Huug Pleysier en de Friese jaren ’70

Schermafbeelding 2015-06-21 om 19.50.22

Ik heb Huug Pleysier maar heel eventjes gekend. Zijn naam is voor mij verbonden met de jaren zeventig in Friesland. De tijd dat veel kunstenaars uit de Randstad naar Friesland kwamen, een land dat in die jaren – meer misschien dan ooit – ‘it best lân fan de ierde’ was. In het voetspoor van Gerard Reve die al in 1964 in Greonterp neerstreek in huize Het Gras, kwam begin jaren zeventig een ware invasie van kunstenaars opgang. Zodanig zelfs dat Martin van Amerongen later verzuchtte dat in Friesland achter elke graspol een beeldend kunstenaar woonde. Het was de tijd dat kunstenaars niet de hectiek van de grote stad zochten, maar de stad juist wilden ontvluchten. Ze zochten de witte plekken op de kaart, daar waar je ogenschijnlijk niets geen invloed voelt van de cultuurvorming die juist in de stad zich het hevigst deed gelden. Het was het verlangen naar de onbesmette horizon, maar ook het heimwee naar het authentieke zelf, dat alleen in afzondering beleefd en geëxploreerd kon worden. In de jaren dat Nederland aan het bekomen was van de opkomende welvaart en de maalstroom van de jaren zestig werd Friesland, waar het karige leven toch goed was geweest, voor menigeen een romantische idylle .

Voor kunstenaars echter werd Friesland een oase voor de verbeelding, het ideale arcadia voor een artistieke drop-outs en andere hemelbestormers. Na Lodewijk Pannekoek en Nico Verhoeven, die in de tijd van Reve naar Friesland kwamen, waren het ook in the seventies wonderlijk genoeg vaak grafisch werkende kunstenaars die voorbij de Afsluitdijk neerstreken. Zoltin Peeter, Lode Pemmelaar, Jan Hofman, Reinder Homan…Maar ze kwamen niet alleen uit de Randstad, ze kwamen overal vandaan zelfs uit Duitsland. Artistieke verwanten van Joseph Beuys zoals Fritz Rahmann, Silvia Steiger, Benno Reichart en Felix Droese kozen juist de ruimte en de rust van Friesland voor hun experimenten. Al met al een wonderlijk allegaartje van excentrieke zonderlingen en eigenzinnige avonturiers. Huug Pleysier was één van hen, maar ook anders dan alle anderen. Het leek of hij er altijd al was. Het leek alsof hij Fries was.

De mythe van de Friese eenling heeft een lange geschiedenis en heeft alles te maken met de eenzaamheid van het noorden. Ik weet niet of Huug Pleysier daar iets mee had. Het zou me niet verbazen, maar zo goed heb ik hem niet gekend om dat te kunnen beweren. Zeker is dat hij zonderlinge beelden opriep. Het beeld van een eigenzinnige eenling bijvoorbeeld, of van een kunstenaar die puur zijn eigen spoor volgt en zich door niets en niemand laat leiden of afleiden. Een kunstenaar ook die zijn eigen innerlijk als onuitputtelijke bron ontgint om zo nieuwe, expressieve en krachtige beelden te creëren. Toen ik onlangs zijn werk terugzag, werd ik verrast door de levendigheid en frisheid die het nog altijd heeft. Het is of de emotie letterlijk is neergeslagen op papier en doek.

Of etsnaald en kwast een seismograaf van de ziel zijn geweest, instrumenten die één op éen verbonden waren met een open liggend gevoel, een gevoel dat ogenschijnlijk nooit is dichtgegaan. Dit werk opent zich nog steeds, ook al had ik in jaren niet meer gezien. Huug Pleysier is een van die zeldzame kunstenaars die vanuit hun eigen diepste kern de wereld opnieuw lijken uit te vinden. Als een kind dat met opengesperde ogen alles opzuigt en verwerkt. Hij creëert zijn eigen taal, zijn eigen beelden en bovendien zijn eigen nieuwe verbintenissen tussen het woord en het beeld. Hij ontwerpt een nieuw systeem voor de wereld, dat niet met het alziende oog van het verstand, maar met de blinde trefzekerheid van het instinct.

