Muiterij op het seminarie

Slide1

Grootseminarie van Rijsenburg (afgebroken in 1984)

De trouwe lezers van dit weblog zullen in deze komkommertijd zo af en toe teksten tegenkomen die ik jaren geleden al eens eerder publiceerde. Omdat ik mij eventjes met andere dingen bezighoud, is dit een onvermijdelijke noodgreep. De meeste van deze teksten heb ik overigens wel bewerkt of geactualiseerd. Onderstaand verhaal verscheen voor het eerst in 2010.

*

Het grootseminarie van Rijsenburg gold ooit als een van de bolwerken van het katholicisme in Nederland. Rijsenburg is een voormalig dorp dat in de jaren zestig nog deel uitmaakte van de gemeente Driebergen-Rijsenburg in de provincie Utrecht. Het seminarie werd in 1853 gebouwd, als een eerste manifestatie van het Rijke Roomse Leven dat direct na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland in de eeuw daarna tot bloei zou komen. Dat Rijke Roomse Leven heeft tot midden jaren zestig geduurd.

Daarna was het ook snel afgelopen met dit grootseminarie. Het werd in 1968 gesloten en het gebouw is inmiddels gesloopt om plaats te maken voor een appartementencomplex. Belangrijke katholieken hadden in dit seminarie hun voetstappen liggen zoals bijvoorbeeld Schaepman, die er eerst student en later docent was, maar ook Alphons Ariëns en kardinaal De Jong. De geschiedenis en vooral het roemloze einde van dit seminarie is exemplarisch voor de teloorgang van het katholicisme in Nederland.

Dat proces voltrok zich overigens niet zonder slag of stoot. In 1961 vond in dit seminarie een ware opstand plaats onder de priesterstudenten. Deze zogeheten ‘Rijsenburgse revolutie’ is mede de oorzaak van geweest dat het hele stelsel van seminaries in Nederland binnen enkele jaren werd opgeheven. In 1963 waren er nog 32 zogeheten filosofica en theologica met 1929 studenten en 383 professoren. Dat is welgeteld één professor voor vijf studenten. In 1967 werd het hele stelsel van groot-seminaries samengevoegd in vijf katholieke hogescholen.

Het seminarie-karakter verdween en daarmee was ook een einde gekomen aan het seminarie als ‘totalitair instituut’ – ‘total institution–  in de zin die de socioloog Erving Goffman hier aan gegeven heeft. Dat wil zeggen: een instituut dat is afgesloten van de gewone wereld en waar slapen, werken en vermaken onder een dak geschiedt. Alle grenzen die deze levenssferen gewoonlijk scheiden zijn in een totalitair instituut weggevaagd. Evenals kloosters en internaten zijn dit soort gesloten bolwerken op levensbeschouwelijke basis niet zelden broeinesten van seksueel misbruik. Dat waren ze zeker in de nadagen van het Rijke Roomse Leven.

Onlangs las ik het boek Brave rebellen, herinneringen aan de eerste studentenopstand in Nederland (1999) van Jan ter Laak. Het gaat over de revolutie van Rijsenburg, de kortstondige opstand, die zich daar voltrok in de tweede week van november 1961. Het is een half-vergeten hoofdstuk in geschiedenis van de jaren zestig. In de meeste boeken over deze periode – en ik heb er de laatste tijd heel wat gelezen- komt deze merkwaardige gebeurtenis niet voor.

Gevolg van de deze muiterij onder de priesterstudenten was dat de President van het seminarie J. Geerdink zich door kardinaal Alfrink uit zijn functie moest laten ontheffen. Geerdink, die in de oorlog nog assistent van kardinaal De Jong was geweest, was in feite ongeschikt voor zijn functie. Hij was destijds door Alfrink zelf benoemd, als compensatie voor het feit dat hij gepasseerd was bij de opvolging van kardinaal de Jong als aartsbisschop van Utrecht.

