ben ik begonnen met het handzame boekje Het gebergte, de tweeënvijftig romans van Vestdijk, dat Hugo Brandt Corstius en Maarten ‘t Hart in 1996 publiceerden. Een jaar lang hadden zij om de beurt elke week in de NRC een beschouwing gewijd aan een roman van Vestdijk. Dat zijn er nu eenmaal evenveel als het jaar weken heeft. Ieder de helft, 26 dus. Ik maak de klus af, want ik ga ze allemaal zelf lezen.

Wat is de overeenkomst tussen de wederwaardigheden die voorvallen in roman en de psyche van een auteur? Dat is een lastige vraag die al gauw opduikt als je het over Vestdijk hebt. Eigenlijk kun je daar weinig over zeggen, want alles wat je daar over zegt is meestal een foutieve interpretatie. Je ziet wat je wilt zien. Toch is er veel over geschreven. Maarten ’t Hart verwijst naar John Updike die eens beweerd zou hebben dat romanschrijvers soms gebeurtenissen beschrijven die zich in hun latere leven exact zo zullen gaan voorvallen. Alsof de toekomst al aanwezig is in de kiemen van de fantasie. Er bestaat kennelijk zoiets als het paranormale onbewuste van een schrijver, dat – net als in een droom – de toekomst van het eigen leven kan voorzien.

Ik ben geen romanschrijver, maar mij is wel ooit iets dergelijks overkomen. In 1965 zat ik in de redactie van de schoolkrant De Harpoen van het Ignatiuscollege. Ik schreef toen drie korte verhalen die vrijwel exact mijn geestelijke ineenstorting van een half jaar later voorspelden. Ook Vestdijk schreef soms romans die iets te maken hadden met zijn eigen leven, dat wil zeggen: het leven dat  nog voor hem lag. Volgens Marten ’t Hart, die een beschouwing wijdde aan De schandalen  zou in het verhaal van de kunstenaar Wegener, dat in deze roman voorkomt, de diepe depressie zijn af te lezen waar Vestdijk in de jaren daarop mee te kampen had.

De schandalen verscheen in 1953, daarna kwam er drie jaar lang geen woord meer uit de schrijfmachine van Vestdijk, terwijl hij in de periode van 1946 tot 1953 maar liefst 15 romans had gepubliceerd. Maar het boek. waarmee hij in 1956 zijn comeback vierde, was wel meteen een meesterwerk: Het glinsterend pantser. Ik las dit boek toen ik zeventien was, in datzelfde jaar 1965, toen ik in de redactie zat van de Harpoen. Het boek gaat over een een dirigent die lijdt aan die huidziekte psoriasis. Er wordt wel eens beweerd dat Vestdijk zelf ook aan deze huidziekte leed. Hij zou dit bekend hebben aan Antonia Graszl, die – zo als Maarten ’t Hart laat weten – Vestdijk in 1957 had ontmoet en met wie hij een relatie aanging.

Sliade1

Maar er is nog iets. De getroebleerde seksualiteit van Victor Slingeland zou iets van doen kunnen hebben met Vestdijk’s eigen driftleven dat alles behalve normaal was, voor zover je überhaupt van ‘een normaal driftleven’ kunt spreken. Seks is per definitie een kracht die het leven altijd maar weer overhoop gooit. Wie een rustig leven wil leiden, moet zich laten castreren. En dat was voor de voyeur, die Vestdijk als schrijver nu eenmaal was, nooit een optie geweest. Hugo Brandt Corstius vatte de seksualiteit van Vestdijk kort ten bondig als volgt samen: ‘Het is bij Vestdijk nu eenmaal: óf een hemelse liefde zonder neuken, óf aards neuken zonder liefde.’

Vestdijk hield van vrouwen en van muziek. Obsessief, maar in beide gevallen ook altijd op een zekere afstand, alsof de drift telkens weer de omweg van het verstand moest kiezen. Hij was een maniërist die wilde geloven in wat hij deed, maar nooit de manier vond om te doen waar hij werkelijk in geloofde. Hoe dan ook, beide passies – vrouwen en muziek – komen in zijn oeuvre ruimschoots aan bod, en zo ook in Het glinsterend pantser.

