De Wet van de zuivere band

Slide1

Elke roman heeft een verhaalstructuur. Soms komt daar een verteller in voor, maar lang niet altijd. Die verteller kan iemand buiten het verhaal zijn, iemand die zich het verhaal herinnert omdat hij het zelf heeft meegemaakt, maar het kan ook één van de personages zijn in de roman. Soms verspringt de vertelfunctie van de ene personage op de andere en is er dus sprake van een meervoudig vertelperspectief. Ik stel me zo voor dat je eerst een vertelperspectief bedenkt, alvorens je een roman gaat schrijven. De verteller, die je verzint, kan samenvallen met jezelf, maar het kan ook een fictieve persoon of een anonieme alwetende instantie zijn. Hoe dan ook, je moet weten hoe je begint. Wie is er aan het woord? Dat is de eerste vraag die een schrijver zich moet stellen. Wie vertelt het verhaal en op welke toon?

Maar hoe zit het als je een film gaat maken? Je begint met een kort concept, dan volgt een storyboard en vervolgens ga je dat steeds verder uitwerken in achtereenvolgende scenes. Meer nog dan een roman begint het maken van een film met het bedenken van een structuur. Vaak is een film gemaakt naar een roman en veel verhaalstructuren van de film zijn dan ook ontleend aan de roman. Soms echter is dat niet het geval. Laatst zag ik een film terug, die ik een paar jaar geleden voor het eerst zag als openingsfilm op het Noordelijk Filmfestival: Das weisse Band – Ein deutsche kindergeschichte. Het is een mooie film in zwart-wit, die in 1999 de Gouden Palm won op het filmfestival in Venetië. Het gaat over een dorpje in het noorden van Duitsland in de tijd vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Het verhaal is heel beklemmend, maar de inhoud doet er nu even niet toe. Ik heb altijd gedacht dat deze film een bewerking is van een bestaande roman. Nu ik hem op video terugzag, kon ik ook the making of zien. Daaruit bleek dat de regisseur, Michael Haneke, zich helemaal niet op een bestaande roman gebaseerd heeft, maar het scenario zo geschreven heeft alsof het lijkt dat het ooit een verhaal is geweest, dat zich in een roman voor de lezer heeft ontrold.

Hij koos dus doelbewust voor een traditionele verteller, in dit geval één van de personages, in casu de dorpsonderwijzer, die het verhaal vertelt waarin hij zelf een belangrijke rol speelt. De sprongen in de tijd worden zo heel gemakkelijk gemaakt en pas op het eind van de film blijkt, dat de oorlog al is uitgebroken en de onderwijzer terugkijkt op zijn tijd in het dorp. Bovendien ontstaat zo de illusie, dat het verhaal zich ergens in je eigen bewustzijn afspeelt, als een herinnerd verleden. Om die reden is ook doelbewust voor zwart-wit gekozen, om het verleden ook inderdaad de sfeer van een herinnering te geven, zoals je dat ook ervaart in oude foto’s en films uit die tijd. De verhaalstructuur in deze, in wezen moralistische film moest een universele wending krijgen. Het moest een a-filmisch verhaal worden, alsof er een dubbele bodem in zat, een bodem die niet bestond.

Ondanks alle zorgvuldig gekozen details in de historische aankleding en het decor, wordt de atmosfeer van de film eerder poëtisch en zelfs symbolisch. De regisseur wilde een universeel verhaal vertellen in een specifieke historische situatie. Daarvoor werden kosten noch moeite gespaard. Op elk detail werd gelet, ook wat de casting betreft. Alleen al voor de rollen van de kinderen werden 7000 audities gehouden. De figuranten voor de boeren met verweerde gezichten van honderd jaar geleden waren in Duitsland niet meer te vinden. Ze moesten uit Roemenië met bussen worden aangevoerd. Ondanks – of juist dankzij – al deze aandacht voor het detail is de regisseur erin geslaagd om de structuur van het verhaal zodanig te organiseren, dat er een poëtisch universum ontstaat dat boven de historische werkelijkheid uitstijgt.  Of, zoals Wellek en Warren het verwoordden naar aanleiding van een roman van Defoe: ‘Alles in het verhaal is waar, behalve de totaliteit ervan. Het is een droomtuin met echte padden erin.’

