Het jaar van de dovende sterren

hooghiemstra

Het is zaterdagavond 16 december 2006. Op een bovenzaaltje van een Groninger galerie, waarvan ik de naam vergeten ben, zit ik aan een tafeltje met naast mij de kunstenaar Tjibbe Hooghiemstra, de Ierse dichter John Brown en de Friese dichter Bartle Laverman van wie je op deze foto alleen de benen kunt zien. De laatste twee hadden gezamenlijk een dichtbundel gepubliceerd, die door de eerste was geïllustreerd met afbeeldingen van zijn schilderijen. Aan mij was de taak om de drie te interviewen, in het Engels wel te verstaan. Nu is mijn Engels belabberd dus dit vond ik een hele opgave. Ooit heb ik in Vilnius in de plaatselijke kunstenaarssociëteit een lezing in het Engels gegeven. Maar een of andere mongool had de carrousel met mijn dia’s in de kast gezet en de deur op slot gedaan. Sleutel weg. Geen dia’s dus. Dan maar zonder plaatjes in mijn eigen steenkolenengels. Een gruwelijke ervaring. Hoe dan ook, de gedichtenbundel die daar in Groningen gepresenteerd werd heette Dêr’t de ko him deljout/ Where the cow lies down. Een mooie titel die veel suggereert, zoiets als ‘Waar je gevallen bent, daar blijf je.’ Erg Fries ook, want Friezen blijven meestal hun leven lang zitten, waar ze ooit uit de boom zijn gevallen. Ze houden van hun eigen nestgeur. Op reis zijn ze doorgaans ook niet te genieten, want na drie dagen vergaan ze van heimwee.

Schermafbeelding 2015-07-19 om 21.18.23

Auke de Vries vertelde me ooit dat hij eind jaren vijftig samen met Jan Stroosma een maandje naar Noorwegen is geweest. Stroosma werd hondsberoerd van heimwee naar it heitelân. Al denk ik dat het nog eerder heimwee naar de memmetaal is geweest. Haal een Fries weg uit zijn taalbiotoop en hij verkommert. Taal is voor een Fries zoiets als de borstvoeding van zijn mem, waar hij zijn leven lang aan verslaafd blijft. Zeker, ook ik word wel eens overvallen door een intens gevoel van heimwee naar mijn geboorteplaats Amsterdam. Ik heb zelf wel eens met de gedachte gespeeld om terug te keren. Maar er was toch altijd iets dat mij ervan weerhield. In al die jaren die achter me liggen ben ik te zeer met Friesland vergroeid geraakt. Ik heb mijn wortels inmiddels hier in de grond. Hier heb ik mijn netwerk van mensen die ik ken. In Amsterdam ken ik eigenlijk niemand meer. Amsterdam is een stad voor de achterblijvers, niet voor mensen die terugkeren. Hoewel ik geen heimwee heb naar Amsterdam, droom ook ik er nog wel eens van om zondagochtend in de tram te zitten. Leeuwarden op zondagochtend is immers het toppunt van treurigheid. Hoe vaak heb ik niet gedacht aan de woorden van Leo Vroman uit zijn gedicht Indian Summer:

Neen, zelfs tastend om heide en strand,
– en al sluit ik krampachtig de oren
om nog Hollandse stormen te horen –
heb ik toch liever heimwee dan Holland.

Friesland dus, daar zal ik mijn laatste jaren moeten slijten zoals het er nu uitziet, want ik weet niet of de boom nog overeind staat waaruit straks de planken worden gezaagd die voor mijn kist zullen dienen. Een Poolse kist graag, want die zijn het goedkoopst. En liefst geen bloemen en sprekers aan mijn graf. Al dat gehuichel, daar hou ik niet van. Het leven is een langzaam dovende ster en als het voorbij is mag je blij zijn als hij nog even blijft stralen aan de hemel. Maar ooit dooft ook die laatste lichtstraal. En  toch….’hoe zouden wij van mensen kunnen houden, wanneer ze niet ouder werden en stierven? Het licht van de dood maakt ze dierbaar.’ Wie zei dat ook al weer? Ik weet het niet meer. Vrolijker word ik er in ieder geval niet van. Dood gaan we allemaal, laten we er maar over ophouden. Call the police, we all gonna die!