‘Ik heb hier enkele malen achter elkaar wat muziektermen gebruikt, dat is geen toeval: het hele boek doet mij  sterk denken aan muziek, niet alleen wat structuur en inhoud betreft, maar ook het taalgebruik. Steeds weer neemt Vestdijk een ander thema ter hand die tenslotte gezamenlijk toch weer samenvloeien in één grote melodie. Ook heeft hij al zijn beschrijvingen van personen en situaties in een geheimzinnige waas weer, wat mij persoonlijk sterk doet denken aan de muziek van Debussy die overigens ook zelf vaak in het boek genoemd wordt in verband met zijn werk Iberia (eveneens driedelig). Maar misschien is ook dit met opzet gedaan. Meer nog als taal heeft de muziek de taak iets te suggereren, omdat zij zich niet verstandelijk laat uitdrukken. Dit boek, dat vol ziet met symboliek, heeft ook als taak iets te suggereren (Vandaar dat Vestdijk misschien de muziek als ‘symbool voor de symboliek’ gebruikt, maar dat kan ook te ver gezocht zijn). Tot slot kan ik nog zeggen dat dit virtuoos geschreven, en zeer knap opgezette (misschien wat ‘überkonstrierte’ ) boek, op mij grote indruk heeft gemaakt, en ook de belangstelling heeft gewekt van deze ongetwijfeld grote schrijver.’

Deze woorden schreef ik in het voorjaar van 1965 . Elke maand moesten wij voor Nederlands een boek bespreken. De keuze was aan jezelf. Ik koos dit keer voor Het glinsterend pantser van Vestdijk, de eerste in Vestdijk’s ‘Symfonie van Victor Slingeland’. Drie boeken, een trilogie dus, waarvan ik het tweede en derde deel nooit gelezen heb. Ze verschenen achter elkaar in de tweede helft van de jaren vijftig: Het glinsterend pantser in 1956, Open boek in 1957 en Arme Heinrich in 1958. In die periode werd Vestdijk ook genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur. Ik had Het glinsterend pantser één ruk uitgelezen en was behoorlijk onder de indruk. Die fascinatie nam alleen maar toe, toen ik het boek ging analyseren. Ik kan me herinneren dat ik tot diep in de nacht aan het schrijven ben geweest. Mijn tekst beslaat uiteindelijk zeven dicht beschreven schriftkantjes en is voorzien van een uitgebreid naschrift.

Het is een roman, zo ontdekte ik, die gaat over de problematiek van het kunstenaarschap. Twee typen kunstenaars – de een scheppend de ander uitvoerend – worden tegenover elkaar gesteld. De scheppende kunstenaar is de schrijver ‘S’, de uitvoerende is de dirigent Victor Slingeland. Het zijn twee vrienden. Beiden kennen hun eigen problematiek. De scheppend kunstenaar leeft voortdurend naast zichzelf. De uitvoerend kunstenaar kampt met het probleem dat hij de unieke ervaring van het scheppen alleen bij benadering kent, uit de tweede hand. Hij her-leeft de creatie van de schepper door deze letterlijk te her-scheppen. De schrijver als scheppend kunstenaar schept een eigen wereld, waar zelf niet in kan leven. Dat creëert een vreemd soort melancholie.

Zo beweert de schrijver S. in Het glinsterend pantser, dat ooit een vrouw, van wie hij hield, ‘van de hand heeft gedaan’ aan een vriend, toen hij merkte dat de personage in de roman, die hij aan het schrijven was, teveel op zijn eigen vriendin ging lijken. Dit ‘overdoen van een vriendin’ gebeurt drie keer in Het glinsterend pantser. Ook aan zijn vriend, de dirigent, wordt door de schrijver om deze reden een vriendin overgedaan, wat natuurlijk verkeerd afloopt. De vrouw die wordt afgestaan aan een ander, zo concludeerde ik destijds, symboliseert in deze roman ‘de inspiratie’. De uitvoerend kunstenaar kon niet werkelijk toegang tot haar (de inspiratie dus) krijgen. Dit onvermogen komt in de roman langzaam aan het licht en krijgt concreet gestalte in de bovengenoemde huidziekte, waar de dirigent aan blijkt te lijden. Het is de ziekte die de roman zijn titel geeft: Het glinsterend  pantser. Telkens als de dirigent zijn drama onder ogen ziet, dan verwerpt hij de vrouw in een sadistisch universum, dat hij  nog het beste kan uitleven als hij Le sacre du printemps van Strawinsky dirigeert.

Die plaat heb ik daarna grijs gedraaid, evenals La Mer van Debussy, waarvan ik de structuur meende te herkennen in de opbouw van de roman Het glinsterend pantser. Ik denk niet dat ik met die laatste suggestie bij het rechte eind had. Nadien is er heel wat over Vestdijk’s Slingeland symfonie geschreven. Menig neerlandicus is hier op afgestudeerd en een enkeling wijdde er een proefschrift aan. Ook J.J. Oversteegen analyseerde Vestdijk’s muziek-trilogie in zijn artikel Vestdijk en de objectiviteiten. Oversteegen zag in deze trilogie een de structuur van een symfonie in drie delen (allegro, andante, allegro) met thematische herhalingen, scherzi en coda’s. Ik las dat onlangs in het boek Moet dit een wereldbeeld verbeelden? (1979). Dat is een fragmentarische biografie van Pé Hawinkels, een onsamenhangende reeks beschouwingen over zijn leven en werk.