‘De studentenopstand op Rijsenburg in 1961 was een teken 
van een cultuuromslag op het punt van gezag en gehoor
zeldzaamheid. Een omslag die in 1968 op diverse plekken in de 
wereld zichtbaar zou worden en waarbij studenten aan 
universiteiten een hoofdrol speelden,’ zo stelt de kerkhistoricus Jan Roes in zijn voorwoord van het boek van Jan ter Laak. ‘De invloed van de katholieke revolutie op 
de Nederlandse geschiedenis is nog te weinig onderzocht om daar nu reeds algemene uitspraken over te kunnen maar op enkele terreinen tekenen zich onmiskenbaar veranderingen af. Spectaculair zijn de gevolgen van de katholieke revolutie onder meer zichtbaar op de terreinen van seksuele moraal en ontzuiling.’

Met die laatste stelling ben ik het volledig eens. De rol, die de katholieken in de culturele revolutie van de jaren zestig hebben gespeeld, wordt nog altijd onderschat. De revolutie van Rijsenburg was een eerste symptoom van grote maatschappelijke onrust. De vlam zou later ook in heel Nederland in pan slaan, maar het waren de katholieken die het vuur opstookten. Tilburg en Nijmegen waren niet voor niets in 1968 brandhaarden van het studentenprotest, dat pas in 1969 met de bezetting van het Maagdenhuis volledig doorbrak. Jan ter Laak verwoordt het in zijn boek als volgt:

‘Verschillende oud-stu
denten van Rijsenburg hadden in 1968, toen zij hoorden 
van bezettingen door studenten van universiteitsgebouwen 
en van het gedwongen terugtreden van rectoren, een déjà 
vu. In retrospectief gingen zij spreken over de ‘Rijsenburgse 
revolutie’. Sommigen noemden het zelfs de eerste studen
tenrevolutie in Nederland. Maar was het ook een revolutie? 
Zeker niet in de zin dat er een duidelijk doel of strategie 
bestond, laat staan een revolutionaire voorhoede. Het was 
een·uiting van een oprechte verontwaardiging over een 
onrechtvaardige collectieve straf. Het intrekken van een 
verlofperiode is een harde maatregel in een totale institutie. 
De rel was een teken dat de periode van autoritaire gezags
uitoefening van de rooms-katholieke kerk in de samenle
ving, maar ook op een seminarie, ten einde liep. Kardinaal Alfrink heeft dit teken van de tijd toen niet verstaan.’

De auteur van het boek Brave rebellen, Jan ter Laak, heeft  werd in 1968 secretaris van het twee jaar eerder opgerichte Interkerkelijk Vredesberaad (IKV). Hij was van huis uit theoloog en priester. Zijn opvolger, Mient Jan Faber, die politiek bedrevener was dan hij, zou het IKV grote bekendheid geven vooral door zijn optreden tijdens de acties tegen de plaatsing van  langeafstandsraketten in het begin van de jaren tachtig. Jan ter Laak werd later omroeppastor bij het KRO-Omroeppastoraat en algemeen secretaris van de katholieke vredesbeweging Pax Christi.

Hij was een exponent van de jaren zestig en zeventig, de tijd van actiegroepen, studentenprotesten en andere maatschappijkritische bewegingen, geleid door de in die tijd – met name vanuit de sociale wetenschappen – opkomende nieuwe secundaire elites die steeds kritischer werden ten opzichte van het oude bestel. Kritische katholieken liepen daarbij voorop. Zij hadden al sinds de jaren vijftig een pioniersrol gespeeld in een proces van emancipatie en geestelijke bevrijding. In de jaren zestig en zeventig verbrede deze beweging zich in een golf van maatschappijkritiek en pacifisme.

Jan ter Laak overleed in 2009 op zeventigjarige leeftijd. Ik heb hem zelf een keer ontmoet. Dat was een wonderlijke gebeurtenis die zich afspeelde in juni 1979. Hij had zijn kantoor destijds in Amersfoort, precies tegenover het bureau van het NOGC (Het Nationaal Overleg Gewestelijke Cultuur). De stafmedewerkers voor beeldende kunst, die werkzaam waren bij de provinciale culturele raden, kwamen daar een paar keer bij jaar bijeen voor een landelijk overleg.