Overigens was dat jaar 2006 nog best enerverend. Het was het voorlaatste jaar in loondienst. De zomer was ik druk bezig geweest met de organisatie van het project Vaarweg Lemmer-Delfzijl. Langs deze 150 kilometer lange vaarweg dwars door Groningen en Friesland stonden op 1 september van dat jaar 84 schrijvers op regelmatige afstand van elkaar. Ze moesten een stukje schrijven over wat ze die dag zoal voorbij zagen komen en achteraf zou dat alles gebundeld worden in een boek. Het project was bedacht door Sjaak Langenberg en Vanessa van Dam. Het was een hele toer om dat zover te krijgen. Met de organisatie zijn we een paar maanden bezig geweest. Voor mij was het de laatste keer dat ik zo’n groot project mede mocht organiseren. Nog één keer voelde ik de adrenaline door mijn lijf gieren. De ‘flow’ van dit soort gebeurtenissen heb ik nadien moeten missen. Ik hield van de superstress waarmee zoiets gepaard gaat. De angst dat het allemaal goed mis kan gaan. Als je dan alles onder controle hebt, geeft dat een enorme kick die moeilijk valt uit te leggen.

9033005816

Maar er gebeurden ook minder leuke dingen dat jaar. In april had ik uit betrouwbare bron had ik vernomen, dat het nieuwe bestuur van het Frysk Festival mij een ‘sta in de weg’ vond. ‘Die Mous van Keunstwurk zit daar al meer dan 25 jaar en houdt alles tegen’, zo werd er beweerd. Toen ik tegenover mijn werkgever mijn verontwaardiging uitte over deze belediging, kreeg ik te horen dat iemand zoiets kan verwachten, als hij zich zoals ik gedraagt in de publiciteit. Dat was voor mij de limit. Ik schreef een open brief naar alle media en begreep donders goed dat je zoiets maar één keer kunt doen. Voortaan zou ik braaf mijn tijd moeten uitzitten. Ik moest oppassen om niet nog meer kleerscheuren op te lopen. ‘Huub de moedige.’ schreef de opeens milde Rimmer Mulder in De Moanne. Hij veronderstelde dat ze bij Keunstwurk ook geen raad meer wisten hoe ze met die Mous moesten omgaan. Dat was fijntjes opgemerkt van de hoofdredacteur.

Als je vijanden je gaan prijzen, placht mijn vader te zeggen, dan moet je op je tellen passen. ‘Huub, de moedige’ zou een mooi grafschrift kunnen zijn. Maar je kunt ook het graf in geprezen worden. Het verbale eerbetoon van Rimmer Mulder was natuurlijk pure ironie, maar toch proefde ik in zijn woorden ook een ondertoon van lichte waardering. ‘Was ik maar een beetje zoals hij!’, leek hij te verzuchten. Een mens wordt milder door ouder en wijzer te worden. Een tijdje geleden vroeg iemand aan mij, waarom ik niet milder word met het klimmen der jaren. De rol van ‘éminence grise’ zou beter bij mij passen, zo had hij bedacht. Ik heb hem toen proberen uit te leggen dat ik niet al tijdens mijn leven wil wegkwijnen als een dovende ster en daarom zo af en toe nog wat verbaal vuurwerk afsteek aan de nachtelijke hemel. Leuk om naar te kijken, maar voor de rest geheel onschuldig en volkomen nutteloos. Hoe dan ook, in de loop van 2006 drong het langzaam tot me door dat er een tijd van komen is en een tijd van gaan. Ik nam definitief mijn besluit om gebruik te maken van de mogelijkheid om vervroegd met pensioen te gaan.

Het was een wonderlijk jaar, 2006. Het jaar van de dovende sterren aan de hemel.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)