Karel Meeuwesse, die in de jaren zestig hoogleraar Neerlandistiek was in Nijmegen en de werkkamer deelde met Anton van Duinmerken, begeleidde in het voorjaar van 1965 – t0en ik met mijn boekbespreking zat te worstelen –  Pé Hawinkels bij zijn kandidaatsscriptie, die hij overigens nooit heeft afgemaakt. Pé Hawinkels was een multitalent, een alleskunner die als een uiterst creatieve fragmentatiebom uit elkaar is gespat. Uit de scherven van dit kleine oeuvre laat zich de revolte aflezen, die de studentenstad Nijmegen in de jaren zestig en zeventig heeft meegemaakt, maar ook gloeit uit deze wonderlijke biografie een vreemd licht op. Het is de clash van het katholicisme na het bankroet van het aggiornamento, een licht dat nog één keer straalt. Pé Hawinkels woonde op loopafstand van Anton van Duinkerken. De laatste stierf in 1968. Pé Hawinkels stierf in in 1977, plotseling, nog geen 34 jaar oud. Doodsoorzaak: een hartaanval. Hij was de Boris Vian aan de Waal. Met hem stierf een roerige tijd een plotselinge dood. De tijd, waarin een poging werd gewaagd om aan de burgerlijke cultuur te ontsnappen. Euforisch en vergeefs.

In 1992 solliciteerde ik bij Het Museum De Commanderie van Sint Jan in Nijmegen naar de vacante functie van directeur. Ik werd opgeroepen voor een gesprek. Zo belandde ik in een wat muf ruikende regentenkamer in een oud gebouw in een wat aftandse wijk aan de Waaloever. De nieuwbouw – het latere Museum Het Valkhof – zou een paar jaar nadien van start gaan. Ik herinner mij nog wat mij door de sollicitatiecommissie als eerste werd gevraagd: ‘Welke tentoonstelling zou u het liefst hier in Nijmegen willen maken.’ Ik antwoordde toen, dat dit een tentoonstelling over het Nijmegen in de jaren zestig zou zijn. Als katholiek gymnasiast op het Sint-Ignatiuscollege in Amsterdam had ik een aantal van mijn klasgenoten na hun eindexamen naar Nijmegen zien vertrekken. Daar gebeurde het: de opkomst van het studentenverzet dat zou uitmonden in de ‘Kritische Universiteit’, maar ook de radicale vermenging van hoge en lage cultuur, de belangstelling voor popmuziek, ook al vond Adorno dat maar niks.

Ik noemde twee figuren die mijn interesse hadden gewekt: de vroeg gestorven kunstenaar Gustave Asselbergs, een van de weinige Pop art-kunstenaars die Nederland heeft voortgebracht (hij was de zoon van Anton van Duinkerken) en natuurlijk: Pé Hawinkels, de dichter, schrijver, taalvirtuoos en Nietzsche-vertaler. Het heeft allemaal niet zo mogen zijn. Iemand anders werd aangenomen, de hoofd-ambtenaar cultuur van de Provincie Gelderland die  wellicht ook een betere bouwpastoor is geworden dan ik ooit had kunnen wezen. Maar soms denk ik nog wel eens: het had ook Nijmegen kunnen zijn.

Prachtige titel overigens die biografie: Moet dit een wereldbeeld verbeelden? Wat Vestdijk betreft, zo lees ik in de bijdrage van Karel Meeuwesse, was Pé Hawinkels het niet eens met de conclusie van Oversteegen. Sinds Bach zijn er immers geen driedelige symfonieën meer gecomponeerd. Hij onderscheidt dan ook vier delen in ‘Vestdijk’s symfonie’, waarvan alleen het eerste deel samenvalt met deel één van de trilogie. Hawinkels heeft zich door zijn interpretaties laten meesleuren. Hij zag steeds meer muzikale verbanden en sleepte er alles bij wat in zijn straatje te pas kwam. Meeuwesse had Hawinkels nog gewaarschuwd om niet  te verdrinken in de maalstroom van het hineininterpretieren. Hawinkels zag een symfonische structuur achter het verhaalgebeuren (het vormgebeuren) en herkende allerlei externe en interne correspondenties in de structuur van de cyclus, waarbij hij verwees  Vestdijk’s Prologmena ener esthetiek.

