Het jaar van de vervlogen dromen

 4265822806_8701cba2a4_z

Het GAK-gebouw in Amsterdam in de jaren zestig (foto: Metropolis M)

In februari 1968 brak ik mijn studie bouwkunde aan de TH in Delft plotseling af, van de een op de ander dag. Ik keerde terug naar Amsterdam om daar Nederlands te gaan studeren. Maar ik moest eerst nog een half jaar wachten voordat ik de studie weer kon oppakken. Daarom nam ik een baantje via een uitzendbureau. Zo werd ik als uitzendkracht aangesteld bij het GAK in Amsterdam, dat gehuisvest was in het grote aquariumachtige gebouw in West naast de zogeheten ‘Kolenkit’. Op 21 april 1968 was het tropisch warm. In Venlo werd op die dag 32,2 graden gemeten. Ik weet nog goed dat de temperatuur binnen in het GAK-gebouw niet te harden was. Ik had het geluk dat ik niet aan een bureau gekluisterd zat. Mijn taak bestond uit het zoeken naar zoekgeraakte dossiers van de WAO-afdeling.

De WAO was nog maar een jaar tevoren ingevoerd en toch ging er al heel wat mis. Sommige dossiers waren soms wekenlang zoek. Het was nog het tijdperk van vóór de computers en alle gegevens van cliënten zaten opgeborgen in mappen die voortdurend van het ene bureau naar het andere verhuisden. Zo ging ik als een rechercheur alle afdelingen af en zocht ook in het archief. Vaak was een dossier gewoon verkeerd opgeborgen. Sommige kwamen ook nooit meer tevoorschijn. Er gingen dagen voorbij dat ik geen enkel dossier wist te vinden. Soms vond ik er wel tien op een dag.

Ik kon de dossiers inzien van iedereen die in Nederland een handicap had, ook van mijn eigen familie en kennissen. Ik voelde me een beetje een ‘Alziend Oog’ in het kafkaiaanse labyrint van de bureaucratie. Toch was het een zeer geestdodend karwei. Vaak vertoefde ik in halfduistere kelders, eindeloos zoekend in allerlei stoffige archiefkasten. Niemand kon controleren wat ik precies deed. Ik moest er alleen voor zorgen dat ik zo af een toe weer een dossier boven water bracht.

Op een keer ben ik al zoekend in slaap gevallen. Mijn chef heeft mij uiteindelijk ergens in de kelder gevonden. Hij was gaan zoeken, omdat ik wel erg lang weg bleef. Het was een aimabele man die meende een soort vaderlijke houding tegenover mij te moeten innemen. Dat riep ik kennelijk bij hem op. Ik liep in die tijd met mijn ziel onder de arm. Hij heeft me dus niet ontslagen, alleen wat vermanend toegesproken en het advies gegeven om ‘s avonds wat vroeger naar bed te gaan. Inderdaad spookte ik in die tijd nog wel eens rond in de nachtelijke binnenstad van Amsterdam.

Ik had vooral medelijden met mezelf en troostte me met mooie woorden van anderen, terwijl ik zelf nooit dronken werd of echt de weg kwijt raakte. Wie wil spreken over eenzaamheid stuit onontkoombaar op de valsheid van de taal, 
de onechtheid van de poëzie, de structurele leugen van het 
woord dat alleen bij machte is te benoemen wat de ervaring 
allang in een ver verleden achter zich liet. ‘Ik ken de kroegen, kathedralen, van Amsterdam tot aan Maastricht. Toch zal ik elke dag verdwalen, dat houdt de zaak in evenwicht’. Ja, dat was het, mooie woorden van Ramses Shaffy, maar was ik maar écht gaan dwalen. Ik heb in die tijd nooit de dionysische krochten van de lust opgezocht. Ik was aan het dolen, maar deed dat vooral het GAK-gebouw. In het archief in de kelder stond altijd de radio aan. Zo kon ik daar niet alleen naar mijn favoriete muziek luisteren, maar ook naar de nieuwsberichten.