Tijdens die vergadering had ik het op een gegeven moment wel gezien. Ik zei: ‘Heren, ik stap op.’ Ik schoof mijn papieren bij elkaar, stopte ze in de tas, stond op en liep plompverloren de kamer uit. Voor het weggaan zag ik een lege bloemenvaas bij de ingang van de vergaderzaal staan. Met een theatraal gebaar heb ik daar mijn vulpen in laten vallen. ‘Ping!’, ik hoor nog het geluid. Het was doodstil en ik liet de vergadering in verbijstering achter.

Aan de overkant ben ik toen het kantoor van Jan ter Laak binnengestapt. Hij zat gewoon achter zijn bureau en ik ging zitten. Daarna ontspon zich een indringend gesprek dat ongeveer een uur heeft geduurd en dat verscheidene malen werd onderbroken door binnenkomende telefoontjes. We hebben het gehad over allerlei zaken, over het katholicisme en de vredesbeweging, maar ook over persoonlijke dingen.

Na het weggaan ben ik nog even langs gelopen op het NOGC. De vergadering was net afgelopen. Men toonde zich uiterst bezorgd over mij. Voelde ik me wel goed? Moest iemand mij niet even naar huis brengen? Ik sloeg elk aanbod in die richting af, en ben toen samen met Henk Laarakkers, mijn toenmalige collega uit Overijssel, met de trein richting het noorden gereden. Hij stapte uit in Zwolle. Ik reed door naar Leeuwarden. Jan ter Laak heeft daarna nog wel eens gebeld, maar het contact tussen ons is nadien al snel verwaterd.

Achteraf heb me wel eens afgevraagd wat me destijds heeft bezield om zomaar – out of the blue –  bij Jan ter Laak binnen te lopen en contact met hem te zoeken. Van enige homo-erotische spanning tussen ons was geen sprake, zeker niet van mijn kant. Ik was vooral gefascineerd door de wijze waarop hij zijn katholicisme wist te vertalen in hedendaags maatschappelijk engagement. Feit is dat ik destijds mijn geestelijke balans allengs begon te verliezen en binnen een paar weken tijd akelig dicht de toestand van een psychose naderde. Het katholicisme zit bij mij diep in de genen en een zekere fascinatie voor alles wat er in de jaren zestig in katholiek Nederland is gebeurd, is mij nog altijd eigen.

Na onze kortstondige ontmoeting heb ik de activiteiten van Jan ter Laak nog op afstand gevolgd. Zo was het een schok voor mij om te vernemen dat hij in 1996 zijn functie moest neerleggen, nadat er klachten waren ingediend over ‘ongewenste contacten’ in zijn tijd als omroep-pastor. Jan ter Laak verdween plotseling van het toneel. Hij is toen naar Amerika vertrokken om daar een therapie te volgen voor priesters die geen raad weten met hun homoseksualiteit. In een interview in 2001 blikte hij zelf terug op deze affaire:

“Dat was om heel andere redenen, een tijdbom in mijn leven uit 1982/83, die in 1996, dat ik wel mijn rampjaar noem, plotseling ontplofte.” Hij wil weinig kwijt over deze affaire, het zou gaan om een seksueel getinte relatie in de context van zijn pastorale werk, ook niet over de vraag waarom die tijdbom juist op dat moment ontplofte. “Ik heb mezelf voorgenomen daarover niet te speculeren, niet te kijken of het mensen misschien goed uitkwam. Bovendien houd ik niet van complotdenken. En ik zou er gek van worden als ik de rest van mijn leven …, dat moeten anderen maar doen. Het is geen issue waar ik me in verdiep, wat dat betreft heeft therapie me goed geholpen.”

Hoe dan ook, Jan ter Laak was het zoveelste slachtoffer van een geloofssysteem dat eeuwenlang grote problemen heeft gehad met de seksualiteit in het algemeen en de homoseksualiteit in het bijzonder. Anderzijds heeft juist de strijd voor geestelijke bevrijding, die uit deze onderdrukking is voortgekomen, en waar Nederlandse katholieken een voortrekkersrol in speelden, een veel bredere impact gehad, dan achteraf door menigeen wordt onderkend.