In het tweede deel van de trilogie komt een passage voor, waarin de de hoofdfiguur Victor Slingeland een partituur van een muziekstuk bespreekt, dat volgens Hawinkels overeenkomt met de structuur van Vestdijk’s eigen roman. Een soort zelfreferentiële figuur dus, een Droste-effect, Gödel, Escher., noem maar op…. Hugo Brandt Corstius merkt op dat Vestdijk dit procedé wel vaker toepast in zijn romans: ‘ In de meeste van Vestdijk-romans is ook een kiemcel aan te wijzen: een ding , een idee, een plaatje, een woord, dat het hele boek doordesemt.’ Zo geredeneerd kun je ook stellen dat er één roman is die alle 52 romans van Vestdijk samenvat . Dat is niet Tussen vier vrouwen, maar Het vijfde zegel. Het Toledo van El Greco is de glanzende kiemcel van heel het oeuvre. Ik weet het, het is een gewaagde stelling, maar geef me de tijd om het te bewijzen.

Slide1

Hawinkels was overigens zeer opgetogen over zijn ontdekking van de zelf-referentiële partituur in de Slingeland-symfonie en schreef een brief daarover aan Vestdijk. Deze reageerde echter koeltjes met een briefkaart, waarin hij mededeelde dat alles ‘slechts een spelletje’ was geweest. Hawinkels haalde vervolgens allerlei kunstgrepen uit om zijn theorie te laten kloppen. Zo is achtereenvolgens een hoofdpersonen, een verhaal, en ‘het lezen van een dagboek’ het leidend thema van de ‘roman-symfonie’. Maar opvallend is wel, dat hij thema’s en motieven allereerst in het ritme en de herhaling van de gebeurtenissen zoekt, in de rapsodische structuur van het verhaal zelf.

Daardoor haalt hij zich een raar probleem op de hals, als hij moet afwijken van de partituur die in de roman zelf door de dirigent beschreven wordt. Hawinkels raakt bij zijn analyses in discussie met een romanfiguur over de structuur van de roman die deze romanfiguur beschrijft. Ra, ra hoe kan dat? Hawinkels lost het op door een salto mortale te maken. Het was geen probleem. Want ‘.en dit is een geweldig voordeel in de discussie met romanfiguren die bovendien het boek waarin ze zelf staan en waarover ze het lijken te hebben, nog niet uit kunnen hebben trekt men altijd aan ’t langste eind.’ Meeuwesse blijft met verbazing achter: ‘ Zo een duivels mooie tournure ben ik in een scriptie nooit meer tegengekomen,’ schrijft hij in zijn postuum commentaar.

Vestdijk schreef dus een roman, waarvoor de structuur in de vorm van een partituurbeschrijving in de roman zelf voorkwam. Zo’n verhaal heb zelf ook eens willen schrijven, een verhaal dat al geschreven is als het nog geschreven moet worden, maar het was dus al eerder bedacht. Eigenlijk ga ik dat nu weer doen. ik ga een interpretatie geven van Vestdijk’s hele oeuvre vanuit één boek, alsof dat oeuvre zichzelf geschreven heeft in een eindeloze variatie op één thema. Schrijven alsof het muziek is, met de muziek ‘als symbool van de symboliek’.  Een boek schrijven vanuit de gedachte dat dit boek al bestaat, dat het al geschreven is omdat het al te lezen staat in die ene cel waarin alle informatie van het voorafgaande en van wat nog komen zal ligt opgeslagen. Zelf zou ik het niet beter kunnen verwoorden dan Vestdijk het deed in zijn boek De glanzende kiemcel (1950):  

‘Men zou hier een term moeten vinden, die precies die zonderlinge omstandigheid aangaf, dat het organisme reeds in de kiemcel aanwezig is, latent, potentiëel aanwezig is, – en terzelfdertijd nog ontbreekt en pas later zal ontstaan. Onze taal is nu eenmaal weinig ingesteld op dergelijke biologische subtiliteiten, aangepast en geschoold als zij is aan een meer mechanistische en pragmatische kijk op de wereld, die de dingen niet in elkaar ziet, maar naast elkaar. De kiemcel is het organisme, en is het tegelijkertijd ook niet, – dat is eigenlijk alles wat we erover kunnen zeggen. In de kiemcel is de werkelijkheid van het organisme aanwezig, maar op een bijzondere, halfslachtige manier, vaag, ongrijpbaar, ongevormd, in wording, nog niet gefixeerd…’

Reageren is niet mogelijk.