Je zou het verhaal kunnen opvatten als een vertelling over de kiemen van het fascisme, die al werden gelegd door de uiterst autoritaire, religieuze opvoedingsmethoden van zo’n honderd jaar geleden, waarbij de ouders de lat van de kinderen veel te hoog legden. De gevolgen zijn dan dramatisch, omdat de kinderen de morele lessen, die de ouders er in hebben gedramd, letterlijk ten uitvoer gaan brengen door op moorddadige wijze voor eigen rechter te gaan spelen. Maar die diepste betekenislaag, die in de film verborgen zit, heeft niet alleen betrekking op het fascisme als een specifiek Duits probleem, maar is universeel toepasbaar, denk maar aan de fundamentalistische islam. In feite geldt dit probleem voor elke orthodox religieuze opvoeding, waarbij ‘een witte band van zuiverheid’ uiteindelijk leidt tot fanatisme en moordzucht. Salman Rushdie verwoordde het ooit als volgt: ‘In elke cultuur waar het woord “zuiverheid” centraal staat, duikt vroeg of laat Auschwitz op.’ Pascal had het al in zijn Pensées op een iets andere wijze verwoord: ‘De mens is engel noch beest, en het ongeluk wil dat wie engel wil zijn, beest wordt.’ 

Wie het hoogste nastreeft, roept vaak het tegendeel op. En achter de vroomste gedachten gaan vaak de meest barbaarse zielenroerselen schuil. Een orthodox religieuze opvoeding kan juist averechte gevolgen hebben, als de lat voor het morele leven door de opvoeders te hoog wordt gelegd. Het is de Wet van de zuivere band die leidt tot bandeloosheid. Wonderlijk genoeg geldt die wet ook voor het spiegelbeeld: een opvoeding waarbij geen enkele ruimte wordt geboden voor het spirituele, het religieuze of het numineuze, dat in elk kind al bij zijn geboorte in meerdere of mindere mate aanwezig is. Ook zo’n streng antireligieuze opvoeding kan desastreus zijn, vooral als er sprake is van een religieus begaafd kind.

Het begaafde kind ontspoort niet zelden, omdat het de strakke patronen van de opvoeding te consequent opvat. Juist die kinderen, waarin alles wordt geïnvesteerd, passen zich teveel aan, waardoor hun ware zelf verdrongen wordt. Begaafdheid in combinatie met volgzaamheid leidt tot extremiteiten. Alice Miller heeft daar al eens een mooi boek aan gewijd, zonder de religie daarbij expliciet te betrekken. Terwijl de religie – of het gebrek daaraan – vaak een cruciale factor vormt bij het opgroeien van het kind. In feite is dit ook het kernthema in mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering. Het teveel aan religie dat zich spiegelt in het tekort daaraan. Het ene uiterste dat doorslaat in het andere, en dat alles in de draaikolk van de tijd. Opvoeden en opgroeien is leren maat en koers te houden, vooral in tijden van mateloosheid.

2 Reacties »

  1. Jelle Breuker

    26 oktober 2015 op 10:48

    Tijdloze dromen III (zie I: 3-9-2015 en II: 25-10-2015)

    Er waren ook vrouwen die aan de kruistochten deelnamen. Sophie Cassagnes-Brouquet schrijft: ” La croisade est presque toujours présentée comme une affaire d’hommes, clercs ou laïcs. Cependant les documents laissent entrevoir la présence de femmes en assez grand nombre parmi ses rangs. Albéric, chancellier de l’église de’Aix-la-Chapelle, écrit, d’après des témoignages de croisés, entre 1125 et 1150, une histoire de la première croisade jusqu’en 1119 dans laquelle il mentionne, pour la critiquer, la présence de nombre d’entre elles”.
    [ ] ” Imad-al-Din (1125-1208) raconte qu’une femme de haut rang, dont il ne dit pas le nom, est arrivée par la mer à la fin de l’autome 1189 avec une escorte de cinq cents chevaliers, écuyers et valets, pour le mener au combat contre les musulmans. Il en vient à dire qu’il y avait de nombreuses femmes dans les armées des croises qui portaient l’armure comme les hommes et combattaient auprès d’eux. Elles n’étaient reconnues qu’ après leur mort quand on leur retirait leur cuirasse. Il précise aussi que, grâce à leur action, elles croyaient assurer leur salut”.