1 Reactie »

  1. jeugdherinnering

    23 juli 2015 op 14:18

    Dat beest
    De kans van je leven kondigt zich niet met tromgeroffel aan.Vaak zie je pas bij een terugblik als je leven een verhaal is geworden die momenten voorbijkomen. De afspraak die je bent misgelopen. Het gouden ogenblik waarop je voor hetzelfde geld “ja” had kunnen zeggen of “ik ook”. Maar je staarde genegeerd naar de grond, of slikte een brok in de keel weg. En toen was het te laat. Het oerdrama van de gemiste kansen. Weer een ongeneeslijke melancholicus erbij.

    Maar het omgekeerde doet zich ook voor: je was de afspraak maar ál te graag misgelopen en op het cruciale moment willen uitschreeuwen “néé!!” of “sodemieter óp”. Maar je kón niets zeggen en staarde zonder emotie voor je uit. En toen was het écht te laat!

    Al heel vroeg in mijn leven was het te laat. Zo voelde ik het. Ik kon goed leren, was sportief, barstte van het zelfvertrouwen. Er was niets wat ik niet zou kunnen, dat wist ik zeker. Vol levenskracht. Veelbelovend.

    Maar dat veranderde in zijn tegendeel. Ik besefte dat het volkomen zinloos was om wat dan ook te doen. Waarom zou je je inspannen, als je toch alleen maar leeft om uiteindelijk te sterven. Ik leed aan asgrauwe depressies en voelde me een wandelende dode. Het vrat me op. Depressiviteit is het eenzaamste wat er bestaat. Ik kreeg de meest eenvoudige dingen niet meer voor elkaar. Dus zat ik maar een beetje te zitten en keek hoe de tijd voorbijging. Ik leek vast te zitten in een soort structurele verwarring, waardoor ik niet in staat was ook maar iéts te doen. Ik kon niet eens meer een Donald Duck lezen of een band plakken. Alles was gecompliceerd voor me en toch moest ik studeren.

    …………….Societas Jesu in de best christelijke traditie: dat wil zeggen leergierig, maar met nare bijbedoelingen. In de volksmond niet voor niets Sluwe Jongen genoemd. De sluwe jongen is specialist in sluipwegen en achterdeurtjes en zijn lange marsen door de instituten gaat op kousenvoeten. Hij behoort tot het elitekorps van het Vaticaan, kent de fijne kneepjes van het intrigeren en past die met een mix van raffinement en verbetenheid toe. Alsof hij zo’n fraaie geestelijke leider is, die anchorman van de ware religie. Je kunt net zo goed als kip je verhaal aan een vos opbiechten… Een man die ook graag wegzwemt in nevelige abstracties en gevaarlijk directe vragen zolang nuanceert, tot ze onschadelijk zijn geworden. Zijn uiterlijk -grijze haren rond een kalende kruin- lijkt aangepast aan een van de geruchten die over hem de ronde doen: “De profeet met een open verbinding naar God”.

    Maar ook de man, die op duivels geniale wijze, iemand kinderlijk afhankelijk maakt om hem vervolgens via een spel van afstoten en aantrekken in opperste staat van verwarring te brengen. Het is een griezelig geleidelijk proces, waarbij je meer en meer van hem slikt en je verschrikkelijk schaamt over wat er gebeurt, of nog gaat gebeuren.

    Dus zwijg je erover, je verzint de gekste verklaringen en je kunt aan jezelf niet toegeven, dat het jou is overkomen! Het is eenzaam toeven achter zo’n glazen masker.

    Ik heb lang, véél te lang, gezwegen. Er zit niets anders op. Voor mijn eigen gemoedsrust móet ik die film terugspoelen! Ik zoom in. Stel scherp. Nóg eens beleef ik alles, als voor de eerste keer!