Begin mei werden de muziekprogramma’s steeds vaker onderbroken door extra nieuwsuitzendingen. In Parijs was een studentenopstand aan de gang. Ik luisterde met bijzondere belangstelling, want ik was zelf van plan om naar Parijs te gaan. Eind mei zou ik voldoende geld verdiend hebben om een maand in Frankrijk door te brengen. Maar er werd stevig gevochten in het Quartier Latin, zo hoorde ik. Op 11 mei werd de gehele wijk gecontroleerd door de opstandelingen. In de week van 13 tot 17 mei was er zelfs sprake van een revolutionaire situatie. In heel Frankrijk waren inmiddels vele bedrijven bezet. De Gaulle kondigde de noodtoestand af en dreigde het leger in te zetten. Op een gegeven moment was De Gaulle zelfs even helemaal zoek en leek het land in complete chaos te vervallen.

De treinen staakten, dus ik kon ook niet weg. Uiteindelijk –  op maandag 10 juni – begonnen er weer treinen naar Parijs te rijden. Met een van de eerste ben ik toen uit Amsterdam vertrokken. In Parijs belandde ik in een spookachtige situatie. Er was haast geen toerist te bekennen. Ik sliep op een vrijwel lege camping in het Bois de Boulogne, maar overdag dwaalde ik door het Quartier Latin. De gevechten waren grotendeels voorbij, alleen ’s avonds was het nog onrustig. Maar ook overdag was de sfeer nog altijd grimmig. Boulevard Saint Michel was zwart van de politie en ik werd daar wel drie keer per dag gefouilleerd.

In het Odeon-theater waren non-stop debatten aan de gang die zeer gedisciplineerd verliepen. Ik heb daar urenlang zitten luisteren. Soms had ik het idee in een andere wereld te zijn beland. Er was geen enkel politietoezicht, de studenten hadden hier de macht volledig in handen. Op een gegeven moment ben ik het gebouw gaan verkennen – een klassiek galerijtheater – en zo belandde ik op de bovenste verdieping. Daar lagen in een donkere, halfronde gang allemaal gewonde studenten met verband om het hoofd of ledematen in het gips. Zij durfden zich niet in een ziekenhuis te laten opnemen uit angst gearresteerd te worden.

Op een wonderlijke manier voelde ik mij aanwezig op de plek waar ‘het’ gebeurde. De geschiedenis voltrok zich onder mijn ogen, maar om nu te zeggen dat ik daar part of deel aan had, nee. Het zelfde gevoel bekroop me een jaar later toen ik min of meer bij toeval bij de Maagdenhuisbezetting betrokken raakte. De eerste nacht heb ik daar doorgebracht, euforisch zingend alsof de totale revolutie aanstaande was. ‘Dit is het begin, wij gaan door met de strijd!‘….’We shall overcome…‘ De wereld zat verpakt in cellofaan. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Hoe groter het drama was dat zich voor mijn ogen voltrok, hoe meer ik mij een outsider voelde. Ik voelde mij als een goudvis in een kom. Een dolende ridder onder een glazen stolp.

Toen ik begin juni 1968 naar Parijs vertrok, was Martin Luther King nog maar kort tevoren vermoord, op een balkon in Memphis Tennessee, op 4 april, de verjaardag van mijn moeder. Vier dagen voordat ik met de trein naar Parijs vertrok werd Robert Kennedy vermoord, op 6 juni. Op het Centraal Station las ik in de kant dat zijn lichaam met de trein werd overgebracht naar Washington. Het is slechts een ongelukkig toeval waar de dood je treft, want tijd en toeval treffen ons allen. Het leven is een aaneenschakeling van toevalligheden, waarin wij voortdurend een zin en betekenis menen te herkennen. We zijn altijd maar weer op zoek naar iets dat je tegenover de contingentie kunt stellen, tegenover de waanzin, het absurde, het kwaad of wat het ook is. Als er een God bestaat, dan komt ook het kwaad uit God voort, dat is de tragedie die eigen is aan het bestaan. (‘Jezus, dit gaat toch niet weer over Jezus?‘) En toch zijn we steeds weer op zoek naar een droom, een opdracht, iets dat de wereld zou kunnen veranderen. Misschien zelfs naar iets dat God, wat Hij ook is of niet is, zou kunnen veranderen….

‘Some believe there is nothing one man or one woman can do against the enormous array of the world’s ills. Yet many of the world’s great movements, of thought and action, have flowed from the work of a single man. A young monk began the Protestant reformation, a young general extended an empire from Macedonia to the borders of the earth, and a young woman reclaimed the territory of France. It was a young Italian explorer who discovered the New World, and the thirty-two-year-old Thomas Jefferson who proclaimed that all men are created equal.’