    Intussen heb ik nog een paar boeken gekocht en een aantal ansichtkaarten voor mijzelf: ze geven middeleeuwse miniaturen van tempeliers weer. En ook een houten kruisboogje met pijlen waarop rubberen zuignapjes zijn bevestigd voor mijn kleinzoon
    en een ganzenveerpen met de pluim in het goudgeel van het omringende graan, de inkt heeft de kleur van de korenbloemen.
    Nu is het moment gekomen om te kiezen wat ik eerst ga doen. Wordt het een bezoek aan het museum en daarna aan de vier nagemaakte middeleeuwse tuintjes? Herwaarts. Onder beide activiteiten liggen, naast het bezoek aan de boekafdeling, brandende verlangens. Het is een lastige keuze: het museum begint twee stappen verder en ik ken zijn echte lokroep, halverwege, maar de tuintjes kunnen mijn neurose verhelpen als ik eindelijk de naam zal komen te weten van de middeleeuwse kloosterplant die ik lang geleden in een andere jardin médiéval heb gekocht. Een geheimzinnige plant met op het oog onnozele schijnbloempjes die boven andere bloemen geliefd zijn bij hommels en bijen.
    Mijn oog valt op een staander naast me, een oeroude boomstam, die is aangebracht op de grens tussen de ontvangstruimte en het museum. Ik wil weten of hij vanbinnen net zo vermolmd is als vanbuiten en geef een flinke klap tegen de zijkant, zoals ik dat van jongs af aan doe in boerenschuren. Het verwachte holdoffe geluid wordt overstemd door haangekraai en daarna volgt hondgeblaf, het gehinnik van een paard, het geloei van een koe en de roep van een koekoek. Ik heb, zo zegt de toegesnelde conservator via de trilling van de staander de uiterst gevoelige geluidsinstallatie van het museum in werking gesteld. Die ligt op de planken die via een bint door de staander worden geschraagd. Het dilemma is opgelost, buiten mijn wil trekken de plattelandsgeluiden mij over de dempel het museum in. Weer bij volledig bewustzijn besluit ik mij te hoeden voor historisch voyeurisme bij het volgen van de voorbeeldtempelier, ik noem hem Thibault, op zijn reis van het Franse platteland naar het heilige Land.

    vervolg binnenkort

  2. josse de haan

    26 oktober 2015 op 12:52

    @Alice Miller – Das Drama des begabten Kindes und die Suche nach dem wahren Selbst – een vrij contact met het ware Ik, gebaseerd op de eigen, in de jeugd gewortelde gevoelswereld, noemt Miller ‘gezond narcisme’.

    De stoornis van dit narcisme bestaat volgens haar uit ‘eenzame opsluiting van het ware ik in de gevangenis van het onechte’. Volgens Miller is dit de tragedie (achterflap 1e druk NL,1981).

    Alice Miller noemt de religie niet, en vindt dat dus ook niet de cruciale factor in het opgroeien van een kind.

    In mijn roman PIKSJITTEN OP SNYP komt het jongetje De Lytsk voor, die voor een deel in een gevangenis van het onechte vertoeft. Hij is geboren tussen ’39 en ’45, en die mensen brachten hun eerste levensjaren door in gezelschap van moeders, die onzeker en angstig waren ten gevolge van de oorlog.

    Die generatie vertoont onderling overeenkomsten. Ik herken dat in collega’s die poëzie of proza schrijven. Die kinderen waren narcistich bezet, hun eigen ontwikkeling leed daar onder.

    Gevangen in een opvoeding, dat is de kern van het verhaal van Miller.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)