    …………..En daar sta ik dan op een grijze deken. Broek naar beneden. Als een duiveltje uit een doosje staat hij naast me. Nerveus ademend, met een half glimlachje, graait hij gejaagd door zijn grijze haren. Nog heeft hij die eigenaardige kop, waarop het lijkt alsof God en de duivel beiden hun merkteken hebben gedrukt. En in de ogen de uitdrukking van een roerloos rechtopstaande adelaar. Maar die blik in zijn ogen verdwijnt als sneeuw voor de zon. Hij kijkt me aan, een beetje meewarig, een beetje geringschattend en vooral weifelend aan zijn eigen dadendrang. De bovenlip krult omhoog. Scheve voortanden en twee gouden hoektanden komen te voorschijn. Een sliertje speeksel druppelt uit de mond. Een tic bliksemt in de andere mondhoek. Met wijd opengesperde neus besnuffelt hij plotseling, als een opgejaagd konijn, minutenlang mijn geslachtsdeel. Zijn lichaam begint te beven en met zijn hand sjort hij in spastische bewegingen, mijn slappe piemel heen en weer. Met de mond blaast hij wild op de palm van zijn andere hand. Hij valt langzaam, trillend als een espenblad, op z’n knieën voor mijn voeten op de grond. Zijn hoofd, vol zweetpareltjes, helt vreemd achterover. Hij holt zijn rug, knijpt mijn piemel zowat tot moes en maakt opeens het geluid, dat het midden houdt tussen dat van een aangespoelde walrus en een brandweersirene.

    Hélp! , Kijk mij nou! Dit slaat nergens op! Beethoven in een epileptische aanval, flitst het door mijn hoofd. Met zijn handen kan hij niets meer doen. Die zijn gedwongen tot rust en hangen lusteloos naast zijn lichaam. De holling van zijn rug, -schrijf ik nu-, is als een uitgebluste regenboog van perverse wellust. Ik kijk met een-hoe-kom-ik-hier-uit-blik om me heen. De deur is op slot. Hier wil ik niks mee te maken hebben, weet ik opeens heel zeker. Een asgrauw gordijn sluit zich voor mijn ogen. De dreigende stilte die ontstaat lijkt niet op te willen lossen en echoot vreemd in mijn oren. Ik verlang naar Heaven, maar krijg de hel dreunt het door mijn hoofd. Ik blijf daar tot in mijn tenen verlamd aan de grond genageld staan en krijg het gevoel, dat ik volledig van deze wereld wegglijd.
    Van heel ver hoor ik hem vragen: Wil je mmet mmij bbidden?” Ik zucht en geef me over. In Gods naam dan maar!

    Hij recht zijn rug razendsnel, vouwt devoot zijn handen en zegt:
    Ik bid het Onze Vader in het Engels voor “Our Father who are in heaven, hallowed by the name, their kingdom come their will be done on earth as it is in heaven….. en hij gaat al fluisterend in het Nederlands over, kruist de armen voor zijn borst en besluit hardop snikkend met: ….en leidt ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwáde. Amen!

    Opnieuw schokt hij over zijn hele lichaam. Er biggelen tranen over zijn wangen. Hij staat op, veegt met een spierwitte zakdoek zijn voorhoofd af, maar laat zijn tranen de vrije loopt en sommeert me op bitse toon mijn broek op te trekken. Hij vouwt al huilend de grijze deken op. Daarna draait hij de kamersleutel van het slot en onmiddellijk houdt het huilen op. Hij wil een sigaar opsteken, maar het afpellen van het cellofaan mislukt in zijn trillende handen. De geknakte sigaar verdwijnt geïrriteerd in de prullenmand. Vanuit zijn bureaukast haalt hij een fles ranja, merk zwarte kip, tevoorschijn en schenkt mij een glas in.

    “We zijn van alle gemakken voorzien” mompelt hij en loopt naar het raam, waar een laatste reep zonlicht hem het uitzicht belet. Met half dichtgeknepen ogen spiedt hij de omgeving af en zegt:

    “Het heeft niets te betekenen. We kunnen er van buiten af bij. We zijn allemaal sukkels en struikelaars, tastend in het duister in een optocht door de tijd. Er zijn maar weinig mensen die de wereld willen verlossen en hun eigen hart niet begrijpen. Het komt in de beste families voor.