2003.0041d%20L

In die jaren werd Pleysier – tot zijn grote ergernis – wel eens de Friese Heyboer genoemd. Hij moest daar niets van hebben, ook al leek er op het eerste gezicht soms een wonderlijke parallel op te duiken met het vroege grafische werk van deze beroemde collega Nu ook Heyboer niet meer leeft zou je gevoeglijk kunnen stellen, dat de vergelijking tussen deze twee kunstenaars achteraf beschouwd misschien wel flatterender uitpakt voor Heyboer dan voor Pleysier. Als ik een vergelijking zou moeten maken, zou ik het werk van Pleysier overigens eerder naast dat van Beuys dan van Heyboer willen plaatsen. Hoe dan ook, het zijn alle drie kunstenaars die zeer eigenzinnig waren. Kunstenaars die – zoals Beuys dat zo fraai verwoordde – konden ‘denken met de knieën’. Drie kunstenaars ook die in hun leven gekweld werden door psychoses, maar tegelijk ook – ieder op zijn eigen wijze – de wereld opnieuw hebben uitgevonden, met eigen verbintenissen tussen de woorden en de dingen, tussen de woorden en de beelden, tussen zichzelf en de werkelijkheid.

Beuys was van oorsprong een Fries, zo wordt hardnekkig beweerd. ‘Boye’ is immers een Friese naam. Zijn voorouders zouden uit Friesland afkomstig zijn alvorens zij via Nijmegen neerstreken in Kleef. Pleysier was van oorsprong geen Fries. Hij was slechts een toevallige passant in ’it beste lân fan ierde’. Maar toch lijkt het wel eens of hij de lyrische taal van dit vlakke land als geen ander heeft verstaan en innerlijk heeft verbeeld. Hoe het ook zij, Pleysier heeft in Friesland zijn sporen nagelaten en de invloed van zijn werk lijkt nog steeds te zien bij Friese kunstenaars als Antonia Talamini en Tjibbe Hooghiemstra.

Het heeft nog geen tien jaar geduurd dat Huug Pleysier in Friesland woonde. Rond 1980 vertrok hij naar Groningen en ben ik hem uit het oog verloren. De laatste keer dat ik hem ontmoette was in zijn atelier in Boornbergum in 1978. Ik moest daar werk ophalen dat de Provincie Fryslân had gekocht op een tentoonstelling in Groningen. De ontmoeting heeft maar even geduurd. Ik herinner me het atelier, de nonchalante manier ook waarmee Pleysier met zijn werk omsprong. Het was niet eens ingelijst en eigenlijk wilde hij dat ook niet, had ik de indruk. Hij liep wat schichtig heen en weer, ogenschijnlijk wat mensenschuw, terwijl hij zich zeer van mijn aanwezigheid bewust leek. Later heb ik die prenten nog eens teruggezien. Ze hingen op een afgelegen gang ergens boven in het Provinciehuis in Leeuwarden wat verloren aan de muur, zonder verhaal, zelfs zonder kaartje erbij van wie het was. Dat had op zijn minst gemogen, vond ik. Huug Pleysier 1944-2000. Beeldend kunstenaar, werkzaam in Friesland in de jaren zeventig van de twintigste eeuw.

1 Reactie »

  1. josse de haan

    22 juni 2015 op 01:15

    Frans Lodewijk Pannekoek kwam in 1962 naar Pingjum met zijn vriendin Helmi. In hetzelfde jaar begon Josum Walstra in Harlingen zijn galerie – gehuurd eerst van Buisman die alles gerestaureerd had, later gekocht – waar begin 1963 de eerste tentoonstelling plaats vond. Als ik me goed herinner van Jopie Huisman, Jerre Hakse en Josum Walstra.

    November 1962 begon ik als schoolmeester aan de openbare eenmansschool te Herbaijum. Ik was 21, er zaten 27 leerlingen op school van 6 jaar tot 14 jaar in een lokaal.

    Eind ’62 heb ik Pannekoek in Pingjum opgezocht. Hij heeft me vooral over zijn avonturen in de autoracerij verteld – hij was automonteur/mechanicus bij Ben Pon die in Monaco en andere plaatsen racete.

    Frans Pannekoek had een 2CV met 2 motoren gebouwd. Hij beheerste de fijne techniek van een automonteur, die op een bepaalde manier in zijn etsen terugkomt – fijn en fijnzinnig. Ik heb een aantal in ons huis hangen, ze fascineren nog steeds.

    Nadat zijn huis in Pingjum was afgebrand (1968) hebben de redactieleden van OPERAESJE FERS (poëzietelefoon) op persoonlijke titel etsen van hem gekocht voor een boek met telefoonpoëzie en etsen van Pannekoek. Hij had geld nodig. Van het Reve schreef voor hem in Greonterp het boek ’14 etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard’.

    Een aantal keren is hij in Herbaijum geweest met zijn ‘dubbele’ 2CV die hij voor de school parkeerde. De leerlingen vonden dat nogal interessant. Vooral het geluid van die eend.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)