Deze woorden zijn ontleend aan de rede die senator Edward Kennedy op 8 juni 1968 uitsprak bij de begrafenis van zijn broer Robert Kennedy. Hij verwees naar alle groten der aarde – onder wie Jeanne d’Arc – die hadden geprobeerd de wereld te veranderen. Wat kan één mens doen? Het was een indrukwekkende speech die veel indruk maakte destijds. Nog indrukwekkender wellicht waren de beelden van de treinreis van New York naar Washington, waar de ter aarde bestelling van Robert Kennedy zou plaatsvinden.

Het was een lange stille tocht. De trein met het stoffelijk werd onderweg begroet door talloze Amerikanen: duizenden vlaggen, eresaluten en huilende mensen. Amerika was in diepe rouw gedompeld. Vijf jaar eerder was John F. Kennedy vermoord in Dallas. Met deze derde moord op rij leek het noodlot definitief toe te slaan. De hoop van de jaren zestig was de bodem ingeslagen. De tijden gaan veranderen, zong Bob Dylan, maar dat leek nu definitief verleden tijd.

De reden waarom Robert Kennedy destijds werd vermoord is nooit helemaal opgehelderd. Na zijn dankrede in de balzaal van het hotel in Los Angeles werd hij neergeschoten door vijf kogels. Of de moordenaar Sirhan Sirhan op eigen initiatief heeft gehandeld of was ingehuurd is nog altijd onduidelijk. Robert Kennedy had nogal wat vijanden gecreëerd, vooral toen hij als minister van justitie de bemoeienis van de maffia in de Amerikaanse vakbonden ging aanpakken.

Achteraf zijn CIA-agenten herkend op foto’s van de consternatie die na de moord in het hotel in Los Angeles ontstond. En ook de verklaring, die Jimmy Hoffa – de maffiabaas die actief was binnen de vakbond – een jaar voor de moord tegen een celgenoot in de gevangenis aflegde, is achteraf uiterst verdacht. Hoffa zei destijds dat hij een contract tegen Robert Kennedy had lopen. Als Kennedy ooit door de voorverkiezingen zou komen, dan zou dat contract binnen zes maanden uitgevoerd worden.

Dat is inmiddels 47 jaar geleden, maar in Amerika lijkt de wond nog steeds niet geheeld. Robert Kennedy is daar inmiddels uitgegroeid tot een nationale legende, die nauw verbonden is met de Kennedy-mythe. Hij was een krachtig politicus en een charismatische persoonlijkheid die evenals zijn broers begiftigd was met de gave van het woord. ‘I have a dream’, zei Martin Luther King, maar de beroemde oneliner van Bobby Kennedy is wellicht nog mooier:

‘Some people see things as the are and say: why. I dream things that never were and say: why not?’

Het was een bewogen jaar, 1968. De vertrouwde wereld van weleer leek opeens op mysterieuze wijze te verdwijnen alsof hij verzwolgen werd in een zwart gat van het universum. Als je vlug naar het raam liep kon je hem nog net zien wegschieten in de duisternis van de nacht. Het was het jaar van de vervlogen dromen.

2 Reacties »

  1. Wiersma

    19 juli 2015 op 04:28

    Hou je hart maar vast als Hillary in 2016 de eerste vrouwelijke president wordt.
    Die is nog vele malen erger dan Einsteins: ‘als de mens afhankelijk wordt van de machine is het einde beschaving’.

    En dan nog iets. Een holle frase: ‘Yes we can!’.

    Wie bedoelde Dronebama eigenlijk met ‘we’.
    Het volk?
    Wel. Wat kan het volk dan? Wat het niet al kon. Meer belasting betalen?

    Of werd met ‘we’ de overheid bedoeld? Yes we can you nog meer arnaal uitwonen op uw eigen kosten?

    Vergeet 2018 als Hillary in 2016 president wordt.
    Dan is het einde beschaving.

    Als Amerika een keer niest heeft Europa gelijk de griep. Of beter nog: longontsteking.

    Niet voor niks willen degenen die nu in werkelijkheid aan top van de voedselketen zijn komen te staan, de top ICTers van Google en omstreken, steden op zee gaan opzetten.