    Ik ben je mentor en ik zal je alle trucjes leren om in de krochten van de ziel door te dringen, zodat wij deze beerput voor eens en voor altijd zullen afsluiten. En onthoudt voor de rest van je leven een ding; dat het volstrekt onmogelijke niet in woorden te vatten is en waak ervoor geen slaaf te worden van je eigen beeldspraak. Want als Jezuïet ben ik voor jou een tussenrealiteit, waarin heterogene elementen niet altijd in een logisch verband staan. Pas veel later zul je begrijpen, wat het betekent lid te mogen zijn van de goede daglichtbrigade.
    Maar dat zal ik waarschijnlijk niet meer meemaken, want tegen die tijd ben je een querulant die mij, net zoals Petrus, tot drie keer toe zal verloochenen.. Wij Jezuïeten lopen namelijk altijd de kans belasterd en verschroeid te worden door de liefde waarmee we werken; dat is het risico van onze roeping. En mensen die dat niet willen begrijpen, kunnen we goed gebruiken in deze fantastische club van “luister naar mijn woorden maar let niet op mijn daden.”
    Bij het afscheid geeft hij met een rare grimas een stomp op mijn schouder. Met zijn handen omknelt hij de beide deurposten. In de deuropening staat hij daar als een gekruisigde en bemerkt tot zijn schrik, dat ook ik die vochtige vlek in de broek van zijn grijze jezuïeten kruis heb gezien.

    Verbouwereerd fiets ik in het donker naar huis. Wat een bizarre ervaring! Ik voel een verscheurende loyaliteit opborrelen die ik eigenlijk helemaal niet kan hanteren. Ik ben volstrekt aangewezen op degene die zich over mij heeft ontfermd en tegelijkertijd gaat er een stuitende walging uit naar de persoon die doet wat hij niet mag doen. Het is zwart en wit tegelijk. Een man Gods die huilend op de knieën valt en mij daarna een glas ranja geeft. Kan dit allemaal wel? Nee het kan niet maar is toch gebeurd, want mijn piemel schuurt in mijn broek en doet pijn. Onwillekeurig moet ik denken aan een uitspraak van de natuurkundeleraar; schaamte en tijd liggen in elkaars verlengde; je kent het maar kan moeilijk uitleggen wat het nu eigenlijk precies is.

    Een politiekever haalt me in en stopt een eindje verderop. Het portier zwaait open en een agent komt me tegemoet.
    “Jongeman wil je onmiddellijk afstappen want je hebt je licht niet aan”.
    Het is goed dat u het zegt” zeg ik “want uw collega zou me vast en zeker een bekeuring hebben gegeven. En in het retraitehuis in Spaubeek kunnen ze er ook wat van”.

    De agent kijkt me geïrriteerd aan en zegt: “Met het retraitehuis heb ik niks te maken en laat mijn collega er ook buiten. Dit wordt lopen of een bekeuring”.

    Dan maar lopen, want bij hen zal ik zeker geen antwoord krijgen op de dingen die ik heb meegemaakt. Dus stiefel ik maar gewoon verder, een onbegrepen ziel in het brave zelfvoldane Limburg van de jaren zestig. Dat het onzekere stappen in nat zuigend drijfzand zullen worden, daar had ik toen geen flauwe notie van.

    Thuis in bed onder de lakens luister ik met de oortelefoon van de transistorradio naar radio Luxemburg. De muziek van de jaren zestig zal nooit meer te evenaren zijn laat staan te overtreffen kwaakt een disc-jockey. Op de klanken van Simon & Garfunkel -‘The Sounds of Silence’- val ik in een lange onrustige slaap. Veel te laat word ik wakker en mijn moeder vraagt geagiteerd waarom die studieboeken op mijn bureau zo nat zijn. Ze pakt het geschiedenisboek ‘Wereld in wording’ op ruikt eraan en zegt; “Dit ruikt naar urine! Wat is in hemelsnaam hier aan de hand. Nou vertel op, wat is er gebeurd”.
    Dat ik blijkbaar niet naar de WC was geweest, maar al slaapwandelend de stapel studieboeken eronder had gepist, vond ik half ontwaakt eigenlijk helemaal niets om je druk over te maken. Net goed, schijn ik gezegd te hebben.

    Daar bleef het niet bij. Die onbegrepen bokkige puberziel blijft tevergeefs proberen in een ongepolijste stijl, zijn geheimzinnige verhalen aan de wereld te vertellen. De zorgeloosheid & ludieke kromspraak & charmante eigengereidheid van voor de gebeurtenis zijn voorgoed verdwenen. Iedereen moet wel luisteren maar niemand zal hem begrijpen.

    De slaapkamer verandert langzamerhand in een surrealistisch rariteitenkabinet. Een krantenfoto van een gewonde Amerikaanse soldaat, strompelend door de Vietnamese jungle, wordt levensgroot op het behang nagetekend. In grote letters kalk ik eronder.

    De kou brandt mij en de hitte bevriest mij…
    Wie mij wil strelen, scheurt mijn huid open…….
    Wie mij te drinken geeft verschroeit mijn keel.

    Maar wat ik toen nog niet wist zou zich langzaam openbaren. Kom je als vijtienjarige in de fluwelen klauwen van zo’n Jezuïet terecht, dan word je dat uiteindelijk fataal.
    Liefde en verleiding horen niet thuis in het studeervertrek van een retraitehuis, omdat er, op zijn zachtst gezegd, ellende van komt. Daar is vriend en vijand het over eens. Het seksuele aspect is door de puber helemaal niet in het contract verdisconteerd, maar staat wel op de verborgen agenda van de pater Jezuïet. De uitgangsposities zijn ongelijkwaardig en de puber raakt zijn vaderbeeld kwijt. Voor een gevoelig iemand met een identiteitsconflict een groter verlies, dan de winst en aandacht van een wolf in schaapskleren.

    Natuurlijk schiet het inschattingsvermogen van ’n puber schromelijk te kort. Ik was nauwelijks in staat te beoordelen, of die Jezuïet nu vrome prietpraat, of solide theologie verkocht. Ik zag niet in, dat hij in het gunstigste geval zijn bestiale instincten maskeerde. Zijn hoogstaande idealen had ik moeten ontmaskeren als het product van een opspelend en lastig libido. En om hem fatsoenlijk weerwoord te bieden had ik de allure van een dichter moeten hebben, de illusies van een pooier en de ideeën van een aap.

    Want als die Jezuïet al iéts is: -dan is hij de anchorman van een oerconservatief verstokt katholicisme-, met een ten hemel schreiende schijnheiligheid, in combinatie met een verwrongen én ontspoorde seksualiteit. Maar zo kon ik het uiteraard als vijftienjarige nog niet zien, laat staan benoemen. Dat lukt pas na jaren van naarstig zoeken, om die pijn te vinden, te dragen en beetje bij beetje boven te komen.

    Uiteindelijk is het me toch gelukt. Met veel moeite heb ik zijn adres weten te achterhalen.

    Een confrontatie is onvermijdelijk.

    Aan Pater F.R. Eckmar s.j.
    ……………………………
    ……………………………
    ………………….

    “Mijn hele leven zat mij iets dwars en ik kon er mijn vinger niet op leggen. Ik heb de afstotendste vorm van medemenselijkheid moeten ondergaan en opnieuw moeten beleven. Dié waarheid onder ogen moeten zien is zowel schokkend als bevrijdend. Nu pas wéét ik dat ik de dingen niet verkeerd heb gezien. Hoe vaag en moeizaam dat proces ook was, het klopte en daardoor kon ik weer op mijn intuïtie vertrouwen.

    Dat alles heeft veel indruk op mij gemaakt; ik denk daar veel aan. Nog steeds. Ik lig niet te hyperventileren in bed maar af en toe daalt er ’s ochtends vroeg een adelaar op mijn borstkas. Hij blijft niet lang zitten, hij is zo beleefd na een paar minuten weer klapwiekend te verdwijnen, maar hij is er wel. ‘Dat beest’ is bij mij thuis een onwelkome gast.

    Nijkerk; maart 1998

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)