    Niet omdat er niet meer voldoende land beschikbaar is, nee, om geheel nieuwe landen te stichten. Met hun eigen wetten. In principe vriend en vijand loos. Maar wel zo machtig dat niemand ze als vijand wil want ICT / de virtuele wereld, is in feite boven de echte wereld komen te staan. En zij zijn de goden van die virtuele wereld.
    Ook bankiers kunnen hier niet tegenop.

    Friesland moet kijken naar de nieuwe predators. Wat willen die.
    Koop een oud boorplatform. Maak het een ‘land’. Vervolgens koop je wat oude vliegdekschepen op en die meer je aan aan dat ‘land’.

    Paar jaar geleden nog: engels vliegdekschip, kosten 8 miljoen. Een prikkie. Kunnen een paar duizend man op wonen. Maar daar gaat het eigenlijk nog niet eens om: je ligt buiten de shit die de fan gaat raken plus je kunt wereldwijd talent aantrekken om business te genereren. Er zijn geen wetten immers?
    Dus waar het om gaat is: je kunt WARE wetenschap een thuishaven bieden. DAAR gaat het om.

    De ware wetenschap wordt binnen dit gekaapte systeem onderdrukt, weggemoffeld of domweg kapotgemaakt.

    In een ‘nieuw land’ geef je de evolutie kans om een soort van opnieuw te beginnen. Niks te maken met wetten en munten van het huidige systeem, die zijn corrupt, frauduleus en noem maar op.

    Dus geen revolutie BINNEN het systeem, maar evolutie BUITEN het systeem.

    Het hoeft niet eens zoveel te kosten. Behalve wat lef.
    Weet ik het 100 miljoen of zo, heb je een heel land.
    Dat platform is natuurlijk meer een meerpaal voor allerhande schepen, dat snapt u ook wel. Maar ook op schepen valt best te leven. En je gebruikt Friesland gewoon als gastland.

    Om een vergelijk te maken. De hoogopgeleide grieken verlaten nu massaal Griekenland. Waarom? Die zien de bui wel hangen: Griekenland is verloren. Demos is dood. Waardoor dat land nog verder in decline komt en dat was dan ook precies de bedoeling van de predators en psychopaten achter dit drama.

    Ik zie het wat zo. De predators nu zijn nagenoeg onverslaanbaar. Het is als een schimmelinfectie, als een zwarte pest. Het heeft ook geen zin meer om met die schimmels in ‘gesprek ‘ te gaan.

    Roei elkaar maar lekker uit: wij gaan naar elders.
    Eén ding weet ik zeker: er zijn genoeg talentvolle wetenschappers en artsen zat die zwaar gebukt gaan onder het huidige systeem. Niet iedereen is corrupt namelijk, niet iedereen doet alles maar voor het geld.

    Die biedt je een vrijhaven in “Newland’.

  2. NN

    19 juli 2015 op 09:31

    Nooit ben ik onder de indruk geweest van de broers Kennedy en evenmin van hun dood. Omstreeks de jaren zestig ben ik een jaar steward geweest bij de HAL en heb, ouderwets gezegd, de militaire dienstplicht vervuld. In beide situaties maakte ik als plattelander kennis met het type randstedelijke klaploper en mooiweerprater, dat zich spoedig daarna in de politiek zou laten gelden. Linksachtigen die altijd op gezochte misstanden bij de aanpakkers wezen, maar hen wel de kastanjes uit het vuur lieten halen. Later zou Joop den Uil (Uyl?: kun je zien hoe belangrijk ik hem vind) hun natuurlijke voorman worden. Zwakke broeders, hoe souverein ze zichzelf en dus ook hun gedachten vonden en vinden, kunnen niet zonder overeenkomstige, duistere voormannen. De Kennedy’s waren van het zelfde allooi: handelaren in wollig rijkelui’spraat van een verwende met zichzelf koketterende elite, zoals hierboven en dat van John: ‘vraag niet wat de staat voor je kan doen, maar jij voor de staat’. Hun charitatieve giften moesten in de pers breeduit worden gemeten. En had pa Kennedy zijn fortuin niet met corrupte bouwactiviteiten vergaard? Het voortdurende geflikfooi met afhankelijke vrouwen paste precies in hun levensstijl. Martin Luther King was met het zelfde sop overgoten, zij het dat hij aanvankelijk arm was.
    Het is alsof veel GroenLinks-ers, PvdA-ers en D66-ers , en ja ook Rutte, bij het driemanschap en hun meelopers in de leer zijn geweest.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)